Bijvoeglijk naamwoord

Tijdens de taallessen op de basisschool leert je kind verschillende woordsoorten. Zo komt hij niet alleen zelfstandige naamwoorden, maar ook bijvoeglijke naamwoorden tegen. Deze twee woordsoorten hangen nauw samen, want een bijvoeglijk naamwoord zegt meestal iets over een zelfstandig naamwoord.
Een bijvoeglijk naamwoord (ook wel adjectief genoemd) is een woord dat een eigenschap, kenmerk of toestand van een zelfstandig naamwoord aangeeft. Vaak staat het direct voor het zelfstandig naamwoord waar het iets over zegt. Bijvoorbeeld: “een oude fiets” of “de blauwe auto”. In deze voorbeelden beschrijven oude en blauwe een eigenschap van het zelfstandig naamwoord (fiets, auto). Als je kind nog niet precies weet wat een bijvoeglijk naamwoord is of hoe hij zo’n woord moet gebruiken, kun je hem hierbij helpen. Op deze pagina vind je alle informatie die je nodig hebt om je kind te ondersteunen bij het leren van bijvoeglijke naamwoorden. Bovendien kan je kind hier zelf oefenen met bijvoeglijke naamwoorden.

Gebruik van bijvoeglijke naamwoorden

In veel Nederlandse zinnen komt een bijvoeglijk naamwoord voor. Denk alleen niet dat bijvoeglijke naamwoorden altijd op dezelfde manier gebruikt worden, want er zijn verschillende gebruiksvormen. Hieronder lees je op welke manieren je een bijvoeglijk naamwoord kunt gebruiken, met toelichting en voorbeelden.

Attributief gebruik

Een bijvoeglijk naamwoord wordt attributief gebruikt wanneer het direct vóór het zelfstandig naamwoord staat dat het beschrijft. Het maakt dan onderdeel uit van het naamwoordelijk groepje. Enkele voorbeelden van attributief gebruik zijn:

  • De oude man. 
  • Een fles witte druivensap.
  • Het blonde meisje.

In deze zinnen staan oude, witte en blonde direct voor het zelfstandig naamwoord en vertellen ze daar iets over.

Zelfstandig gebruik

Meestal zie je een bijvoeglijk naamwoord samen met een zelfstandig naamwoord, maar een bijvoeglijk naamwoord kan ook zelfstandig gebruikt worden. Het bijvoeglijk naamwoord staat dan op zichzelf en er wordt geen zelfstandig naamwoord expliciet genoemd in de zin. Kijk maar naar de volgende voorbeelden:

  • Zij is de slimste van de school.
  • Onze school behoort tot de beste van Nederland. 
  • Wil je een zoete of zoute

In deze zinnen worden slimste, beste, zoete en zoute gebruikt zonder dat er direct een zelfstandig naamwoord achter staat. Het is voor de lezer of luisteraar duidelijk welk zelfstandig naamwoord bedoeld wordt (bijvoorbeeld leerling of snoepje), maar het wordt niet genoemd. Het bijvoeglijk naamwoord functioneert hier op zichzelf.

Predicatief gebruik

Bij predicatief gebruik staat het bijvoeglijk naamwoord niet direct voor een zelfstandig naamwoord, maar gekoppeld via een werkwoord aan het onderwerp van de zin. Vaak komt dit voor in zinnen met een koppelwerkwoord (zoals zijn, worden, blijven, lijken). Het bijvoeglijk naamwoord is in zo’n geval het naamwoordelijk deel van het gezegde. Ook wanneer een bijvoeglijk naamwoord gebruikt wordt als bepaling van gesteldheid (een deel van de zin dat een toestand aangeeft), spreken we van predicatief gebruik. Enkele voorbeelden:

  • De fiets is blauw. (naamwoordelijk deel van het gezegde via koppelwerkwoord “is”)
  • Het boek lijkt oud. (naamwoordelijk deel van het gezegde via koppelwerkwoord “lijkt”)
  • Dolgelukkig kwam Theo thuis. (bijvoeglijk naamwoord als bepaling van gesteldheid – Theo kwam thuis terwijl hij dolgelukkig was)
  • Vind je dit eten lekker? (bepaling van gesteldheid – het bijvoeglijk naamwoord “lekker” zegt iets over hoe het eten gevonden wordt)

In deze zinnen merk je dat blauw, oud, dolgelukkig en lekker iets zeggen over het onderwerp (fiets, boek, Theo, dit eten) via het gezegde van de zin.

Bijwoordelijk gebruik

Soms wordt een bijvoeglijk naamwoord bijwoordelijk gebruikt. In dat geval functioneert het bijvoeglijk naamwoord eigenlijk als een bijwoordelijke bepaling in de zin. Je zou zo’n bijvoeglijk naamwoord in deze context kunnen zien als een bijwoord, omdat het iets zegt over een werkwoord (of over een ander bijvoeglijk naamwoord) in plaats van direct over een zelfstandig naamwoord. Voorbeelden van bijwoordelijk gebruik zijn:

  • De trein rijdt hard.
  • De krant verschijnt dagelijks.
  • Jeske sliep diep.

Hier zie je dat hard, dagelijks en diep iets zeggen over de manier van rijden, verschijnen en slapen (werkwoorden). In deze zinnen werken de woorden dus als bijwoord, ook al zijn het van oorsprong bijvoeglijke naamwoorden.

