Bijvoeglijk naamwoord

Tijdens de taallessen op de basisschool leert je kind verschillende woordsoorten, zoals zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat iets vertelt over een zelfstandig naamwoord. Het beschrijft bijvoorbeeld een eigenschap, kenmerk of toestand van een persoon, dier of ding.
Vaak staat een bijvoeglijk naamwoord direct vóór het zelfstandig naamwoord waar het iets over zegt. Denk bijvoorbeeld aan “een oude fiets” of “de blauwe auto”. In deze zinnen beschrijven oude en blauwe een eigenschap van de fiets en de auto.
Weet je kind nog niet precies wat een bijvoeglijk naamwoord is of hoe je het gebruikt? Op deze pagina leggen we het stap voor stap uit. Je leest wat een bijvoeglijk naamwoord is, hoe je het herkent in een zin en hoe je kind ermee kan oefenen.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat iets vertelt over een zelfstandig naamwoord. Het beschrijft bijvoorbeeld hoe iemand of iets eruitziet, hoe iets voelt, of wat voor soort ding het is.

Denk bijvoorbeeld aan deze zinnen:

  • de snelle fiets
  • een grappige mop
  • het koude water
  • een zachte trui

In elke zin geeft het bijvoeglijk naamwoord extra informatie over het zelfstandig naamwoord. De woorden snelle, grappige, koude en zachte vertellen dus iets meer over de fiets, mop, water en trui.

Door bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken worden zinnen duidelijker en vaak ook leuker om te lezen. Vergelijk bijvoorbeeld eens:

“Er ligt een boek op tafel.”
of
“Er ligt een dik, spannend boek op tafel.”

Je ziet meteen meer voor je.

Waar staat een bijvoeglijk naamwoord in een zin?

In veel zinnen staat het bijvoeglijk naamwoord vlak vóór het zelfstandig naamwoord waar het iets over zegt.

Bijvoorbeeld:

  • de oude man
  • een blauwe auto
  • een grote hond

Maar een bijvoeglijk naamwoord kan ook achter in de zin staan, vaak na een werkwoord zoals is, wordt of lijkt.

Bijvoorbeeld:

  • De auto is snel.
  • Het water wordt koud.
  • Het boek lijkt interessant.

In deze zinnen zegt het bijvoeglijk naamwoord nog steeds iets over het onderwerp van de zin.

Zo herken je een bijvoeglijk naamwoord

Voor kinderen helpt het vaak om een paar eenvoudige stappen te volgen.

Stap 1: zoek het zelfstandig naamwoord.
Dat is meestal een persoon, dier of ding in de zin.

Stap 2: kijk welk woord daar extra informatie over geeft.
Dat woord is vaak het bijvoeglijk naamwoord.

Kijk bijvoorbeeld naar deze zin:

“De enthousiaste hond rent naar buiten.”

Het zelfstandig naamwoord is hond. Het woord enthousiaste vertelt hoe de hond is. Daarom is het een bijvoeglijk naamwoord.

Een andere handige aanwijzing is dat veel bijvoeglijke naamwoorden een vergrotende trap kunnen krijgen. Denk aan:

  • groot → groter → grootst
  • mooi → mooier → mooist
  • snel → sneller → snelst

Als een woord zo’n vergelijking kan krijgen, is het vaak een bijvoeglijk naamwoord.

Veelgemaakte verwarring: bijvoeglijk naamwoord of bijwoord?

Soms lijken woorden op bijvoeglijke naamwoorden, maar zijn ze eigenlijk bijwoorden. Dat verschil zit in waar het woord iets over zegt.

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

Een bijwoord zegt iets over een werkwoord, een ander bijvoeglijk naamwoord of zelfs over een hele zin.

Vergelijk deze twee zinnen:

“De trein rijdt hard.”
Hier zegt hard iets over het werkwoord rijdt. Daarom is het een bijwoord.

“Dat is een hard broodje.”
Hier zegt hard iets over het zelfstandig naamwoord broodje. Daarom is het een bijvoeglijk naamwoord.

Het is dus hetzelfde woord, maar de functie in de zin is anders.

