Zelfstandig naamwoord

Ken je dat moment dat je kind thuiskomt met een taalterm waar jij even over moet nadenken? Bijvoorbeeld het zelfstandig naamwoord. Vanaf groep 4 leren kinderen deze term op school, en in de hogere groepen komt het zelfstandig naamwoord regelmatig terug in de taallessen. Het is dus fijn als je kind weet wat een zelfstandig naamwoord is en hoe je het herkent. Geen zorgen: het is eenvoudiger dan het klinkt. Daarom is het fijn als je kind snapt: wat is een zelfstandig naamwoord en vooral: hoe vind je er eentje in een zin? Op deze pagina leggen we het je graag uit, mét herkenbare voorbeelden. Daarna geven we tips om samen met je kind te oefenen en natuurlijk op een manier die leuk is!

Wat is een zelfstandig naamwoord?

Een zelfstandig naamwoord klinkt misschien ingewikkeld, maar je gebruikt elke dag tientallen zelfstandige naamwoorden. Het is simpel gezegd de naam van een zelfstandigheid: daarmee bedoelen we een persoon, dier, ding, eigennaam, plaats, gebeurtenis of een abstract begrip (zoals een gevoel of idee). Met andere woorden, een zelfstandig naamwoord is eigenlijk een verzamelnaam voor alles wat je een naam kunt geven.

Voorbeelden van zelfstandige naamwoorden:

Hieronder zie je per categorie een aantal voorbeelden van zelfstandige naamwoorden:

  • Personen: man, vrouw, opa, oma, vader, moeder. 
  • Dieren: hond, kat, olifant, tijger, leeuw, vis.
  • Dingen: tafel, tas, plank, huis, hut, lepel.
  • Eigennamen: Mo, Janneke, Jeffrey, Noor, Pepsi, Samsung.
  • Gebeurtenissen: feest, valpartij, verjaardag, ontmoeting. 
  • Plaatsen: Amsterdam, Utrecht, park, kantoor.
  • Abstracte zaken: verdriet, woede, hoogte, warmte.

Zoals je ziet kan bijna alles om je heen een zelfstandig naamwoord zijn, van de tafel waar je aan zit tot de droom die je vannacht had. Zelfs namen (eigennamen) en gevoelens vallen onder deze woordsoort.

Tip voor thuis: laat je kind eens rondkijken in de kamer. Wat kan je kind allemaal aanwijzen? Grote kans dat je kind dan vanzelf een hele stapel zelfstandige naamwoorden noemt: bankraamlampdeur

Hoe herken je een zelfstandig naamwoord?

Zelfstandige naamwoorden staan vaak gewoon in zinnen. Soms ziet je kind direct: “Hond is een zelfstandig naamwoord.” Maar soms is het wat lastiger. Bijvoorbeeld bij woorden als warmtefeest of liefde. Hoe kun je een zelfstandig naamwoord herkennen? Gelukkig zijn er een paar eenvoudige trucjes:

Lidwoorden

Vaak staat er een lidwoord (de, het of een) voor een zelfstandig naamwoord. Gaat Eva naar school – je kunt zeggen de school, dus school is hier het zelfstandig naamwoord.

  • Ezra opent de kast
  • Janine wandelt met de hond

Staat er geen lidwoord in de zin? Laat je kind dan proberen om zelf een lidwoord voor een woord te zetten. Als dit kan, heeft het waarschijnlijk het zelfstandig naamwoord gevonden.

  • Jaimy gaat naar huis

In de eerste twee zinnen staat er een lidwoord voor de zelfstandige naamwoorden ‘kast’ en ‘hond’, maar in de derde zin niet. Omdat je kind ‘het’ en ‘een’ voor ‘huis’ kan zetten, is dit het zelfstandig naamwoord in deze zin.

