Motivatie of ‘MOETivatie’
‘Kinderen zijn van nature nieuwsgierig, gemotiveerd om de wereld te ontdekken en nieuwe dingen te leren‘ (Hornstra et al., 2016). Echter op school is niet ieder kind in de klas even gemotiveerd. Vooral de dingen die ‘moeten’, worden vaak gedaan omdat het van de juf ‘moet’ maar niet omdat het kind er zelf voor gemotiveerd is. Gemotiveerde leerlingen leren makkelijker, met meer plezier én onthouden beter wat ze geleerd hebben. Geen wonder dat er veel aandacht besteed wordt aan de motivatie in de klas.
Om intrinsiek (dus vanuit je eigen belang) gemotiveerd te kunnen zijn hebben kinderen volgens Hornstra et al. (2016) behoefte aan autonomie, dat betekent dat ze zelf mee kunnen sturen en zelfstandig keuzes kunnen maken vanuit hun eigen interesse. Daarnaast hebben kinderen het nodig om zich competent te voelen (Yes, ik kan het!). Vanuit dit perspectief krijg je de beste motivatie. Daarom is het belangrijk om te streven naar intrinsieke motivatie.
Leerkrachten gebruiken verschillende trucjes in de klas om kinderen te motiveren.
1. De belevingswereld van kinderen gebruiken
Door aan te sluiten bij thema’s en onderwerpen die kinderen bezig houden, zijn ze gemakkelijker te motiveren voor een opdracht. Een opdracht die gaat over bouwen in ‘Minecraft’ is een stuk leuker dan een opdracht in het rekenboek over bouwen. Het doel van ‘ruimtelijk inzicht aanleren’ blijft hetzelfde, maar doordat het kinderen aanspreekt gaan ze er met veel meer goede zin mee van start. Door juist in verhalen of een opdracht zoeken naar onderwerpen die kinderen aanspreken, ontwikkelen ze meer motivatie. Ook werkt het vaak goed om met ‘echte’ materialen te werken; dus echte proefjes doen of blokken bouwen in plaats van alles uit het boek. Dit doe je door bijvoorbeeld:
- Kinderen materialen van thuis mee laten nemen die passen bij het onderwerp.
- Proefjes te laten doen, voorwerpen gebruiken, zelf laten ontdekken.
- De leerkracht neemt een voorwerp mee van thuis (eerst verstoppen onder een kleed om de nieuwsgierigheid te wekken).
- Namen van kinderen uit de klas gebruiken in plaats van de voorbeeldnamen uit het boek (niet: ‘Jantje telt 7 appels… maar een naam uit de klas gebruiken).
2. Verschillende werkvormen toepassen
Door bij de ene opdracht in tweetallen en bij een andere opdracht in groepjes te werken wordt een opdracht afwisselender. Samen leren is vaak leuker dan alleen. Ook zetten leerkrachten deze zogenaamde coöperatieve werkvormen in bij stukjes van de les, zoals bij de introductie van een nieuw onderwerp kinderen eerst in tweetallen laten praten over wat ze al van een onderwerp weten. Andere werkvormen zijn bijvoorbeeld:
- Denken-delen-uitwisselen: kinderen denken eerst zelf na over het antwoord, delen het dan met een klasgenootje en vervolgens wordt het klassikaal uitgewisseld.
- Om de beurt: de kinderen zitten in tweetallen. De leerkracht stelt een vraag waarbij meerdere, korte antwoorden mogelijk zijn. Bijvoorbeeld: Welke landen in Europa ken je? De kinderen geven om de beurt een antwoord.
- Dobbelen: in de klas wordt een tekst gelezen en nabesproken. Daarna gaan de kinderen in groepjes zitten. Elk groepje heeft één of twee dobbelstenen, waarop bijvoorbeeld staat: ‘wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom‘.
3. Afwisseling in verwerking van de leerstof
De manier waarop een opdracht gemaakt wordt, kan ook afgewisseld worden. Het hoeft niet altijd het lesje opschrijven te zijn. Het kunnen ook werkvormen zijn zoals presenteren op een poster wat je geleerd hebt, of een stripverhaal maken over de Romeinen bij geschiedenis. Daarnaast worden er door afwisselende verwerkingsvormen ook andere talenten van kinderen ingezet. Kinderen die muzikaal zijn maken bijvoorbeeld een rap over het onderwerp en kinderen die creatief aangelegd zijn een werkstuk. Deze manier van werken wordt steeds vaker ingezet bij de zaakvakken zoals aardrijkskunde en geschiedenis.
4. Autonomie: zelf meedenken
Uit onderzoek blijkt dat de inbreng van kinderen zelf een positieve invloed heeft op de motivatie. Hierbij krijgen kinderen de mogelijkheid om zelf te kiezen (ook wel autonomie genoemd). Welke opdracht willen ze uitvoeren, met wie en in welke volgorde? Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het werken met een weektaak.
- Laat kinderen zelf een planning maken.
- Laat leerlingen zelf inschatten hoeveel tijd ze nodig hebben en hoe ze taken gaan maken.
- Laat kinderen zelf nakijken.
5. Doel van de les uitleggen
Als je weet waarom iets belangrijk is om te leren, dan motiveert dat ook meer om er mee aan de slag te gaan. Aan het begin van de les vertellen leerkrachten dan ook vaak wat er in die les geleerd wordt. Ook zie je de doelen steeds vaker in de lesboeken staan bij het begin van de les. Leerlingen willen graag weten dat wat ze doen de moeite waard is en waarom het nuttig is om te leren. Hierdoor zijn ze meer gemotiveerd als ze begrijpen dat de stof zinvol is en als ze een link kunnen leggen naar hun eigen leefwereld.
6. Manieren van feedback geven
De feedback die kinderen krijgen is ook van invloed op het welbevinden en dus ook de motivatie. Feedback kan prestatie- of inzetgericht zijn. Prestatiegerichte feedback is gebaseerd op het cijfer dat leerlingen gehaald hebben (Een acht, hartstikke goed). Inzetgerichte feedback gaat over hoe het kind zich heeft ingespannen (Ik kan zien dat je hard gewerkt hebt, hartstikke goed). Daarnaast kun je in de feedback aandacht besteden aan het proces (Je hebt het volgens mij beter begrepen dan vorige keer, volgens mij heb je erg je best gedaan). Doelgerichte en persoonlijke complimenten laten kinderen stralen, en werkt motiverend!
7. Belonen als motivatie
Op school worden diverse manieren van belonen gebruikt. Meestal geen ‘materiële’ zaken zoals cadeautjes, maar bijvoorbeeld wel in de vorm van een momentje vrij tekenen, langer buiten spelen of een spel mogen kiezen bij de gymles. Ook werken sommige leerkrachten met een beloningssysteem waar bijvoorbeeld door middel van punten of stickers gespaard wordt voor een beloning. Vaak zijn kinderen hier erg gemotiveerd voor. Als je bijvoorbeeld met de klas samen werkt aan hetzelfde doel ‘je vinger opsteken als je iets wilt vragen’ geeft dit ook een goed groepsgevoel om dit met elkaar te doen. En de beloning is ook met zijn allen!
