- VakkenKies je groepKies je groep
-
Rekenen
-
Taal
-
Begrijpend lezen
-
Engels
-
Toetsen
-
Vreemde talen
-
De wereld
-
Verkeer
-
Tekenen
-
Adaptief rekenen
-
Rekenen
-
Taal
-
Spelling
-
Begrijpend lezen
-
Engels
-
Aardrijkskunde
-
Topografie
-
Geschiedenis
-
Natuur en techniek
-
Toetsen
-
Vreemde talen
-
Muziek
-
Verkeer
-
Tekenen
-
Adaptief rekenen
-
- Groepen
- Toetsen
- Leerkracht
Verleden tijd
De verleden tijd is één van de twee hoofdvormen van werkwoorden. Als een werkwoord in de verleden tijd staat, betekent het dat iets al voorbij is. De zin ‘Piet ging vorig jaar op vakantie naar Spanje’ staat in de verleden tijd. Met deze zin wordt verwezen naar de Piet’s vakantie van vorig jaar. Dit heeft in het verleden plaatsgevonden. Omdat niet alle kinderen even goed uit de voeten kunnen met de verleden tijd, lees je er op deze pagina alles over. Er wordt aandacht besteed aan de verleden tijd van zowel zwakke als sterke werkwoorden en de voltooid verleden tijd en onvoltooid verleden tijd.
Wat is verleden tijd?
De verleden tijd zegt: dit gebeurde eerder (gisteren, vorige week, vorig jaar).
Tegenwoordige tijd (tt): nu
“Ik steel een koekje.”
Verleden tijd / onvoltooid verleden tijd (ovt): toen
“Ik stal een koekje.”
Tip voor thuis: laat je kind bij elke zin een tijdwoordje toevoegen (gisteren/vandaag). Dan “hoor” je vaak vanzelf welke tijd klopt.
Verleden tijd zwakke werkwoorden
Bij werkwoorden wordt onderscheid gemaakt tussen zwakke en sterke werkwoorden. Zwakke werkwoorden zijn werkwoorden die niet van klank veranderen als je ze in een andere tijd zet. In het geval van zwakke werkwoorden – ook wel regelmatige werkwoorden genoemd – wordt de verleden tijd vaak gevormd door -de(n) of -te(n) achter de stam te plakken. Om te bepalen of je kind -de(n) of -te(n) achter het woord plakt, maakt hij gebruik van ‘t ex-kofschip. Dit ezelsbruggetje kan alleen gebruikt worden bij zwakke werkwoorden.
Zo pak je het aan in 3 stappen
- Haal -en van het hele werkwoord af → je hebt de stam
- Kijk naar de laatste letter van de stam
- Gebruik ’t ex-kofschip om te kiezen: -te(n) of -de(n)
Voorbeeld: zagen
Voorbeeld (zwak werkwoord): “zagen” – Haal -en van het hele werkwoord af; de stam is “zag”. De laatste letter g zit niet in ‘t ex-kofschip, dus schrijven we “-de” achter de stam. Zo krijg je “zaagde” (en meervoud zaagden). We schrijven dus “ik zaagde” en niet “ik zaagte”. uitkomst.
’t ex-kofschip-check
Hoe gebruik je ’t ex-kofschip? Als volgt bepaal je of je -te(n) of -de(n) moet schrijven in de verleden tijd:
Neem het hele werkwoord en haal -en eraf. Wat overblijft is de stam.
Kijk naar de laatste letter van die stam.
Staat de laatste letter van de stam in t, x, k, f, s, ch, of p?
Dan krijg je -te(n).
Staat ‘ie er niet in?
Dan krijg je -de(n).
Een ander voorbeeld: “reizen”. Als je -en eraf haalt, houd je “reiz” over. De z van “reiz” komt niet voor in ’t ex-kofschip, dus schrijven we reisde: “Hij reisde naar Spanje.”
