Het gezegde in een zin

Heeft jouw kind tijdens het huiswerk maken wel eens gevraagd: “Wat is eigenlijk het gezegde in deze zin?” Dan ben je zeker niet de enige ouder die daarbij even moet terugdenken aan de taallessen van vroeger. Het ontleden van zinnen kan best uitdagend zijn, vooral wanneer termen als werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde om de hoek komen kijken. Geen zorgen, we leggen hier duidelijk uit wat het gezegde is, welke soorten gezegdes er zijn en hoe je ze eenvoudig kunt herkennen. Zo kun je je kind helpen bij het ontleden van zinnen, en misschien steek je er zelf ook weer wat van op!

Wat is het gezegde in een zin?

Het gezegde is het zinsdeel dat aangeeft welke handeling of situatie centraal staat in een zin. Met andere woorden: het gezegde vertelt wat het onderwerp doet of is. Een gezegde bestaat altijd uit minstens één werkwoord (het werkwoordelijk deel van de zin). Soms bestaat het gezegde alleen uit dat ene werkwoord (bijvoorbeeld “loopt” in “Sam loopt naar school.”). Vaak komen er echter meerdere woorden bij kijken. Op basis van welke woorden er onderdeel zijn van het gezegde, onderscheiden we twee vormen:

  • Werkwoordelijk gezegde (wwg): het gezegde bestaat uitsluitend uit werkwoorden (één of meerdere).
  • Naamwoordelijk gezegde (nwg): het gezegde bestaat uit één of meer werkwoorden én een naamwoordelijk deel (een zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord).

Met een werkwoordelijk gezegde drukken we uit dat iemand iets doet. Met een naamwoordelijk gezegde drukken we uit dat iemand of iets iets is. Hieronder leggen we beide varianten stap voor stap uit, met voorbeelden.

Werkwoordelijk gezegde

Een werkwoordelijk gezegde is een gezegde dat volledig uit werkwoorden bestaat. Alle werkwoorden in de zin samen vormen het werkwoordelijk gezegde. Dit zinsdeel geeft aan wat iemand doet of wat er gebeurt.

Heeft een zin maar één werkwoord? Dan is dat ene werkwoord in zijn eentje zowel de persoonsvorm als het werkwoordelijk gezegde. Staan er meerdere werkwoorden in de zin? Dan horen al die werkwoorden bij elkaar en vormen ze gezamenlijk het werkwoordelijk gezegde.

Voorbeelden:

  • Niels rent naar huis. → Omdat deze zin maar één werkwoord bevat, is ‘rent’ hier zowel de persoonsvorm als het werkwoordelijk gezegde.
  • Niels is naar huis gerend. → ‘Is gerend’ is het werkwoordelijk gezegde.
  • Niels had naar huis kunnen rennen. → ‘Had kunnen rennen’ is het werkwoordelijk gezegde.

Soms wordt één werkwoord in een zin gesplitst in twee delen. Beide delen horen dan bij het werkwoordelijk gezegde.

  • Floor had graag uit willen slapen. -> Het hele werkwoord is ‘uitslapen’. Het werkwoordelijk gezegde is ‘had uit willen slapen’. 

Hoe vind je het werkwoordelijk gezegde?

Wil je samen met je kind het werkwoordelijk gezegde in een zin opsporen? Volg dan dit stappenplan. Het is handig om eerst een paar andere zinsdelen te bepalen voordat je het gezegde gaat zoeken:

  1. Zoek de persoonsvorm. De persoonsvorm is het werkwoord in de zin dat van vorm verandert als je de zin in een andere tijd zet of het onderwerp van enkelvoud in meervoud verandert (of andersom). Tip: laat je kind de zin vragend maken – het eerste woord is dan vaak de persoonsvorm. Voorbeeld: “Lola eet een appel.” In de vragende vorm wordt dat “Eet Lola een appel?” Eet staat nu vooraan; dit is de persoonsvorm. Je kunt de zin ook in een andere tijd zetten: “Lola at een appel.” Hier verandert eet in at – dat laat zien dat eet/at de persoonsvorm is. Of maak het onderwerp meervoud: “Lola en Silke eten een appel.” Nu zie je eet veranderen in eten. In alle gevallen is het veranderende werkwoord de persoonsvorm.
  2. Zoek het onderwerp. Vraag: “Wie of wat [persoonsvorm]?” Het antwoord op die vraag is het onderwerp van de zin. In ons voorbeeld: “Wie of wat eet een appel?” Het antwoord is Lola. Lola is dus het onderwerp.
  3. Zoek het gezegde (alle werkwoorden). Als je de persoonsvorm en het onderwerp hebt gevonden, kun je het gezegde bepalen. Kijk of er naast de persoonsvorm nog andere werkwoorden in de zin staan. Is er maar één werkwoord (alleen de persoonsvorm)? Dan is dat werkwoord het gezegde. Staan er meerdere werkwoorden? Dan vormen de persoonsvorm samen met de andere werkwoorden in de zin het werkwoordelijk gezegde. In ons voorbeeld “Lola heeft een appel gegeten” bestaat het werkwoordelijk gezegde uit heeft gegeten.

Met dit stappenplan zou het moeten lukken om in elke zin het werkwoordelijk gezegde te vinden.