Soms wordt ook wel eens gekozen om een individueel beloningssysteem in te zetten voor een persoonlijk leerdoel van een kind. Een veelgebruikte methode hiervoor is bijvoorbeeld ‘Kids Skills’. Hierbij werken kinderen aan een eigen vaardigheid en mogen ze aan het einde als beloning kiezen hoe ze dit gaan vieren als het doel bereikt is. Beloningen in de klas zijn bijvoorbeeld:
- Een klusje of taakje mogen doen voor de leerkracht.
- Een spelletje tussendoor.
- Een filmpje kijken of een liedje op het digibord luisteren (zelf gekozen door een leerling).
8. Verplaats je in de kinderen
Elk kind heeft de behoefte om ergens bij te horen en zich gewaardeerd, gerespecteerd en verbonden te voelen. Zowel met klasgenoten als met de leraar. Wanneer de leerkracht luistert naar de wensen, meningen en gevoelens van kinderen is er meer wederzijds begrip. Hierbij erkent de leerkracht weerstanden en probeert hij/zij zich in te leven in de wereld van de kinderen.
9. Erbij horen en verbondenheid
Veel leerkrachten betrekken de kinderen door bijvoorbeeld een schema te maken wie welke klusjes mogen doen. Sommige leerkrachten hebben takenborden of takenlijstjes waarop taakjes staan die kinderen mogen doen. Kinderen voelen zich vaak heel belangrijk als ze een taak mogen doen op school. Ook een positieve sfeer in de klas draagt bij aan de verbondenheid. Kinderen moeten zich vrij voelen om vragen te stellen en niet bang zijn om fouten te maken.
10. Positieve benadering
Het is belangrijk dat de leerkracht persoonlijke aandacht biedt, belangstelling toont en dat kinderen gestimuleerd en bevestigd worden in positief gedrag. Veel leerkrachten gebruiken het trucje van de positiviteit.
- Eens kijken wie er al netjes klaar zit…
- Niet: ‘wat zijn jullie druk’, maar ‘wat is er aan de hand?‘
- In een les waar kinderen door elkaar heen praten: ‘Ik hoor zoveel goede ideeën, maar ik hoor ze allemaal tegelijkertijd ‘.
Deze 10 voorbeelden zijn manieren die veel leerkrachten toepassen. Natuurlijk heeft iedere leerkracht zijn eigen stijl, maar ik denk dat alle leerkrachten hun kinderen graag zien leren in de klas. De leerkrachten die ik gesproken heb gaven vaak aan dat ze vooral de ‘relatie’ met een kind als belangrijkste eerste stap vonden om vervolgens tot leren te komen. Als je lekker in je vel zit, je goed voelt in de klas dan is dat een grote meerwaarde om met plezier te leren.
Dit blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht en intern begeleider in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO heeft ze zich gespecialiseerd in gedrag met de Master SEN- gedragsspecialist.
Geraadpleegde bronnen:
Naast gesprekken met leerkrachten, begeleiders en collega’s heb ik de volgende bronnen geraadpleegd:
– Hornstra, L., Weijers, D., van der Veen, I., & Peetsma, T. (2016). Motiverend lesgeven handleiding voor docenten [Website]. https://www.leraar24.nl/app/uploads/motiverend_lesgeven_handleiding.pdf
– Inzichten uit onderzoek over motivatie. (2019, 18 maart). Leerling 2020. https://leerling2020.nl/inzichten-uit-onderzoek-over-motivatie/
– Kerpel, A. (2019, 6 mei). Coöperatieve werkvormen. wij-leren.nl. https://wij-leren.nl/cooperatieve-werkvormen-artikel.php
Het schooljaar starten met de juiste mindset
Een nieuw schooljaar voelt vaak als een ‘nieuw begin’. Een nieuw jaar waarin je nieuwe dingen leert. Kinderen hebben vaak zelf een soort van ‘goede voornemens’ om het schooljaar te beginnen en starten dan ook meestal met een positieve intentie het nieuwe schooljaar.
Groei (growth) mindset
Ieder kind ontwikkelt zich in zijn eigen tempo, maar is met de juiste begeleiding en inzet in staat zich te ontwikkelen. Deze groei gedachte noem je ook wel een ‘Growth mindset‘. Niet alleen je vaardigheden en talenten zorgen voor succes, maar ook een mindset die gericht is op ‘groei’. Eigenlijk ga je er bij een growth mindset vanuit dat je jouw kwaliteiten kunt ontwikkelen door er je best voor te doen. Dit maakt dat je blij bent om uitdagingen aan te gaan en niet opgeeft bij tegenslagen. Kinderen met een groeimindset weten dat je ergens beter in kunt worden als je er je best voor doet. Ze houden van uitdagingen.
Fixed mindset
Een fixed mindset ontstaat op latere leeftijd waarbij je gaat geloven dat persoonlijke groei afhankelijk is van je talent. Je gelooft dat je iets niet kunt en doet het daarom ook niet. Hoe vaak hoor je iemand roepen ‘ik ben niet muzikaal’ of ‘ik kan niet tekenen’. Natuurlijk klopt het soms, maar in veel gevallen hebben mensen zichzelf iets aangepraat en zich op dat gebied niet ontwikkeld.
Fouten maken betekent meer oefenen
Als je iets leert hoort fouten maken erbij, juist in een nieuw schooljaar heeft je kind nog van alles te leren en is het logisch dat nog niet alles meteen lukt. Dus fouten maken betekent eigenlijk dat je meer moet oefenen om zo het beste uit jezelf te halen. Zo leert je kind om te gaan met kritiek en feedback. Een growth (groei) mindset heeft een positief effect op kinderen, het zorgt ervoor dat ze kritisch denken, samenwerken en zo makkelijker herstellen van het halen van een laag cijfer (Grant and Dweck, 2003).
Het is belangrijk dat kinderen begrijpen dat ze in staat zijn om zichzelf te ontwikkelen. Dit lijkt logisch, maar het komt vaak voor dat leerlingen roepen ‘dat kan ik niet‘ of ‘daar ben ik nooit goed in‘. Dit kan een blokkade vormen om tot leren te komen (Masters, 2013). Iedereen is verschillend qua talent, interesse en temperament. Maar als je open staat voor veranderen door te leren en ervaringen op te doen kun je je basiskwaliteiten verder ontwikkelen door er moeite voor te doen. Met de mindset dat je rekenen dus nog wat meer moet oefenen start jouw kind heel anders het schooljaar dan met de gedachte ‘ik kan niet rekenen’.
Voor het eerst naar school
Ondanks dat kinderen in de kleutergroep nog geen ‘cijfers’ krijgen voor hun prestaties gaan kinderen zichzelf dan al vergelijken met hun klasgenootjes. Belangrijk dus om ook al in de kleuterklas én thuis te starten met de juiste mindset.
