- VakkenKies je groepKies je groep
-
Rekenen
-
Taal
-
Begrijpend lezen
-
Engels
-
Toetsen
-
Vreemde talen
-
De wereld
-
Verkeer
-
Tekenen
-
Adaptief rekenen
-
Rekenen
-
Taal
-
Spelling
-
Begrijpend lezen
-
Engels
-
Aardrijkskunde
-
Topografie
-
Geschiedenis
-
Natuur en techniek
-
Toetsen
-
Vreemde talen
-
Muziek
-
Verkeer
-
Tekenen
-
Adaptief rekenen
-
- Groepen
- Toetsen
- Leerkracht
Zinsontleding oefenen
Tijdens de taallessen op de basisschool leert je kind hoe zinnen zijn opgebouwd. Dat noemen we zinsontleding. Door zinnen te ontleden, ontdekt je kind welke rol elk woord of zinsdeel heeft. Zo wordt het makkelijker om zinnen beter te begrijpen én zelf duidelijker te schrijven.
Vindt je kind zinsontleding soms nog lastig? Dat is heel normaal. Veel kinderen moeten even oefenen voordat ze snel herkennen wat bijvoorbeeld het onderwerp of de persoonsvorm is. Met de juiste uitleg en wat extra oefening wordt je kind hier vanzelf steeds beter in.
Op deze pagina leggen we stap voor stap uit wat zinsontleding is en hoe je een zin kunt ontleden. Je leest welke zinsdelen je kind op de basisschool leert herkennen en hoe je die kunt vinden in een zin. Daarnaast vind je voorbeelden, uitleg per onderdeel en tips om thuis samen te oefenen.
Het ontleden van zinnen
Bij zinsontleding wordt een zin als het ware in stukjes verdeeld. Elk stukje van de zin noemen we een zinsdeel. Door een zin op te splitsen in zinsdelen kan je kind beter zien hoe een zin in elkaar zit.
In het begin leren kinderen vaak eerst taalkundig ontleden. Daarbij wordt niet gekeken naar zinsdelen, maar naar woordsoorten. Elk woord krijgt dan een eigen naam, zoals een zelfstandig naamwoord, werkwoord of bijvoeglijk naamwoord.
Redekundig ontleden
Bij redekundig ontleden leert je kind verschillende zinsdelen herkennen. Door stap voor stap te werken, wordt duidelijk wat de functie van elk deel van de zin is. Hieronder lees je welke zinsdelen op de basisschool het vaakst voorkomen.
Persoonsvorm
De persoonsvorm is altijd een werkwoord en is een belangrijk startpunt bij zinsontleding. In de meeste zinnen staat er maar één persoonsvorm. Alleen in samengestelde zinnen kunnen er twee voorkomen.
Het is belangrijk dat je kind eerst de persoonsvorm vindt, omdat de andere zinsdelen daar vaak van afhangen.
Je kunt de persoonsvorm op verschillende manieren herkennen:
- Maak de zin vragend: de persoonsvorm komt dan vaak vooraan.
- Zet de zin in een andere tijd: de persoonsvorm verandert mee.
- Maak van enkelvoud meervoud of andersom.
Voorbeelden:
- Koen likt aan een ijsje. → Likt koen aan een ijsje? (vragend)
- Jaimy fietst naar huis. → Jaimy fietste naar huis. (andere tijd)
- Ik wandel met de hond. → Ik en mijn moeder wandelen met de hond. (enkelvoud naar meervoud)
Gezegde
Het gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin. Het geeft aan wat iemand doet, wat er gebeurt of hoe iets is.
Er zijn twee soorten gezegdes:
Werkwoordelijk gezegde
Dit bestaat alleen uit werkwoorden.
- Kimberly koopt een jurk
- Kjeld heeft een ei gebakken
Naamwoordelijk gezegde
Dit bestaat uit werkwoorden én een zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord.
- Alal is chirurg
- Merel en Stijn lijken verliefd
Onderwerp
Het onderwerp is de persoon of het ding waar de zin over gaat. Het onderwerp hangt altijd samen met de persoonsvorm.
Je kunt het onderwerp vinden door de vraag te stellen:
Wie of wat + persoonsvorm?
Voorbeelden:
- Hanne eet een gehaktbal → wie of wat eet? → Hanne.
- De school stond op de top van de heuvel. → wie of wat stond? → De school.
- De hele groep leeuwen brulde woest. → wie of wat brulde? → De hele groep leeuwen.
Lijdend voorwerp
Het lijdend voorwerp is de persoon of het ding dat de handeling van het werkwoord ondergaat. Dit zinsdeel komt niet in elke zin voor.