Naamwoordelijk gezegde

De tweede variant van het gezegde is het naamwoordelijk gezegde. Bij een naamwoordelijk gezegde bestaat het gezegde uit een of meer werkwoorden plus een naamwoordelijk deel. Zo’n naamwoordelijk deel is een zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord dat iets over het onderwerp zegt. Een naamwoordelijk gezegde drukt namelijk uit wat iemand is (of wat iets is), in plaats van wat iemand doet.

Een naamwoordelijk gezegde herken je bijna altijd aan een koppelwerkwoord. Dit is het belangrijkste werkwoord in het naamwoordelijk gezegde, dat de verbinding legt tussen het onderwerp van de zin en het naamwoordelijk deel. Typische koppelwerkwoorden zijn onder andere:

  • zijn
  • worden
  • blijven
  • lijken
  • blijken
  • schijnen
  • heten
  • dunken
  • voorkomen (in de betekenis van “lijken”, niet “ervoor zorgen”)

Als één van deze werkwoorden in de zin staat als hoofdwerkwoord, is de kans groot dat je met een naamwoordelijk gezegde te maken hebt. Kijk maar naar de volgende voorbeelden:

Voorbeelden:

  • Amalia is verpleegster. → is verpleegster is het naamwoordelijk gezegde (is is het koppelwerkwoord, verpleegster is het naamwoordelijk deel).
  • Mijn vriend wordt voetbaltrainer. → wordt voetbaltrainer is het naamwoordelijk gezegde (wordt koppelt voetbaltrainer aan het onderwerp).
  • Taylor schijnt ziek te zijn. → schijnt ziek te zijn is het naamwoordelijk gezegde (schijnt is het koppelwerkwoord, ziek is het naamwoordelijk deel).

In al deze zinnen bestaat het gezegde uit meer dan alleen werkwoorden: er staat een zelfstandig naamwoord (zoals verpleegster of voetbaltrainer) of een bijvoeglijk naamwoord (ziek) in het gezegde. Dat maakt het een naamwoordelijk gezegde.

Hoe vind je het naamwoordelijk gezegde?

Ook voor het naamwoordelijk gezegde kun je een paar stappen volgen om het gemakkelijk te herkennen:

  1. Zoek het koppelwerkwoord. Staat er één van de koppelwerkwoorden (zie het lijstje hierboven) in de zin? Identificeer dat eerst. Twijfel je of het echt als koppelwerkwoord wordt gebruikt? Probeer het te vervangen door een ander koppelwerkwoord en kijk of de zin nog logisch blijft. Voorbeeld: “Taylor schijnt ziek te zijn.” Kun je schijnt vervangen door lijkt of blijkt? Taylor lijkt ziek te zijn. – Ja, dat kan. Dan weet je dat schijnt hier een koppelwerkwoord is (en niet een gewoon werkwoord zoals schijnen in de betekenis licht geven).
  2. Zoek de overige werkwoorden. Alle werkwoorden in de zin horen bij het gezegde. In “Taylor schijnt ziek te zijn” horen zowel schijnt als te zijn bij het gezegde. (Let op: het woordje te dat soms voor een werkwoord staat, zoals in te zijn, hoort ook bij het gezegde.)
  3. Zoek het naamwoordelijk deel. Dit is het deel van het gezegde dat geen werkwoord is, maar iets over het onderwerp zegt. In ons voorbeeld is ziek het naamwoordelijk deel (het zegt iets over Taylor). Een ander voorbeeld: “Amalia is verpleegster.” Hier is verpleegster het naamwoordelijk deel – het vertelt wat Amalia is.

Heb je het koppelwerkwoord, de overige werkwoorden en het naamwoordelijk deel gevonden? Dan heb je het volledige naamwoordelijk gezegde bepaald!

Oefenen met het gezegde in een zin

Nieuwe grammaticale begrippen kunnen best verwarrend zijn. Dus geen stress als je kind het werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde in het begin door elkaar haalt. Dat hoort erbij. En gelukkig geldt ook hier: oefening baart kunst!

Zo wordt je kind beter in het gezegde

Wil je dat je kind beter wordt in het herkennen van het gezegde? Laat hem of haar dan veel oefenen met verschillende zinnen. Je kunt hiervoor oefenbladen gebruiken, of nog leuker: laat je kind online oefenen op Squla. Op Squla oefent je kind spelenderwijs met dit soort taalvragen door middel van interactieve quizzen en games.

Oefenen op Squla

Op Squla oefent je kind spelenderwijs met taal door middel van quizzen en games. Denk aan vragen zoals:

  • Wat is het gezegde in de zin: “De kraan zat gisteren toch nog op een andere plek?”
  • Markeer het gezegde in de zin: “Ik ben weer een centimeter gegroeid!”

De quizzen passen zich automatisch aan het niveau van je kind aan. Daardoor oefent je kind altijd precies goed: niet te makkelijk, maar ook niet te lastig.

Van struikelblok naar puzzel

Hoe vaker je kind oefent, hoe sneller het gezegde in een zin te vinden is. Zinsontleden wordt zo steeds minder een “moetje” en meer een leuke puzzel. En omdat Squla oefenen leuk maakt, blijft je kind gemotiveerd om door te gaan.

Veelgestelde vragen over het gezegde

Gerelateerde artikelen