Prijs de inzet en niet de intelligentie
Kleuters laten vaak vol trots zien wat ze geknutseld hebben. Je zegt dan al snel ‘mooi hoor’ of ‘goed gedaan’ of ‘wat knap van jou’. Maar probeer ook eens procesgerichte complimenten te geven. ‘Wat heb je dat handig aangepakt’, ‘Hoe heb je dit zo voor elkaar gekregen?’ Je hebt iets nieuws geprobeerd, wat fijn’. Kinderen die geprezen worden om hun werkhouding, doorzettingsvermogen of moeite gaan graag een tweede uitdaging aan.
Kinderen met een op groei gerichte mindset hebben de overtuiging dat je alles kunt leren, als je maar oefent. ‘Van proberen kun je leren‘ is dan ook een mooie eenvoudige mindset voor kleuters.
Ik kan het NOG niet
Soms kan één woord een heel groot verschil maken in mindset. Kijk maar eens naar de kracht die het woordje ‘NOG’ geeft in je mindset:
Ik kan het niet -> Ik kan het NOG niet.
Het is moeilijk -> Het is NOG moeilijk.
Het lukt niet -> Het lukt NOG niet.
Uiteindelijk zijn wij als ouders en leerkrachten de rolmodellen voor je kind. Dus spiegel ook jouw groei mindset naar je kind en het wordt een start van een jaar waarin je kind alleen maar kan groeien.
Ik hoop dat deze tips een fijne, zelfstandige start van het schooljaar geven voor je kind. Een fijn schooljaar gewenst waarin je kind mag groeien in alles wat hij NOG niet kan!
Dit blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht en Intern Begeleider in het basisonderwijs.
Bronnen:
https://www.charlottelabee.com/wat-is-het-verschil-tussen-growth-mindset-en-fixed-mindset/
https://www.vernieuwenderwijs.nl/growth-mindset-wat-waarom-en-hoe/
https://jufanke.nl/mindset.html#:~:text=Kinderen%20met%20een%20op%20groei,van%20proberen%20kun%20je%20leren’
Twijfels aan het einde van de vorige groep
Heeft de leerkracht van de vorige groep besproken dat er twijfel was om te doubleren? Dan wordt deze informatie meestal ook in de overdracht naar de nieuwe leerkracht doorgegeven. Had je je voorgenomen om in de zomervakantie keihard te gaan oefenen met je kind, maar is dit bij nader inzien niet gelukt? Geen paniek! Vakantie is ook bedoeld voor ontspanning en uitrusten is belangrijk om weer fris in het nieuwe jaar te kunnen starten. Misschien is juist nu wel het ideale moment om thuis wat leerstof te herhalen of te pre-teachen. Het is zeker nog niet te laat om je kind een beetje extra te helpen thuis.
Nieuwe groep, nieuwe leerkracht, nieuwe aanpak
De leerkracht gebruikt de eerste 4 tot 6 weken van het schooljaar om alle kinderen goed in beeld te krijgen. Ondanks dat er een overdracht plaatsvindt van het vorige schooljaar, is het voor de leerkracht toch altijd even aftasten hoe de kinderen zijn, welke aanpak goed werkt en welke kinderen extra instructie nodig hebben. Zowel de leerkracht als de leerlingen moeten hun draai weer vinden.
Sommige leerkrachten vinden het zelfs fijn om ‘blanco’ te starten en pas na een week de mondelinge overdracht met de vorige collega te bespreken. Hierdoor kijk je als leerkracht zonder ‘vooroordeel’ naar een kind. Soms kan het juist wel wel handig zijn om vooraf te weten wat wel/niet werkt bij een kind. Iedere leerkracht kiest zelf welke aanpak bij zijn werkwijze past. Bovendien kan een bepaalde aanpak bij de ene leerkracht wel werken en bij de volgende niet.
Wat als je kind ontevreden thuis komt?
Sta niet meteen in de eerste schoolweek bij de leerkracht op te stoep om uitleg te geven over de beste aanpak voor jouw kind. Heb er vertrouwen in dat een leerkracht niet meteen in de eerste week alle 25 kinderen exact kent, maar dat dit echt wel goed komt. Mits er geen medische noodzaak is die de leerkracht beslist moet weten, kun je beter afwachten totdat het schooljaar een paar weken gestart is. Doordat de nieuwe juf of meester je kind dan al wat beter kent; kun je ook samen concreter bespreken wat wel/niet werkt voor je kind. Daarnaast kan de juf of meester dan ook al wat meer vertellen over hoe je kind het in de groep doet. Sommige scholen doen daarom na een paar weken speciale kennismakingsgesprekken.
TIP: komt je kind in de eerste schoolweek thuis met verhalen over dingen die hij/zij niet fijn vindt? Dat is heel normaal. Neem je kind wel serieus, luister (relativeer waar nodig) en schrijf deze dingen op zodat je ze later kunt bespreken. Echter ook jouw kind heeft tijd nodig om te wennen, dus wellicht is hij/zij na 2-3 weken hieraan gewend en is het helemaal niet meer aan de orde.
Meestal maakt de leerkracht na enkele weken een plan van aanpak of een groepsplan waarin staat welke kinderen extra instructie of juist extra uitdaging krijgen. Meestal worden hier de adviezen van de vorige leerkracht en de LVS/CITO toetsresultaten van het vorige leerjaar in meegenomen. Halverwege het schooljaar worden deze plannen weer geëvalueerd en bijgesteld. Kinderen die moeite hebben met de leerstof krijgen na de klassikale uitleg nog een verlengde instructie in een klein groepje bij de leerkracht. De meeste lesmethodes voor bijvoorbeeld taal of rekenen werken met opdrachten die op 3 niveaus aangepast zijn.
Aangepaste niveaus
Niveau 1* (eenvoudige, korte opdrachten voor kinderen die moeite hebben met de lesstof).
Niveau 2** (de basisstof die alle kinderen aangeboden krijgen).
Niveau 3*** (extra uitdagende lesstof).
Dit is een mooie manier van adaptief onderwijs waarbij kinderen een passend lesaanbod krijgen. Echter soms stellen kinderen zichzelf het doel dat ze ook de 3*** opdrachten willen maken, terwijl dit echt niet voor ieder kind geschikt is, maar ook zeker niet het doel is. Vaak merk ik als juf dat in de midden- en bovenbouw kinderen aan de start van het jaar hopen een ster-niveau hoger te kunnen starten. Echter de ‘gemiddelde’ leerling zal vaak in hetzelfde ** niveau verder gaan als vorig jaar (en dat is prima). Dus mocht je kind teleurgesteld thuis komen, leg dan uit dat ieder niveau voor iemand anders geschikt is en dat het prima is als je 1* opdrachten maakt. De juf of meester kijkt vooral hoe de opdrachten gemaakt worden en daarbij is het prettig als de opdracht past bij het niveau of werktempo van het kind.
TIP: Maak je niet druk als je kind vorig jaar in 2** niveau zat en nu ’terug’ gaat naar 1*, soms deelt de leerkracht kinderen aan het begin van het jaar nog wat ‘voorzichtig’ in zodat je de kinderen nog wat vaker ziet en volgt bij de extra instructie. Als blijkt dat het niet meer nodig is worden kinderen weer aan de 2** opdrachten gezet. Liever eerst wat extra hulp, dan later zien dat bepaalde basisstof gemist is.