Mini-check (herkenbaar):
- “Ik appte mama.” (stam: app → p zit in ’t ex-kofschip → -te)
- “Ik belde opa.” (stam: bel → l zit niet in ’t ex-kofschip → -de)
Verleden tijd sterke werkwoorden
Naast zwakke werkwoorden kennen we ook sterke werkwoorden. Waar de klank van regelmatige werkwoorden niet verandert als je het woord in een andere tijd zet, is dit met sterke werkwoorden wel het geval. Bij deze werkwoorden – ook wel onregelmatige werkwoorden genoemd – verandert de klinker als je het woord in de verleden tijd zet. Bovendien eindigt het voltooid deelwoord van een sterk werkwoord vaak op -en. Hierdoor heb je ‘t ex-kofschip hier niet nodig. Dit ezelsbruggetje is ook niet geschikt om te gebruiken bij sterke werkwoorden.
Voorbeeld: stelen
Voorbeeld: verleden tijd stelen
tegenwoordige tijd: ik steel
verleden tijd: ik stal
meervoud: wij stalen
voltooid deelwoord: gestolen
Handig om te onthouden: bij sterke werkwoorden moet je de verleden tijd vaak leren/onthouden, net als tafels.
Zwak vs sterk in één oogopslag
| Soort werkwoord | Wat gebeurt er? | Hoe maak je de verleden tijd? | Voorbeeld (tt → vt) |
| Zwak (regelmatig) | Klank blijft hetzelfde | stam + -de(n) of -te(n) (met ’t ex-kofschip) | kofschip) speel → speelde |
| Sterk (onregelmatig) | Klank verandert | vaak uit het hoofd / opzoeken | steel → stal |
Voltooid verleden tijd (vvt)
Op de basisschool leert je kind niet alleen over de verleden tijd, maar ook over de voltooid verleden tijd. Dit is een vorm van verleden tijd die aangeeft dat een handeling voltooid was op een bepaald moment in het verleden. Je herkent de voltooid verleden tijd aan een vorm van het hulpwerkwoord hebben of zijn in de verleden tijd, gecombineerd met een voltooid deelwoord.
De voltooid verleden tijd wordt gevormd met: onderwerp + had/was + voltooid deelwoord. Enkele voorbeelden zijn: “Ik had gelopen” of “Jij was vergeten je boek mee te nemen.” In deze zinnen is de handeling al afgerond op het moment waarover je spreekt. Met “Ik had gelopen” geef je bijvoorbeeld aan dat het lopen al klaar was voordat er iets anders gebeurde (het is verleden verleden tijd).
Opbouw (handig rijtje):
- onderwerp + had/was + voltooid deelwoord
Voorbeelden:
- “Ik had mijn tas ingepakt.”
- “Wij waren bijna vergeten waar we moesten zijn.”
Wanneer hoor je dit veel?
Bij verhalen: “Toen we aankwamen, had ik het al gezien…”
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Naast de voltooid verleden tijd is er ook de onvoltooid verleden tijd. Dit is eigenlijk de gewone verleden tijd die je gebruikt om te vertellen wat er in het verleden gebeurde, zonder nadruk erop of het afgerond is of niet. We noemen deze tijd “onvoltooid” omdat het niet benadrukt wordt dat de handeling al helemaal afgerond was op dat moment. In feite bedoelen we met “de verleden tijd” meestal deze vorm.
Voorbeelden van de onvoltooid verleden tijd zijn “ik las”, “hij werkte”, “wij speelden”. Je gebruikt de onvoltooid verleden tijd om aan te geven wanneer iets gebeurde in het verleden: gisteren, vorige week, een jaar geleden, etc. Als iemand vraagt “Wat deed je op school vandaag?” en je antwoordt “Ik tekende een mooie bloem”, dan gebruik je de onvoltooid verleden tijd (deed, tekende) om te vertellen wat er gebeurd is.
Voorbeelden:
- “Ik las een boek.”
- “Wij speelden tikkertje.”