Partitief gebruik

Als een bijvoeglijk naamwoord op -s eindigt, spreek je vaak van de partitieve vorm. Een bijvoeglijk naamwoord wordt partitief gebruikt na woorden die een hoeveelheid uitdrukken, zoals iets, niets, wat, weinig, veel, genoeg etc. Ook de vergrotende trap kan zo’n -s uitgang hebben in partitieve vorm. Enkele voorbeelden:

  • Ik verwacht er weinig goeds van.
  • Dat is niets nieuws voor hem.
  • Heb je niets beters te doen?

In deze zinnen volgen goeds, nieuws en beters op woorden die een hoeveelheid aangeven (weinig, niets). Ze geven aan om wat voor soort “goeds/nieuws/beters” het gaat, zonder een specifiek zelfstandig naamwoord te noemen. Dit is de partitieve toepassing van het bijvoeglijk naamwoord.

Voorbeelden van bijvoeglijke naamwoorden

Je weet nu al veel over het bijvoeglijk naamwoord en hoe je kind deze woordsoort kan gebruiken. Wat extra voorbeelden kunnen echter geen kwaad. Hieronder vind je een lijst met verschillende bijvoeglijke naamwoorden, ter illustratie. In elke zin is het bijvoeglijk naamwoord vetgedrukt om het duidelijk te maken:

  • De lieve buurvrouw.
  • Mijn oude opa.
  • Hij heeft een Duits accent.
  • Zij verloor haar gouden ring. 
  • Ivo heeft een peperdure hobby. 
  • Ali zit op een wiebelende stoel.
  • De krokante chips smaakt goed.

(In bovenstaande zinnen geven de vetgedrukte woorden, lieve, oude, Duits, gouden, peperdure, wiebelende, krokante, een eigenschap of kenmerk van het zelfstandig naamwoord erna.)

Verschil tussen bijvoeglijk naamwoord en bijwoord

Een bijvoeglijk naamwoord en een bijwoord worden regelmatig met elkaar verward. Dat komt omdat beide woordsoorten iets kunnen zeggen over een ander woord. Er is echter een belangrijk verschil:

  • Bijvoeglijke naamwoorden zeggen iets over een zelfstandig naamwoord.
  • Bijwoorden zeggen iets over een werkwoord, een ander bijvoeglijk naamwoord of soms over een hele zin.

Bekijk het volgende voorbeeld om dit verschil te zien:

  • Paula vindt de hond van haar buurman erg lief.

In deze zin is lief het bijvoeglijk naamwoord, want het zegt iets over de hond (een zelfstandig naamwoord). Het woord erg zegt iets over lief – het versterkt hoe lief de hond is. Omdat lief hier een bijvoeglijk naamwoord is en erg daar iets over zegt, is erg in dit geval een bijwoord.

Kort samengevat: bijvoeglijke naamwoorden geven kenmerken van zelfstandige naamwoorden, terwijl bijwoorden iets zeggen over werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden of andere elementen in de zin.

Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden

Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord is een speciaal type bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft van welk materiaal iets gemaakt is. Net als gewone bijvoeglijke naamwoorden zegt het iets over een zelfstandig naamwoord, maar specifiek over de stof of het materiaal. Enkele voorbeelden van stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden zijn:

  • een gouden ring
  • de houten tafel
  • het rieten dak
  • een glazen deur
  • de ijzeren staaf
  • het lederen meubilair

Zoals je ziet, eindigen deze stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden op -en (gouden, houten, rieten, glazen, ijzeren, lederen). De meeste stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden krijgen deze uitgang. Er zijn echter uitzonderingen die niet op -en eindigen:

  • een plastic verpakking
  • een suède tas
  • een aluminium regenpijp
  • een nylon doek

Twijfelt je kind of een woord een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord is? Er is een handig trucje: je kunt er bijna altijd “van …” achter zetten om het materiaal aan te duiden. Voorbeeld: “gouden ring” kun je herformuleren als “ring van goud”. Gouden is dus stoffelijk, want je kunt zeggen “van goud”. Bij een gewoon bijvoeglijk naamwoord werkt dat niet: “mooie ring” betekent niet “ring van mooi”, dus mooie is geen materiaal maar een eigenschap.

Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

Gewoon bijvoeglijk naamwoord

de gouden ring – de ring is van goud

de mooie ring – de ring is mooi

de houten tafel – de tafel is van hout

de vierkante tafel – de tafel is vierkant

de wollen muts – de muts is van wol

de warme muts – de muts is warm

(In de linkerkolom staan voorbeelden van stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden met het materiaal, en in de rechterkolom vergelijkbare zinnen met een “gewoon” bijvoeglijk naamwoord om het verschil te laten zien.)

Oefenen met bijvoeglijke voornaamwoorden

Wil je kind liever niet alleen uit een boek leren? Laat hem of haar dan online oefenen met bijvoeglijke naamwoorden, bijvoorbeeld op Squla. Daar kan je kind talloze quizzen over het bijvoeglijk naamwoord spelen. In deze quizzen moet je kind het bijvoeglijk naamwoord in een zin herkennen en markeren. Zo leert hij of zij spelenderwijs bijvoeglijke naamwoorden in zinnen te herkennen.

Bijvoeglijke naamwoorden komen vaak vanaf groep 6 aan bod in het basisonderwijs. Op Squla kun je je kind dan ook vanaf die groep gericht laten oefenen met bijvoeglijke naamwoorden. Per groep zijn er verschillende moeilijkheidsniveaus en de quizzen passen zich automatisch aan aan het niveau van je kind. Op die manier blijft het uitdagend en haalt je kind telkens het onderste uit de kan bij het leren herkennen en gebruiken van bijvoeglijke naamwoorden.

Veelgestelde vragen over bijvoeglijke naamwoorden

Gerelateerde artikelen