Pre-teachen
Soms kan het kinderen extra zelfvertrouwen geven als ze al een beetje bekend zijn met wat er komt. Voor vakken zoals begrijpend lezen of taal kan het daarom zinvol zijn om de lessen te ‘pre-teachen’. Je leest vooraf thuis samen de teksten door. Het maken van de opdrachten, de uitleg en het het nogmaals lezen gebeurt op school. Hierdoor is je kind al een beetje bekend met de tekst en wordt de verwerking van de opdrachten eenvoudiger en geeft het je kind zelfvertrouwen. Soms verzorgt een onderwijsassistent extra pre-teach momenten in een klas, dit verschilt per school.
TIP: Overleg wel met de leerkracht welk vak zinvol kan zijn om te pre-teachen. Probeer dit voor een korte periode uit en bespreek of dit prettig is voor je kind.
Een spannende start
Bijna alle kinderen vinden de start van het nieuwe jaar spannend. Ieder leerjaar heeft wel iets wat voor kinderen extra spanning meebrengt. Een nieuwe meester, nieuwe vakken zoals geschiedenis of aardrijkskunde, een lokaal waarvoor je de trap op moet (dus nu écht bovenbouw zijn!) enzovoorts… Daarnaast zijn er altijd dingen ‘anders’ dan vorig jaar. Iedere leerkracht is een ander persoon en pakt dingen anders aan. Ook kleine routines zoals ‘waar lever je je schrift in?’ of ‘wanneer mag je naar de wc?’ zijn anders. Veel kinderen zijn hier bewust en onbewust mee bezig. Dingen die in onze volwassen ogen soms heel klein lijken, kunnen voor een kind groots zijn.
Verwerken van veranderingen
Vooral in de eerste schoolweken moet je kind weer wennen en is extra slaap heel belangrijk. Die ouderwetse uitspraak van ‘rust, reinheid en regelmaat’ geldt dus zeker voor deze tijd! Plan de weekenden en avonden niet te vol met allerlei uitjes of sportactiviteiten. Juist nu is soms even ‘niets doen’ nodig om alle dingen te verwerken. Misschien weet je nog uit de peuterfase dat je je kind over de babyfoon allerlei dingen van de dag hoorde herhalen voor het slapen gaan. Ook in de basisschoolleeftijd hebben de hersenen van je kind verwerking van de indrukken nodig.
Het verloop van het schooljaar
Als er vorig jaar twijfel was over doubleren, vraag je je wellicht af of je kind in deze groep wel mee kan komen. Dit soort vragen zijn in de eerste schoolweken nog niet goed te beantwoorden. In de loop van het jaar kan de leerkracht hier meer over zeggen. Tijdens rapportgesprekken en meestal pas bij het tweede rapport is de ontwikkeling van je kind beter in beeld. De leerontwikkeling verloopt flexibel soms kan juist een andere aanpak en een goede klik met een nieuwe leerkracht ervoor zorgen dat je kind een sprongetje maakt en zijn achterstand inloopt. Bij sommige kinderen ‘valt het kwartje wat later’ en kunnen gedurende het schooljaar gewoon weer goed meekomen met de groep.
Merk je gedurende het schooljaar dat je kind veel moeite heeft in de groep en bijvoorbeeld snel geprikkeld of emotioneel is? Bespreek dit dan met de leerkracht. Wellicht is er sprake van overvraging en kan er mogelijk wat in de lesstof aangepast worden. Of wellicht wordt duidelijk dat je kind zich zorgen maakt omdat hij vorig jaar ‘bijna’ is blijven zitten. Bespreken is hoe dan ook altijd de eerste stap voor een oplossing.
Dit blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht en Intern begeleider bovenbouw van het basisonderwijs.
Tip 1: geef uitleg over dyslexie
Eén van de onderdelen van een dyslexietraining die kinderen na een diagnose krijgen is psycho-educatie. Dit betekent dat er uitleg gegeven wordt over wat dyslexie is. Waarschijnlijk weet je kind al wel dat het een leesprobleem is. Moeilijke dingen bespreken gaat vaak beter als je dit spelenderwijs doet, door er bijvoorbeeld samen over te lezen. Leuke en leerzame boeken (ook voor jou als ouder) over dyslexie zijn:
- Ik heb dyslexie, nou en!, Ilonka De Groot. In dit prentenboek vertellen vijftien kinderen wat dyslexie voor hen betekent. Op de rechterbladzijde staat telkens een verhaaltje met een tekening, op de linkerbladzijde een tip voor ouders en leerkrachten.
- Nu weet ik eindelijk wat dyslexie is, Chantal Engbers. Het boekje is tweeledig opgesteld: een linkerpagina voor de ouders met informatie over de hersenwerking bij dyslexie, en een rechterpagina met een tekening en een eenvoudigere tekst voor de kinderen.
- De dyslexie survivalgids, Annemie De Bondt, Nico de Braeckeleer. Deze survivalgids staat boordevol met informatie over hoe dyslectische kinderen zichzelf kunnen helpen. Oefeningen, softwarepakketten, nuttige websites, quizzen, mopjes, bekende personen met dyslexie, illustratieve tekeningen en verhalen van lotgenoten.
Tip 2: breng de kwaliteiten van je kind in beeld
Onze hele maatschappij, op het internet, de televisie en op school draait het grotendeels om geschreven taal. En dat is voor veel dyslectische kinderen dus vaak een confrontatie met de moeilijkheden die ze daarmee hebben. Besteed extra aandacht aan de dingen waar je kind wél goed in is en bespreek dat er veel meer kwaliteiten zijn dan alleen goed kunnen lezen. Bijvoorbeeld creatief zijn, goed kunnen presenteren, mondeling jezelf goed verwoorden etc. Geef gerichte en gemeende complimenten over de dingen waar jouw kind in uitblinkt. Dus niet alleen ‘goed gedaan’, maar ‘jij kunt hele originele knutselideeën bedenken!’ Doordat jij met die positieve bril naar je kind kijkt, breng je de kwaliteiten in beeld en vergroot je de eigenwaarde van je kind.
Tip 3: laat je kind zelf meedenken in wat ‘helpt’
Omdat je kind vaak al wat ouder is wanneer de diagnose dyslexie gesteld is, geeft dit ook kansen om kinderen zelf mee te laten denken in wat helpt. Geef je kind bijvoorbeeld zelf ook instemming voor het oefenen, laat je kind meedenken welk moment van de dag hiervoor het fijnste is en wanneer er even niet geoefend hoeft te worden. Maak zo samen een plan, en noteer dit bijvoorbeeld in een schema. Dan is het meteen een vaste afspraak en wordt het een routine zonder al te veel weerstand.
Tip 4: zoek met je kind naar bekende dyslecten
Kinderen met dyslexie kunnen soms het gevoel hebben dat ze ‘anders’ of ‘dom’ zijn, en daardoor minder kunnen bereiken dan hun klasgenootjes. Zeker vanaf groep 5 gaan kinderen hun prestaties meer vergelijken met andere kinderen. Kijk dan eens samen naar lijstjes van beroemde mensen met dyslexie op internet. Bijvoorbeeld Leonardo DaVinci, Albert Einstein, Steven Spielberg en Robbie Williams. Allemaal beroemdheden die heel veel bereikt hebben met hun talent!