Verkleinwoord

Je kind kan een zelfstandig naamwoord niet altijd herkennen aan een lidwoord. Gelukkig zijn er nog andere manieren waarop deze woordsoort te herkennen is. Zo kan van veel zelfstandige naamwoorden een verkleinwoord gemaakt worden. Kijk maar eens naar de onderstaande voorbeelden:

  • olifant – olifantje 
  • huis – huisje
  • schoen – schoentje

Enkelvoud of meervoud

Een derde kenmerk van zelfstandige naamwoorden is dat ze vaak zowel een enkelvoud als meervoud hebben. Weet je kind niet wat het zelfstandig naamwoord is? Laat hem dan proberen om een woord in de zin in het enkelvoud of meervoud te zetten. Wanneer dit lukt, is de kans groot dat het om een zelfstandig naamwoord gaat. 

  • tas – tassen 
  • kat – katten
  • vrouw – vrouwen

Niet elk zelfstandig naamwoord voldoet aan alle bovenstaande kenmerken, maar meestal herken je een zelfstandig naamwoord wel aan één van deze drie. Er zijn ook uitzonderingen. Zo hebben sommige zelfstandige naamwoorden alleen een meervoudsvorm (bijvoorbeeld hersenen) of juist alleen een enkelvoud (politie of vee). Gelukkig zijn de meeste woorden duidelijk genoeg: als de lidwoord-test, verkleinwoord-truc of meervoud-vorm werkt, heb je vrijwel zeker met een zelfstandig naamwoord te maken.

Soorten zelfstandige naamwoorden: concreet en abstract

Niet elk zelfstandig naamwoord is iets dat je kunt vastpakken. Daarom heb je twee soorten:

Concrete zelfstandige naamwoorden

Die verwijzen naar dingen die je kunt zien, aanraken of waarnemen met je zintuigen. 

Voorbeeld: “De hond rent door de tuin.”
Hond is concreet, want je kunt een hond zien en aanraken. 

Abstracte zelfstandige naamwoorden

Die verwijzen naar begrippen die je niet fysiek kunt waarnemen, zoals gevoelens of ideeën. 

Voorbeeld: “Ze voelde blijdschap na het goede nieuws.”
Blijdschap is abstract, want je kunt het niet vastpakken. 

Testje: kun je het woord waar je aan denkt aanraken of met je zintuigen waarnemen? Zo ja, dan is het zelfstandig naamwoord concreet. Zo nee (je kunt het alleen bedenken of voelen), dan is het abstract.

Soorten zelfstandige naamwoorden

Zelfstandige naamwoorden kunnen concreet of abstract zijn. Concrete zelfstandige naamwoorden verwijzen naar dingen die je kunt zien, aanraken of waarnemen met je zintuigen. Abstracte zelfstandige naamwoorden zijn begrippen die je die je niet fysiek kunt waarnemen, zoals gevoelens of ideeën.

Voorbeelden:

  • “De hond rent door de tuin.” → ‘Hond’ is een concreet zelfstandig naamwoord, omdat je een hond kunt zien en aanraken.
  • “Ze voelde blijdschap na het goede nieuws.” → ‘Blijdschap’ is een abstract zelfstandig naamwoord, omdat het een gevoel uitdrukt dat je niet fysiek kunt waarnemen.

Vraag jezelf af of het woord iets is wat je kunt aanraken. Als dat niet zo is, gaat het waarschijnlijk om een abstract zelfstandig naamwoord.

Gebruik van zelfstandige naamwoorden

Zelfstandige naamwoorden kunnen op verschillende manieren gebruikt worden, bijvoorbeeld in combinatie met een bijvoeglijk naamwoord. Je kind kan bovendien samenstellingen maken door twee zelfstandige naamwoorden met elkaar te combineren. Deze woordsoort kan daarnaast verschillende functies hebben in een zin. Zo kan het zelfstandig naamwoord de ene keer het onderwerp van een zin zijn en de andere keer het meewerkend voorwerp. Bij een samenstelling worden twee zelfstandige naamwoorden aan elkaar geschreven en bepaalt het laatste woord of het een ‘de’- of ‘het’-woord is.