De spelling van bijvoeglijke naamwoorden

Bij bijvoeglijke naamwoorden komt vaak een -e achter het woord te staan. Je ziet bijvoorbeeld:

  • de grote hond
  • het mooie boek
  • een grappige mop

Er is echter een bekende uitzondering. Bij een + het-woord staat het bijvoeglijk naamwoord vaak zonder -e.

Bijvoorbeeld:

  • het grote huis
  • een groot huis

Voor veel kinderen is het handig om dit gewoon als snelle regel te onthouden.

Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden

Sommige bijvoeglijke naamwoorden vertellen van welk materiaal iets gemaakt is. Dit noemen we stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden.

Voorbeelden zijn:

  • een gouden ring
  • een houten tafel
  • een glazen deur
  • een wollen trui

Je kunt vaak controleren of een woord stoffelijk is door de “van …”-test te gebruiken.

Bijvoorbeeld:

  • gouden ring → ring van goud
  • houten tafel → tafel van hout

Dat klopt, dus deze woorden geven het materiaal aan.

Bij gewone bijvoeglijke naamwoorden werkt dat niet:

  • mooie ring → ring van mooi (dat klinkt niet logisch)

Daarom is mooie een gewone eigenschap en geen materiaal.

De meeste stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden eindigen met -en. Er zijn echter uitzonderingen die niet op -en eindigen:

  • een plastic verpakking
  • een suède tas
  • een aluminium regenpijp
  • een nylon doek

Predicatief gebruik

Bij predicatief gebruik staat het bijvoeglijk naamwoord niet direct voor een zelfstandig naamwoord, maar gekoppeld via een werkwoord aan het onderwerp van de zin. Vaak komt dit voor in zinnen met een koppelwerkwoord (zoals zijn, worden, blijven, lijken). Het bijvoeglijk naamwoord is in zo’n geval het naamwoordelijk deel van het gezegde. Ook wanneer een bijvoeglijk naamwoord gebruikt wordt als bepaling van gesteldheid (een deel van de zin dat een toestand aangeeft), spreken we van predicatief gebruik. Enkele voorbeelden:

  • De fiets is blauw. (naamwoordelijk deel van het gezegde via koppelwerkwoord “is”)
  • Het boek lijkt oud. (naamwoordelijk deel van het gezegde via koppelwerkwoord “lijkt”)
  • Dolgelukkig kwam Theo thuis. (bijvoeglijk naamwoord als bepaling van gesteldheid – Theo kwam thuis terwijl hij dolgelukkig was)
  • Vind je dit eten lekker? (bepaling van gesteldheid – het bijvoeglijk naamwoord “lekker” zegt iets over hoe het eten gevonden wordt)

In deze zinnen merk je dat blauw, oud, dolgelukkig en lekker iets zeggen over het onderwerp (fiets, boek, Theo, dit eten) via het gezegde van de zin.

    Partitief gebruik

    Als een bijvoeglijk naamwoord op -s eindigt, spreek je vaak van de partitieve vorm. Een bijvoeglijk naamwoord wordt partitief gebruikt na woorden die een hoeveelheid uitdrukken, zoals iets, niets, wat, weinig, veel, genoeg etc. Ook de vergrotende trap kan zo’n -s uitgang hebben in partitieve vorm. Enkele voorbeelden:

    • Ik verwacht er weinig goeds van.
    • Dat is niets nieuws voor hem.
    • Heb je niets beters te doen?

    In deze zinnen volgen goeds, nieuws en beters op woorden die een hoeveelheid aangeven (weinig, niets). Ze geven aan om wat voor soort “goeds/nieuws/beters” het gaat, zonder een specifiek zelfstandig naamwoord te noemen. Dit is de partitieve toepassing van het bijvoeglijk naamwoord.

    Voorbeelden van bijvoeglijke naamwoorden

    Je weet nu al veel over het bijvoeglijk naamwoord en hoe je kind deze woordsoort kan gebruiken. Wat extra voorbeelden kunnen echter geen kwaad. Hieronder vind je een lijst met verschillende bijvoeglijke naamwoorden, ter illustratie. In elke zin is het bijvoeglijk naamwoord vetgedrukt om het duidelijk te maken:

    • De lieve buurvrouw.
    • Mijn oude opa.
    • Hij heeft een Duits accent.
    • Zij verloor haar gouden ring. 
    • Ivo heeft een peperdure hobby. 
    • Ali zit op een wiebelende stoel.
    • De krokante chips smaakt goed.