Tip 5: zorg voor een goede afstemming met de leerkracht
Als je kind naar de volgende groep gaat, is er meestal een overdracht geweest van de ene naar de andere leerkracht. Hierdoor weet de juf of meester vaak al wel wat de aanpak was in het vorige schooljaar. Toch is het altijd handig om tussentijds wat dingen af te stemmen. Niet alle teksten uit het lesprogramma zijn geschikt voor dyslecten. Zo heb ik weleens ouders gehad van een leerling die meehielpen om teksten om te zetten naar de voorleessoftware. Ook is het handig dat de leerkracht weet waar je kind tijdens de dyslexiebehandeling mee bezig is. Je kunt bijvoorbeeld toestemming geven dat de behandelaar overlegt met de meester of juf om bijvoorbeeld de spellingregels of elkaar af te stemmen.
Tip 6: bekijk met je kind hulpmiddelen voor dyslexie
Dyslexie is niet te genezen, maar er zijn wel heel veel hulpmiddelen op de markt die je kind kunnen helpen. Bekijk ze samen en laat je kind meedenken in wat voor hem/haar kan helpen. In het dyslexie-onderzoeksverslag staan vaak aan het einde diverse tips en hulpmiddelen die geadviseerd worden. Voorbeelden van hulpmiddelen zijn:
- Leeslinialen op kleur
- Vergroot linialen
- Dyslexie lettertype (gratis te downloaden, zoek op: “dyslexiefont” of “dyslexie lettertype”)
- Dyslexie voorleespen of Daisyspeler
Tip 7: lees en oefen spelenderwijs
Waarschijnlijk krijgt je kind vanuit de dyslexietraining huiswerk voor begrijpend lezen of spelling. Soms kan het prettig zijn om het ’teksten lezen’ eens af te wisselen met leesspelletjes. Gekke stemmetjes lezen, om de beurt lezen, zingend lezen of kies eens een ander genre zoals een moppenboek.
Tip 8: stem de dyslexiebegeleiding af met school en thuis
Op sommige scholen bestaat de mogelijkheid om de dyslexiebegeleiding op school te laten plaatsvinden. Hierdoor hoeft je kind niet op een vrije middag óók nog naar dyslexietraining. Zorg dus voor een goede afstemming tussen school en thuis. Ook zie ik dat leerkrachten kinderen met dyslexie soms veel extra leeswerk meegeven. Natuurlijk is oefenen goed, maar blijf waakzaam dat je kind niet overvraagd wordt. Soms wordt er dan gekozen om luisterboeken in te zetten voor een ontspannen leesmomentje en leesplezier.
Tip 9: Lees samen boeken over dyslexie
Er zijn diverse leuke kinderboeken rond het thema dyslexie. Hierdoor herkennen kinderen zichzelf in een boek. Bijvoorbeeld:
- Henk en de dansende letters, Henk Linskens. Wanneer Henk probeert te lezen ziet hij “dansende letters”, waardoor hij achterblijft op school. Hij trekt zich dan maar terug in de zaken waar hij wel goed in is: tekenen, knutselen en dagdromen. In een van die dagdromen ontmoet hij Pablo Picasso, die zelf ook aan dyslexie lijdt en Henk van een inspirerend advies voorziet.
- Een genie met dyslexie, Anja Cocquyt. Rika heeft een geheim: ze heeft dyslexie. Wanneer Tim dit te weten komt, probeert hij haar te helpen. Maar dit gaat helaas niet zo vlot als hij had gehoopt. In dit boek komen verschillende dyslectische genieën ter sprake, wat illustreert dat dit geen levenslange beperking hoeft te zijn.
- Dwarrelletters, Simone Foekens. Wanneer Maartje probeert te lezen, beginnen de letters voor haar ogen te dwarrelen en van plaats te veranderen. Dit maakt haar onzeker over haarzelf omdat ze nooit zeker is over wat ze leest.
- Een kroon voor een kanjer, Liesbeth Tilanus & Monique van der Zanden. Raf wordt op school gepest met zijn dyslexie. Wanneer zijn klas op een onbewoond eiland terechtkomt, ontpopt hij zich tot de held van het verhaal. Een verhaal dat dyslectische kinderen meer zelfvertrouwen geeft.
- Ik ben niet bom! Marion van de Coolwijk. Sander heeft een probleem met lezen, waardoor hij wordt gepest op school. Wanneer hij getuige is van een inbraak op zijn school, gaat hij samen met zijn vrienden op detectivetocht. Door het verhaal kan hij zijn klasgenoten eindelijk duidelijk maken dat hij niet dom is omdat hij een leesachterstand heeft.
Tip 10: Wees alert op automatiseringsproblemen
Veel kinderen met dyslexie hebben ook problemen met automatiseren. Dit zie je bijvoorbeeld terug in het rekenen. Het automatiseren van sommen onder de 20 of het automatiseren van de tafels kan extra lastig zijn. Sommige kinderen mogen daarom na verloopt van tijd gebruik maken van een tafelkaart. Maar ook topografie met moeilijke plaatsnamen en bijbehorende schrijfwijze kan een flink struikelblok zijn. Soms helpt het om met de leerkracht af te spreken dat topografie mondeling getoetst wordt.
Dit blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht en intern begeleider groep 5-8 in het basisonderwijs. Als intern begeleider is ze verantwoordelijk voor het opstellen van dyslexiedossiers voor de aanvraag van EED dyslexieonderzoeken.
De 10 meest voorkomende spellingfouten
De Nederlandse taal kent veel logische en onlogische spellingregels. Sommige regels zijn eenvoudig, maar anderen zorgen voor veel verwarring voor je kind. Vanaf groep 4 wordt er vaak voor het eerst expliciet aandacht besteed aan ‘regels’ hoe je iets schrijft. En leert je kind dat er ook bepaalde ‘weetwoorden’ zijn waarvan je niet kunt horen hoe je ze schrijft. Dit zijn veel voorkomende fouten:
- Weetwoorden met au of ou: dauw of kou.
- Weetwoorden met ei of ij: peilen of pijlen.
- Wanneer schrijf je ch of g: licht of ligt. Voorbeelden zijn:
nieuwschierig in plaats van nieuwsgierig, gragt of gracht, dagt in plaats van dacht. - Woorden met ‘d’ of ’t’ aan het einde: lind of lint
Zodra kinderen de regel van een woord langer maken kennen, zie je in groep 8 nog wel fouten bij moeilijkere varianten zoals: gebaat bij of gebaad bij. Dit heeft ook weer te maken met de regel van ’t Kofschip X voor werkwoordspelling die in de bovenbouw geleerd wordt en vaak erg lastig is. - Woorden met de ‘b’ aan het eind van een woord: krab of krap.
- Werkwoordspelling: wanneer schrijf je word of wordt? Vanaf eind groep 6 maken kinderen pas voor het eerst kennis met de regels van werkwoordspelling en in groep 7 en 8 zit het wekelijks in het lesprogramma.