Voorbeelden:

  • “De boekenkast staat vol met romans.” → ‘Boekenkast’ is een samenstelling van ‘boek’ en ‘kast’ en wordt aan elkaar geschreven.
  • “Tijdens de winter hebben we vaak sneeuwpret.” → ‘Sneeuwpret’ is een samenstelling van ‘sneeuw’ en ‘pret’, waarbij het laatste woord de betekenis bepaalt.

Twijfel je of een samenstelling aan elkaar moet? Probeer het als twee losse woorden te schrijven en kijk of de betekenis verandert. Als de woorden samen één begrip vormen, moeten ze aan elkaar geschreven worden. In de onderstaande alinea’s lees je alles over het gebruik van zelfstandige naamwoorden.

Zelfstandig naamwoord + bijvoeglijk naamwoord

Een zelfstandig naamwoord wordt regelmatig gecombineerd met een bijvoeglijk naamwoord. Soms staat er al een bijvoeglijk naamwoord voor een zelfstandig naamwoord in een zin, maar dit is niet altijd het geval. Bevat een zin geen bijvoeglijk naamwoord? Laat je kind dan proberen of er een woord in de zin staat waar het zelf een bijvoeglijk naamwoord voor kan zetten. Wanneer dit het geval is, gaat het namelijk om een zelfstandig naamwoord. Kijk maar eens naar de volgende voorbeeldzinnen.

  • Renate nam een hap uit haar groene appel. 
  • Het koor zong mooie liedjes. 
  • Joep las voor uit het grote boek. 

In de eerste twee zinnen staat een bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord, maar in de derde zin niet. In de eerste zin is ‘appel’ het zelfstandig naamwoord en in de tweede zin ‘liedjes’. In de derde voorbeeldzin is ‘boek’ het zelfstandig naamwoord. Hier kan je kind namelijk een bijvoeglijk naamwoord voor zetten, zoals ‘oude’ of ‘nieuwe’.

Het kan overigens zijn dat een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord wel aan elkaar worden geschreven. Dit gebeurt als de combinatie een eigen betekenis heeft gekregen, zoals bij kleinkind en hogeschool het geval is.

Zinsdelen en het zelfstandig naamwoord

Wanneer je samen met je kind aan de slag gaat met zelfstandige naamwoorden, moet je weten dat deze woordsoort in verschillende zinsdelen voor kan komen. Zo kan een zelfstandig naamwoord het onderwerp zijn, maar ook het lijdend voorwerp of het meewerkend voorwerp. De onderstaande voorbeeldzinnen maken dit duidelijk. 

  • De man fietst. (onderwerp)
  • Paula appt haar vriendje elke dag. (lijdend voorwerp)
  • Luca gaf zijn hond brokken en water. (meewerkend voorwerp)

Samenstellingen: twee zelfstandige naamwoorden aan elkaar

Je kind kan in zinnen een woord tegenkomen dat bestaat uit twee of meer zelfstandige naamwoorden. Dit wordt ook wel een samenstelling genoemd. Voor samenstellingen die uit meerdere zelfstandigen naamwoorden bestaan, geldt altijd dat het laatste woord bepaalt of het een ‘de’- of ‘het’-woord is.

  • het hoofd + de weg = de hoofdweg
  • het boek + de kast = de boekenkast
  • de naam + het woord = het naamwoord

Oefenen met het zelfstandig naamwoord

Wil je kind spelenderwijs oefenen met het zelfstandig naamwoord? Laat het dan ongeveer een kwartiertje per dag de quizzen op Squla spelen. Je kind krijgt hier allerlei leuke vragen over het zelfstandig naamwoord, prikt zeepbellen door die een zelfstandig naamwoord bevatten en combineert het plaatje met het juiste zelfstandig naamwoord. Doordat hij spelenderwijs leert, heeft het zelfstandig naamwoord ongetwijfeld snel onder de knie. Voor iedere groep zijn er meerdere quizzen over het zelfstandig naamwoord. Iedere groep kent verschillende niveaus, waardoor je kind altijd op het eigen niveau kan oefenen.

FAQ – Zelfstandig naamwoord

Gerelateerde artikelen