Je vindt het lijdend voorwerp door de vraag te stellen:
Wie of wat + gezegde + onderwerp?
Voorbeelden:
- Jansje kocht een nieuwe trui. → wie of wat kocht Jansje? → een nieuwe trui.
- Ik eet een appel. → wie of wat eet ik? → een appel.
- De brandweer bluste het vuur. → wie of wat bluste de brandweer? → het vuur.
Meewerkend voorwerp
Het meewerkend voorwerp geeft aan voor wie of aan wie iets gebeurt. Dit zinsdeel komt niet in iedere zin voor en er staat meestal maar één in een zin.
Je vindt het door de vraag te stellen:
Aan wie / voor wie + gezegde + onderwerp (+ lijdend voorwerp)?
Voorbeelden:
- Fleur gaf haar jas aan haar moeder → aan wie/voor wie gaf Fleur haar jas? → aan haar moeder.
- Deze verrassing is voor haar → aan wie/voor wie is deze verrassing? → voor haar.
- Zij geeft Tim een zoen → aan wie/voor wie geeft zij een zoen? → Tim.
Bijwoordelijke bepaling
Een bijwoordelijke bepaling geeft extra informatie over bijvoorbeeld:
- tijd
- plaats
- reden
- manier
- hoeveelheid
Voorbeelden:
- Ik speel in de speeltuin → waar speel ik? → in de speeltuin.
- Onze buren gaan morgen op vakantie – wanneer gaan onze buren op vakantie? → morgen.
- Marieke gaat met de auto naar het vliegveld – hoe gaat Marieke naar het vliegveld? → met de auto.
Bijvoeglijke bepaling
Een bijvoeglijk naamwoord, vertelt iets extra’s over een zelfstandig naamwoord.
Voorbeelden:
- De jonge hond is weggelopen → ‘hond’ is het zelfstandig naamwoord en ‘jonge’ zegt hier iets over.
- Ik heb mijn fiets daar geparkeerd → ‘fiets’ is het zelfstandig naamwoord en ‘mijn’ zegt hier iets over.
- Haar moeder heeft nieuwe kleren gekocht → ‘moeder’ is het zelfstandig naamwoord en ‘haar’ zegt hier iets over.
De woorden jonge, mijn en nieuwe geven extra informatie over het zelfstandig naamwoord.
Voorzetselvoorwerp
Een voorzetselvoorwerp begint met een voorzetsel dat bij een werkwoord hoort. Het voorzetsel en het werkwoord vormen samen een vaste combinatie.
Voorbeelden:
- Ik wacht al lange tijd op de trein. → ‘op’ verbindt ‘wachten’ met ‘de trein’.
- Ze kijkt uit naar haar vakantie. → ‘naar’ verbindt ‘kijkt uit’ met ‘haar vakantie’.
In deze zinnen verbinden de voorzetsels op en naar het werkwoord met het voorwerp.
Bepaling van gesteldheid
Een bepaling van gesteldheid vertelt iets over de toestand van het onderwerp of het lijdend voorwerp tijdens of na de handeling.
Voorbeelden:
- Hij kwam hijgend over de finish. → Bepaling van gesteldheid tijdens de handeling.
- We vonden het eten geweldig smaken! → Bepaling van gesteldheid volgens de handeling.
- Yvon werd tot voorzitter benoemd. → Bepaling van gesteldheid als gevolg van de handeling.
Het schema om zinnen te ontleden
Bij redekundig ontleden ontleedt je kind een zin altijd in een vaste volgorde. Om hem te leren wat de juiste volgorde van ontleden is, laat je hem het onderstaande schema zien en neem je deze met hem door.
|
Zinsdeel |
Zo vind je het |
|
Persoonsvorm |
1. Zin vragend maken → persoonsvorm komt vooraan. 2. Zin in een andere tijd zetten → persoonsvorm verandert mee. 3. Zin omzetten van enkelvoud naar meervoud of andersom → persoonsvorm past zich aan. |
|
Werkwoordelijk gezegde |
Alle werkwoorden in een zin, inclusief de persoonsvorm. |
|
Onderwerp |
Beantwoord de vraag: ‘wie of wat + persoonsvorm?’ |
|
Lijdend voorwerp |
Beantwoord de vraag: ‘wie of wat + gezegde + onderwerp?’ |
|
Meewerkend voorwerp |
Beantwoord de vraag: ‘aan wie/voor wie + gezegde + onderwerp (+ lijdend voorwerp)?’ |
|
Bijwoordelijke bepaling |
Zinsdeel dat iets zegt over een plaats, tijd, reden, hoeveelheid of richting. |
Het ontleden van zinnen in de groepen 5, 6, 7 en 8
Groep 5 is de eerste groep op de basisschool waarin je kind in aanraking komt met zinsontleding. Vervolgens gaat hij tot en met groep 8 aan de slag met het ontleden van zinnen. Benieuwd wat je kind leert over zinnen ontleden? Hieronder lees je wat er per groep behandeld wordt tijdens de taallessen op de basisschool.