- Verdubbeling van de medeklinker is één van de meest lastige spellingregels: bijvoorbeeld: klopen in plaats van kloppen. Of een moeilijke variant voor de bovenbouw: trompeteren in plaats van trompetteren.
- De zogenaamde verenkelingsregel of ook wel open lettergreep genoemd is ook heel moeilijk voor kinderen. Dan moet je denken aan woorden zoals reegen in plaats van regen. Of koopen waar kopen moet staan. Hier worden zelfs in groep 8 nog fouten mee gemaakt.
- Leestekens: heel vaak vergeten kinderen op de juiste plaats een komma, vraagteken of uitroepteken te noteren. En vooral de punt aan het einde van de zin wordt regelmatig vergeten. Zelfs in de bovenbouw zijn kinderen hier nog slordig in, wat onnodig foutjes bij een dictee kost!
- Hoofdletters: meestal worden ze aan het begin van de zin wel geschreven, maar de regel voor hoofdletters bij namen, plaatsen, landen en feestdagen die kinderen vanaf de middenbouw leren wordt bij zinnendictees vaak vergeten toe te passen. Een veel voorkomende slordigheidsfout!
Twijfelwoorden
Woorden en regels waar veel kinderen over twijfelen zijn bijvoorbeeld:
- Boederij of boerderij.
- Polisie of politie.
- Jou of jouw in het juiste verband gebruiken.
- Wand of want, welke variant gebruik je wanneer?
- Een twijfel is ook vaak bij woorden waarbij je de ’t’ niet hoort maar wel schrijft: ‘ondekken’ in plaats van ontdekken. Die ’t’ hoor je immers niet.
- Het woord ‘enige’ gaat ook heel vaak mis: enege.
- Werkwoordspelling van het werkwoord ‘vinden’.
Hij vind of hij vint in plaats van: hij vindt.
Overigens wordt in de onderbouw nog geen nadruk gelegd op werkwoordspelling. En zijn dit soort foutjes dan ook nog niet erg. - Vaak fout geschreven woorden zijn: ‘misschien’, ‘wanneer’, ‘sowieso’ en ‘juffrouw’. Veel voorkomende varianten zijn: mischien/meschien, waarneer, zowiezo, jufvrouw.
Manieren om spelling te leren
Spelling wordt als het ware opgebouwd op de basisschool. In de onderbouw begint het eerst nog bij het woord opsplitsen in klanken of klankgroepen en letterlijk op schrijven wat je hoort. Overigens is dit een hele belangrijke voorwaarde om goed te kunnen spellen!
Bij het goed schrijven van woorden zijn er verschillende manieren om te werk te gaan. De manieren die mogelijk zijn om tot de juiste schrijfwijze te komen, noem je spellingstrategieën.
De 5 spellingstrategieën die je kind leert
Deze spellingstrategieën leren kinderen op school (Huizenga, 2016).
De directe spellingstrategie: Het woord is vaak genoeg geschreven en er hoeft niet meer over de regel nagedacht te worden. Dit is als de spelling echt goed beheerst wordt. Dit is dus eigenlijk het eindpunt van spellingonderwijs. En er zijn vijf indirecte spellingstrategieën die kinderen op school leren.
- Klankclusterstrategie: een woord wordt opgedeeld in klankgroepen. Bepaalde klankgroepen worden namelijk altijd met dezelfde lettercombinaties geschreven:
Ooj schrijf je als ooi, uuw wordt uw. Veel voorkomende klankgroepen zijn aai, ooi, oei, uw, eeuw, ieuw, eer, oor, eur, nk. - Woordbeeldstrategie: dit is een visuele strategie; je weet hoe je een bepaald woord schrijft. Bij deze strategie wordt er een beroep gedaan op het woordgeheugen. De koppeling maken naar de betekenis is ook erg belangrijk. Bijvoorbeeld een ‘wand’ (muur) is met een ‘d’, en een ‘want’ als handschoen is met een ’t’.
- Analogiestrategie: dit doe je als je een woord schrijft wat lijkt op een ander woord doordat ze dezelfde klankvorm hebben: schrapen – slapen – apen
Of woorden kunnen schrijven die een overeenkomst hebben in betekenis:
vertrouwelijk – trouwen – trouw - Hulpstrategie: een (zelfbedacht) geheugensteuntje, hulpregel of ezelsbruggetje gebruiken.
- Regelstrategie: bij het schrijven van een woord een spellingregel toepassen. Veel voorkomende spellingregels: verlengingsregel, verenkelingsregel, verdubbelingsregel.
TIP: maak een spiekboekje bij de regel!
Benieuwd welke foutjes jouw kind nog maakt? Doe de spellingtest!
Geraadpleegde bronnen:
Huizenga, 2016, Taal & didactiek – Spelling, Noordhoff uitgevers
Malmberg, 2019, Taal Actief 4 – Malmberg Uitgeverij
Praktijkvoorbeelden uit de klas en van een dyslexiebehandelaar ontvangen.
Dit blog is geschreven door Shelby Vos, intern begeleider en leerkracht in het basisonderwijs.
Taal in groep 8 – de andere mogelijkheden van taal
Taal in groep 8 gaat naast zinsontleding, woordenschat en woordbegrip nu ook om hoe je die taal precies inzet. Je kind leert het verschil tussen formeel en informeel taalgebruik, het verschil tussen iets letterlijk en figuurlijk uitdrukken, en leert nog meer spreekwoorden en gezegden. Vaak leren de kinderen in de klas ook met elkaar discussiëren. Kijk dus niet vreemd op als je kind met argumenten aan komt zetten. Tip: je kind is nu goed in staat zichzelf uit te drukken. Hanteer het taalgebruik dat je ook met volwassenen hanteert. Hier leert je kind extra veel van.
Rekenen in groep 8 – hetzelfde, maar dan moeilijker
Breuken, procenten, verhoudingen, komma-getallen. Je kind kende ze allemaal al van de rekenlessen in groep 7, alleen worden de opgaven steeds iets moeilijker. En tellen tot 1.000.000.000? Moet geen probleem meer zijn. De stof wordt uitgediept en moeilijker gemaakt. Ook gaat het tempo omhoog: je kind krijgt minder tijd om sommen te maken. Echt klaarstomen voor het tempo van de middelbare school.
De hele wereld bij topografie
Zoek je zelf nog maar even op hoe het ook alweer precies zat met die landen in het Midden-Oosten, want je kind weet het binnenkort ook. De hele wereld gaat misschien niet lukken, maar de belangrijkste topografie komt aan de orde. Voor topo oefenen met Squla betekent dat niet alleen de landen aanwijzen op de kaart, maar per goed antwoord krijgt je kind een extra leuk weetje over het land of de stad.
Huiswerk
Je kind is vast al bekend met huiswerk, maar in groep 8 wordt het huiswerk opgeschroefd, om de overgang met de middelbare school te verkleinen. Plan dus tijd in voor je kind om het huiswerk te maken, en voor jezelf om de stof te overhoren. Samen schoolwerk maken werkt stimulerend! Daarnaast is huiswerk maken en plannen hiervan echt nog iets wat je kind op deze leeftijd moet leren, het is dus helemaal niet gek als je kind hier nog jouw hulp bij nodig heeft.