    (In bovenstaande zinnen geven de vetgedrukte woorden, lieve, oude, Duits, gouden, peperdure, wiebelende, krokante, een eigenschap of kenmerk van het zelfstandig naamwoord erna.)

    Verschil tussen bijvoeglijk naamwoord en bijwoord

    Een bijvoeglijk naamwoord en een bijwoord worden regelmatig met elkaar verward. Dat komt omdat beide woordsoorten iets kunnen zeggen over een ander woord. Er is echter een belangrijk verschil:

    • Bijvoeglijke naamwoorden zeggen iets over een zelfstandig naamwoord.
    • Bijwoorden zeggen iets over een werkwoord, een ander bijvoeglijk naamwoord of soms over een hele zin.

    Bekijk het volgende voorbeeld om dit verschil te zien:

    • Paula vindt de hond van haar buurman erg lief.

    In deze zin is lief het bijvoeglijk naamwoord, want het zegt iets over de hond (een zelfstandig naamwoord). Het woord erg zegt iets over lief – het versterkt hoe lief de hond is. Omdat lief hier een bijvoeglijk naamwoord is en erg daar iets over zegt, is erg in dit geval een bijwoord.

    Kort samengevat: bijvoeglijke naamwoorden geven kenmerken van zelfstandige naamwoorden, terwijl bijwoorden iets zeggen over werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden of andere elementen in de zin.

    Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden

    Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

    Gewoon bijvoeglijk naamwoord

    de gouden ring – de ring is van goud

    de mooie ring – de ring is mooi

    de houten tafel – de tafel is van hout

    de vierkante tafel – de tafel is vierkant

    de wollen muts – de muts is van wol

    de warme muts – de muts is warm

    (In de linkerkolom staan voorbeelden van stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden met het materiaal, en in de rechterkolom vergelijkbare zinnen met een “gewoon” bijvoeglijk naamwoord om het verschil te laten zien.)

    Oefenen met bijvoeglijke voornaamwoorden

    Je kunt bijvoeglijke naamwoorden heel makkelijk thuis oefenen.

    Kijk samen rond in huis en kies een paar dingen, bijvoorbeeld: bank, beker, jas, tafel.

    Laat je kind bij elk woord twee bijvoeglijke naamwoorden bedenken:

    • zachte bank
    • grote tafel
    • warme jas

    Maak daarna een saaie zin spannender:

    “Snoep ligt op tafel.”
    → “Het zoete snoep ligt op de rommelige tafel.”

    Zo merkt je kind meteen hoe bijvoeglijke naamwoorden zinnen levendiger maken.

    Wil je kind liever niet alleen uit een boek leren? Laat hem of haar dan online oefenen met bijvoeglijke naamwoorden, bijvoorbeeld op Squla. Daar kan je kind talloze quizzen over het bijvoeglijk naamwoord spelen. In deze quizzen moet je kind het bijvoeglijk naamwoord in een zin herkennen en markeren. Zo leert hij of zij spelenderwijs bijvoeglijke naamwoorden in zinnen te herkennen.

    Bijvoeglijke naamwoorden komen vaak vanaf groep 6 aan bod in het basisonderwijs. Op Squla kun je je kind dan ook vanaf die groep gericht laten oefenen met bijvoeglijke naamwoorden. Per groep zijn er verschillende moeilijkheidsniveaus en de quizzen passen zich automatisch aan aan het niveau van je kind. Op die manier blijft het uitdagend en haalt je kind telkens het onderste uit de kan bij het leren herkennen en gebruiken van bijvoeglijke naamwoorden.

    Mini-spiekbriefje

    Wil je snel checken of een woord een bijvoeglijk naamwoord is? Gebruik dan dit stappenplan:

    1. Zoek het zelfstandig naamwoord in de zin.
    2. Kijk welk woord vertelt hoe het is of welke het is.
    3. Dat woord is meestal het bijvoeglijk naamwoord.
    4. Het staat vaak vóór het zelfstandig naamwoord, maar soms erachter (bijvoorbeeld na is).
    5. Veel bijvoeglijke naamwoorden krijgen een -e aan het einde.

    Veelgestelde vragen over bijvoeglijke naamwoorden

    Gerelateerde artikelen