De basis voor redekundig ontleden wordt in groep 5 gelegd
Als je kind in groep 5 zit, weet hij hoe hij zinnen taalkundig moet ontleden. Hier wordt in deze jaargang op voortgeborduurd. Er komen nieuwe woordsoorten aan bod, zoals het bijvoeglijk naamwoord. Ook aan de woordsoorten die je kind in groep 4 al leerde, wordt in groep 5 nog veel aandacht besteed. In deze groep blijft zinsontleding overigens niet alleen beperkt tot taalkundig ontleden. Je kind leert tijdens taal in groep 5 namelijk ook de basis van redekundig ontleden. Er wordt namelijk aandacht besteed aan de zinsdelen persoonsvorm en onderwerp. Je kind leert wat de persoonsvorm en het onderwerp zijn en hoe hij deze zinsdelen kan vinden en herkennen.
Kennis over zinsontleding wordt in groep 6 verder uitgebreid
Tijdens de lessen taal in groep 6 wordt zowel aandacht besteed aan taalkundig en redekundig ontleden. Voor wat betreft het taalkundig ontleden van zinnen leert je kind in deze groep nieuwe woordsoorten. Zo komen voorzetsels en telwoorden in groep 6 om de hoek kijken. Bij redekundig ontleden ligt de nadruk vooral op het herhalen van de persoonsvorm en het onderwerp. Er wordt van je kind verwacht dat hij in staat is om deze zinsdelen aan het einde van groep 6 te vinden. Op sommige scholen wordt in groep 6 al aandacht besteed aan het gezegde. Niet gek, want het gezegde staat in verband met de persoonsvorm en het onderwerp.
Zinnen ontleden wordt moeilijker en moeilijker in groep 7
Groep 7 is een jaar waarin je kind veel nieuwe dingen leert. Dit geldt niet alleen voor spelling en rekenen, maar zeker ook voor taal. Zo krijgt je kind in deze groep te maken met een aantal nieuwe woordsoorten. Het gaat in dit geval om de voornaamwoorden. Deze zijn onder te verdelen in het persoonlijk, bezittelijk en aanwijzend voornaamwoord. De kennis die je kind tijdens taal in groep 7 over deze woordsoorten opdoet, helpt hem bij het taalkundig ontleden van zinnen. Daarnaast leert je kind in deze groep een aantal nieuwe zinsdelen. Op sommige scholen wordt er pas vanaf groep 7 aandacht besteed aan het gezegde. Daarnaast leert je kind wat het lijdend voorwerp is en hoe hij deze kan vinden in een zin. Hierdoor is je kind steeds beter in staat om zinnen redekundig te ontleden.
Zinsontleding in groep 8: herhaling en toevoegingen
In groep 8 wordt nagenoeg alle kennis die je kind in de voorgaande groepen leerde over ontleden, herhaald. Denk overigens niet dat het bij herhaling blijft, want dat is niet het geval. Je kind leert in de laatste groep van de basisschool namelijk de nodige nieuwe dingen, ook op het gebied van zinsontleding. Zo krijgt je kind in groep 8 te maken met het meewerkend voorwerp. Daarnaast wordt er tijdens taal in groep 8 aandacht besteed aan de bijwoordelijke bepaling en bijvoeglijke bepaling.
Oefenen met zinnen
Wil jij je kind spelenderwijs laten oefenen met zinnen? Dat kan door hem de quizzen op Squla te laten spelen. De ene keer klikt hij het antwoord op de vraag ‘Welke zin is goed verdeeld in zinsdelen?’ aan, terwijl hij de andere keer met een katapult het juiste bordje omver schiet. Doordat je kind interactief bezig is, blijft leren leuk. Bovendien worden er na het beantwoorden van de vragen leuke feiten en weetjes getoond, waardoor je kind meer leert dan alleen het ontleden van zinnen. Wanneer je kind zo’n 15 minuten per dag oefent, wordt hij langzaam maar zeker steeds beter in zinsontleding.
Werkbladen zinsontleding
Wil je direct beginnen met het oefenen met zinsontleding? Download dan één van de werkbladen hieronder. Deze werkbladen staan stuk voor stuk volledig in het teken van het ontleden van zinnen.