De afscheidsmusical
Zonder afscheidsmusical of iets wat daar op lijkt, mag je kind de school eigenlijk niet verlaten. Al speelt je kind een boom of een koe, het gevoel om samen op dat podium te staan is een kroon op acht jaar schooltijd. Voor de laatste keer samen met de kinderen met wie je kind al die tijd in de klas zat – een mooi ritueel. Neem je zakdoek mee, zelfs de stoerste vader houdt het niet droog. Het is dan toch echt wel een momentje dat je kind de vertrouwde basisschool gaat verlaten.
De doorstroomtoets en het schooladvies
Daar is hij dan: de doorstroomtoets. Zorg ervoor dat je kind niet te veel stress ervaart. Dat zal nooit leiden tot een beter resultaat! Wees er voor je kind, zorg dat hij of zij op tijd naar bed gaat, en begeleid je kind met het schoolwerk. Meer kun je niet doen, behalve oefenen samen met je kind. Richting het einde van groep 8 krijgt je kind het schooladvies van de leerkracht en moet je je kind aanmelden bij de middelbare school.
Groep 8: nog even de oudste, straks weer de jongste
Nu is je kind de oudste van de hele school – dat geeft een goed gevoel! Daarom is het straks extra wennen op die grote, nieuwe, middelbare school. Met al die pubers en rugtassen en verschillende lokalen… Laat je kind dus vooral genieten van dit laatste, bijzondere jaar van de basisschool. Vaak mogen ze klusjes doen voor de school zoals spullen klaar zetten voor een optreden of helpen bij de kleuters. Deze verantwoordelijkheid vinden kinderen in groep 8 vaak erg leuk.
Tip voor ouders van kinderen in groep 8: oefen samen met je kind
Samen oefenen is voor je kind heel waardevol. Dat kan met Squla, maar dat kan ook onder het eten, in de auto, tijdens het ontbijt, wanneer je maar wilt. Komt er een groot getal voorbij? Maak daar een leuke rekensom van. Zie je een moeilijk woord, vraag aan je kind wat het betekent en of hij of zij nog synoniemen kent. Maak cryptogrammen om het taalinzicht van je kind te vergroten – allemaal leuke trucs om de nieuwsgierigheid en hersenen van je kind te prikkelen! En niet te vergeten je éigen kennis en inzicht natuurlijk. Straks als de echte puberteit komt zal je kind zich meer onafhankelijk willen maken en zijn jouw tips ‘onzin’. Nu kun je je kind nog goed helpen bij het plannen en organiseren van dingen, want ondanks dat ze de oudste op school zijn; zijn ze soms ook nog heel klein.
Rekenen in groep 7: het wordt steeds pittiger
Oppervlakte en inhoudsmaten, procenten, breuken, verhoudingen en ingewikkelde staartdelingen: het kan zijn dat je je kind soms niet meer kunt bijhouden! Het niveau gaat omhoog, en de opgaven worden moeilijker. Onderlinge verschillen worden zichtbaar en kinderen worden zich daar ook bewust van. Meestal gaan de kinderen in groep 7 voor het eerst rekenen op een rekenmachine.
Taal in groep 7 – zinsontleding
Ook zinsontleding en grammatica worden uitgebreid. Je kind krijgt moeilijker zinnen om die taalkundig te ontleden en de verschillende delen van de zin te benoemen. Ook wordt de woordenschat van je kind groter en krijgt hij of zij meer woordbegrip. Ze leren synoniemen en meer betekenissen van woorden. Bij spelling komen complexe spellingsregels aan bod zoals woorden met een trema en leenwoorden uit het Frans. Ook zullen er woorden zijn waar meerdere spellingcategorieën in één woord voorkomen. Bovendien wordt er een begin gemaakt met werkwoorden.
De topografie van Europa
Parijs, Boedapest, Rome en Oslo, je kind kan ze aan het eind van groep 7 op de kaart vinden. Voor jou als ouder een uitgelezen moment om je eigen topografie-kennis weer op te halen. Lekker thuis aan de keukentafel oefenen zodat je kind de namen van de landen en de steden goed in zich op kan nemen. Wellicht is je kind ook in sommige van deze landen geweest.
Engels leren
Wellicht heeft je kind door Youtube-filmpjes of op vakantie al een klein woordje Engels geleerd. Misschien heeft je kind op Squla al wel wat Engels geoefend, dat kan namelijk al vanaf groep 1. Sommige scholen beginnen pas in de bovenbouw met Engels, maar steeds meer scholen bieden dit vak al in de onderbouw aan. Tip: populaire liedjes zijn heel vaak in het Engels gezongen. Zoek een makkelijkere en geschikte songtekst uit en ga samen proberen te vertalen wat er staat.
Kennismaken met de toetsvraagstelling in groep 7?
Met Squla kunnen kinderen (al vanaf groep 3) op een leuke manier kennismaken met de vraagstelling van de toetsen (Cito, IEP en Route 8). Spelenderwijs worden ze beter in vakken waar ze nog niet zo goed in zijn en kweken ze meer zelfvertrouwen. De antwoorden op Squla geven altijd extra uitleg, zodat je kind begrijpt waarom een antwoord wel of niet goed is of wat meer over het onderwerp te weten komt. Zo leert je kind spelenderwijs steeds meer over alle schoolvakken.
Pre-advies en voorbereiding op VO scholen
Sommige scholen geven aan het einde van groep 7 een pre-advies over de uitstroom naar het voortgezet onderwijs. Hoewel dit nog niet het uiteindelijke schooladvies is, kan dit wel houvast geven om alvast te gaan oriënteren op het voortgezet onderwijs. Het is helemaal niet gek om al in groep 7 samen met je kind scholen te bekijken, hierdoor hebben jullie ruim de tijd om een goede keuze te maken. Overigens geven niet alle scholen standaard een pre-advies, sommige scholen wachten hier bewust mee tot groep 8 omdat juist in dit laatste jaar kinderen soms een sprong in de ontwikkeling maken.
Verkeersexamen
Op veel scholen wordt in groep 7 het verkeersexamen afgenomen. Er is meestal een landelijke datum in het voorjaar waarop het theorie examen afgenomen wordt. Het praktijkgedeelte plannen scholen zelf in. Op school oefenen ze verkeerssituaties uit boekjes en digibordlessen, maar het is extra leerzaam en betekenisvol voor je kind als jullie bewust de verkeersregels gaan toepassen en benoemen tijdens het fietsen of wandelen. Overigens is voor de zelfstandigheid en voorbereiding op het VO van belang dat je kind zelfstandig en veilig op de fiets dingen gaat ondernemen.