- “Jij fietste naar school.”
Snelle herkenning: ovt is vaak één werkwoordsvorm in het verleden (las, werkte, speelde).
Engelse werkwoorden in de verleden tijd
Er worden veel werkwoorden geleend uit het Engels. Werkwoorden als appen, streamen, mixen, gamen lijken Engels, maar in het Nederlands vervoegen we ze meestal gewoon als zwakke werkwoorden.
Voorbeelden:
- streamen → streamde
- mixen → mixte
- faxen → faxte
Mini-tip: kijk naar de laatste letter van de stam en gebruik weer ’t ex-kofschip.
Verleden tijd op de basisschool
Vanaf groep 5 gaat je kind aan de slag met werkwoordspelling. Voordat hier een begin mee gemaakt wordt, leert hij eerst de verschillende tijden. Hierdoor komt je kind in groep 5 voor het eerst in aanraking met de verleden tijd. Ook in de groepen 6, 7 en 8 wordt hier nog volop aandacht aan besteed. Werkwoordspelling is ook in de hogere groepen een belangrijk onderdeel van de taal– en spellingslessen.
Verleden tijd van zwakke en sterke werkwoorden in groep 5 en 6
De basis van de verleden tijd leert je kind tijdens de spellinglessen in groep 5. Voordat je kind hiermee aan de slag gaat, legt de leerkracht uit wat de verleden tijd is en waarin deze tijd verschilt van de tegenwoordige tijd. Zodra je kind dit eenmaal weet, gaat hij zelf oefenen met de verleden tijd. Omdat je kind pas net kennisgemaakt heeft met de verleden tijd, begint hij met simpele woorden. Zo leert hij bijvoorbeeld wat de verleden tijd is van werkwoorden als kussen en verhuizen.
In groep 6 weet je kind wat de verleden tijd is, waardoor het hem een stukje moeilijker gemaakt wordt. Naast de verleden tijd van zwakke werkwoorden, krijgt je kind in deze groep ook te maken met de verleden tijd van sterke werkwoorden. Doordat laatstgenoemde werkwoorden van klank veranderen als je ze in een andere tijd zet, is het vervoegen van sterke werkwoorden moeilijker dan het vervoegen van zwakke werkwoorden.
De verleden tijd van moeilijkere werkwoorden in groep 7 en 8
In groep 7 en 8 wordt er van je kind verwacht dat de verleden tijd voor hem geen geheimen meer kent. Om ervoor te zorgen dat je kind uitgedaagd blijft worden, gaat het niveau in deze groepen nog verder omhoog. Zo worden de werkwoorden bij spelling in groep 7 weer een stukje moeilijker. In groep 8 wordt het allemaal nog moeilijker gemaakt. Bovendien wordt in deze groep alles herhaald wat je kind in de voorgaande groepen over de verleden tijd geleerd heeft. De herhaling blijft niet beperkt tot de verleden tijd, want er wordt bij spelling in groep 8 ook nog steeds aandacht besteed aan de tegenwoordige tijd en gebiedende wijs.
Oefenen met de verleden tijd
Merk je dat je kind de verleden tijd van sommige werkwoorden nog lastig vindt? Extra oefenen kan geen kwaad, maar het liefst op een leuke manier! Op Squla kan je kind spelenderwijs oefenen met zowel de tegenwoordige als de verleden tijd. Er zijn bijvoorbeeld quizzen en spelletjes waarbij je de juiste vorm in de verleden tijd moet kiezen, of waar je de tegenwoordige tijd bij een gegeven verleden tijd moet zoeken. Er zijn zelfs kruiswoordpuzzels helemaal in het thema van de verleden tijd. Zo wordt het leren en oefenen van de werkwoordsvormen een stuk leuker en blijft het beter hangen dan alleen regeltjes opdreunen. Met genoeg oefening krijgt je kind de verleden tijd (én andere tijden) vanzelf onder de knie!