Pre-puber fase en onzekerheid
Kinderen komen in groep 7 al in de pre-puber fase. Sociale interacties en vriendschappen gaan anders lopen en dit brengt ook (puberale) onzekerheden met zich mee. Ook wordt je kind zich bewuster van zijn/haar prestaties. Kinderen die straks uitstromen naar het Gymnasium en kinderen die uitstromen naar het VMBO of praktijkonderwijs zitten op de basisschool allemaal in dezelfde klas. Dit maakt dat kinderen onderling zich gaan vergelijken en zich daardoor ‘minder’ kunnen voelen als ze ergens moeite mee hebben.
Heb je het gevoel dat je kind ‘op zijn tenen loopt’, bespreek dit dan met de leerkracht. Vaak wordt in de bovenbouw lesstof aangepast voor kinderen op hun uitstroomniveau als het echt te moeilijk wordt. Bijvoorbeeld: voor een uitstroom naar het VMBO hoeven kinderen niet ALLE doelen van groep 8 te beheersen, maar is een beheersingsniveau van Eind groep 6 niveau voldoende om in te stromen op het VMBO. Dit maakt dat de leerkracht aanpassingen kan doen zoals een eigen leerlijn.
Wat is adaptief leren?
Adaptief komt van het woord adaptatie dat ‘passend’ betekent. Adaptief onderwijs is een vorm waarbij de lesstof passend is bij het niveau van het kind en is vanaf 1994 bekend geraakt in Nederland door het werk van professor Luc Stevens. Vroeger was het onderwijs er op gericht dat alle kinderen dezelfde dingen moesten kunnen. Tegenwoordig is het onderwijs meer gericht op een passende behoefte van ieder kind. Onderstaande quote inspireerde mij als leerkracht om kinderen passend onderwijs te geven.
Relatie, competentie en autonomie
Adaptief onderwijs gaat uit van de drie basisbehoeften van kinderen: relatie, competentie en autonomie (Stevens, 2004).
• Een relatie met klasgenootjes of de leerkracht, het kind voelt zich geaccepteerd en voelt dat hij/zij er mag zijn.
• Leren wordt leuker voor een leerling als deze invloed heeft op wat er wordt geleerd en hoe er wordt geleerd, waardoor hij/zij zich competent voelt. Kinderen willen graag laten zien wat ze kunnen. Dat kan het beste als het onderwijs op het niveau is van het kind.
• Autonomie verwijst naar het gevoel van onafhankelijk en zelfstandig zijn. Kinderen willen het gevoel hebben dat ze de dingen zélf kunnen. Zelf kunnen beslissen en zelf keuzes maken. Wanneer een leerling betrokken wordt bij het belang van wat hij leert wordt hij/zij zelfstandiger; autonoom.
Waarom adaptief leren?
Ieder kind leert en ontwikkelt zich op zijn eigen tempo en manier. Al vanaf baby af aan zie je grote verschillen in de ontwikkeling. Het ene kind loopt al voor het eerste jaar en het andere als hij bijna 2 wordt. Terwijl dit niets zegt over welke baby later de ‘snelste’ hardloper zal worden. En dan willen we zodra ze naar school gaan wél dat alle kinderen hetzelfde beheersen op hetzelfde moment? Gelukkig zie je in onderwijsland steeds meer dat de lesstof wordt opgedeeld in niveaus en ook leerkrachten geven steeds meer op verschillende niveaus les.
Adaptief onderwijs in de klas
In de nieuwe lesmethodes is steeds meer rekening gehouden met de verschillen tussen kinderen. Je ziet vaak dat methodes een les opdelen in 3 niveaus, vaak met sterretjes.
* Is een simpelere opdracht die bijvoorbeeld met een extra instructie van de leerkracht gegeven wordt.
** Is het basisniveau: dat waar de leerkracht naar streeft dat alle kinderen kunnen en die in een groepsinstructie uitgelegd wordt aan de hele klas.
*** Is een moeilijkere opdracht, op een uitdagender niveau voor snelle kinderen of kinderen die de stof al beheersen. Meestal maken alle kinderen de ** opdracht. Degenen die moeite hebben met de leerstof maken de * opdracht en de snelle leerlingen de ***.
Er zijn ook lesmethodes die eerst starten met een ‘eerst proberen’ opdracht. Bijvoorbeeld bij spelling met een klein ‘instapdictee’. Kinderen die 0 of maar 1 foutje hebben mogen direct aan de ** en *** opdracht beginnen en de eerste opdracht overslaan. Kinderen die meer foutjes hebben in het dictee krijgen een extra uitleg van de leerkracht en maken de * en de ** opdracht. Hierbij is er veel aandacht voor samenwerken en afwisseling. Vooral bij taal, rekenen en spelling zijn de lesboeken op deze manier uitgewerkt.
Succeservaring
Als leerkracht van groep 7 had ik vaak kinderen in de klas die zich heel bewust waren dat ze ergens niet goed in waren. Vooral in de bovenbouw krijgen kinderen steeds meer het besef dat ze ergens minder goed in zijn dan hun leeftijdsgenootjes. Het niet begrijpen van de opdracht of een te snel tempo maakt dan extra onzeker. Juist voor deze kinderen is het fijn als ze succeservaring opdoen door eerst een stapje terug te doen in de lesstof. Daarnaast heb je voor sommige vakken eerst beheersing van de basiskennis nodig om verder te komen bij moeilijkere varianten zoals bijvoorbeeld bij rekenen.
Rekenen is een toren
Met name voor het vak rekenen is een adaptief aanbod belangrijk. Bij rekenen moet je namelijk de basiskennis beheersen om het volgende stapje te kunnen begrijpen. Het is als het ware een toren. Als de onderste bouwstenen zoals ‘optellen en aftrekken tot 20’ niet beheerst worden, kan de rest van de toren ook niet blijven staan. Sommen zoals 235+684 kun je niet maken als je 5+4 niet begrijpt. Het automatiseren (snel kunnen maken) van dit soort sommen biedt een belangrijke basis om daarna de leerstof van hogere groepen te begrijpen. Daarom is het van belang om bij rekenen terug te gaan naar het niveau waarop het kind vast loopt. En aan het begrip van een stapje terug te werken voordat je verder gaat.
Digitaal adaptief onderwijs
Steeds meer scholen werken met digitale middelen zoals laptops of tablets. Voor deze verwerking zijn ook diverse lesprogramma’s die adaptief werken. Op basis van verzamelde data wordt het leermateriaal realtime aangepast aan wat op dat moment het beste bij het niveau van het kind past. Het aanbod past zich aan in moeilijkheidsgraad, de leerstijl en de voorkeur (verschillende oefeningen) van het kind. Hoe meer data er bekend is over het leergedrag van leerlingen, hoe beter de les aansluit.
Bijvoorbeeld: Bij een fout antwoord, wordt de volgende opgave eenvoudiger of met een extra stukje uitleg. En als een leerling een som goed maakt krijgt hij/zij juist moeilijkere opdrachten. Zo is de leerstof nooit te moeilijk, maar ook niet te makkelijk. En is er balans tussen uitdaging en succeservaring. Wist je dat de online quizzen van Squla ook adaptief zijn? De adaptieve quizzen van Squla passen zich vanzelf in moeilijkheidsgraad aan.
Dit artikel is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht en Intern begeleider in het basisonderwijs.