- VakkenKies je groepKies je groep
-
Rekenen
-
Taal
-
Begrijpend lezen
-
Engels
-
Toetsen
-
Vreemde talen
-
De wereld
-
Verkeer
-
Tekenen
-
Adaptief rekenen
-
Rekenen
-
Taal
-
Spelling
-
Begrijpend lezen
-
Engels
-
Aardrijkskunde
-
Topografie
-
Geschiedenis
-
Natuur en techniek
-
Toetsen
-
Vreemde talen
-
Muziek
-
Verkeer
-
Tekenen
-
Adaptief rekenen
-
- Groepen
- Toetsen
- Leerkracht
Voorzetsels
Tijdens de taallessen op de basisschool leert je kind verschillende woordsoorten kennen. Eén daarvan zijn voorzetsels. Deze woorden komen vaak voor in zinnen en helpen om duidelijk te maken hoe woorden met elkaar samenhangen. Ze kunnen bijvoorbeeld iets zeggen over een plaats, een tijdstip of een richting.
Voor veel kinderen zijn voorzetsels in het begin nog een beetje verwarrend. Wanneer gebruik je bijvoorbeeld op, in of naar? En hoe herken je eigenlijk dat een woord een voorzetsel is? Door er samen naar te kijken en ermee te oefenen, krijgt je kind steeds beter gevoel voor hoe voorzetsels werken in een zin.
Op deze pagina lees je wat voorzetsels precies zijn, hoe je ze kunt herkennen en hoe je kind er stap voor stap beter in kan worden. Zo kun je je kind helpen om zinnen beter te begrijpen en zelf duidelijker te schrijven.
Hoe gebruik je voorzetsels?
Voorzetsels komen in veel Nederlandse zinnen voor. Ze verbinden vaak een zelfstandig naamwoord met een ander deel van de zin. Zo maken ze duidelijk waar, wanneer of hoe iets gebeurt.
Kijk bijvoorbeeld naar deze zinnen:
- Het boek ligt in de kast.
- We fietsen door het park.
- Hij wacht op de bus.
In elke zin verbindt het voorzetsel een woordgroep met de rest van de zin. Daardoor wordt meteen duidelijk wat de relatie is tussen de woorden.
Voor sommige kinderen is het herkennen van voorzetsels niet zo moeilijk. Het juiste gebruik kan soms wel lastiger zijn. Zo hoort bij bepaalde woorden vaak een specifiek voorzetsel. Door veel voorbeelden te zien en te oefenen leert je kind vanzelf welk voorzetsel in een zin past.
Waar staat een voorzetsel in een zin?
Door het woord voor in het begrip voorzetsel denken sommige kinderen dat zo’n woord altijd vooraan in een zin staat. Dat is niet zo.
Een voorzetsel kan op verschillende plekken in een zin staan. Vaak staat het vlak voor een zelfstandig naamwoord of een woordgroep.
Bijvoorbeeld:
- Alle eendjes zwemmen in het water.
- Kijkt iedereen zo goed naar de camera?
- Hilma reist de hele wereld over.
In deze zinnen staat het voorzetsel midden in de zin, vlak voor het woord waar het bij hoort.
Vaste voorzetsels
Sommige woorden worden bijna altijd met hetzelfde voorzetsel gebruikt. Deze combinaties noemen we vaste voorzetsels.
Voorbeelden zijn:
- snakken naar
- bestand zijn tegen
- grenzen aan
- belang hechten aan
Bij zulke uitdrukkingen hoort het voorzetsel echt bij het werkwoord of de uitdrukking. Het is dus lastig om daar een ander voorzetsel te gebruiken.
Door veel te lezen en te oefenen leert je kind vanzelf welke woorden vaak samen voorkomen.
Voorzetsels en scheidbare werkwoorden
Soms lijken woorden op een voorzetsel, terwijl ze eigenlijk onderdeel zijn van een scheidbaar werkwoord.
Een scheidbaar werkwoord bestaat uit twee delen: een werkwoord en een voorvoegsel. In een zin kunnen die twee delen uit elkaar komen te staan.
Kijk bijvoorbeeld naar deze zinnen:
- De leerkracht kijkt de toets na.
- Hij geeft de hoop op.
- Joan staat elke ochtend om zes uur op.
De woorden na en op lijken hier op voorzetsels. Toch zijn ze dat niet. Ze horen bij het werkwoord:
- nakijken
- opgeven
- opstaan
Omdat het werkwoord in de zin gesplitst wordt, kan het lijken alsof het om een voorzetsel gaat.
In de bovenstaande zinnen zijn de woorden ‘na’, ‘op’ en ‘op’ gemarkeerd. Door de opbouw van de zin denkt je kind mogelijk dat het hier om voorzetsels gaat, maar dat is niet het geval. Het is namelijk een voorzetsel dat tot een scheidbaar werkwoord behoort. In de eerste zin is ‘nakijken’ het scheidbare werkwoord (‘kijkt’ en ‘na’), in de tweede zin ‘opgeven’ (‘geeft’ en ‘op’) en in de derde zin ‘opstaan’ (‘staat’ en ‘op’).
Lijst met voorzetsels
In het Nederlands bestaan veel verschillende voorzetsels. Hieronder vind je een aantal veelgebruikte voorbeelden:
aan – achter – bij – binnen – boven – buiten – door – in – langs – met – na – naar – naast – om – onder – op – over – per – sinds – te – tegen – tot – tussen – uit – van – via – volgens – voor – zonder
Door deze woorden vaak in zinnen tegen te komen, leert je kind ze steeds beter herkennen.
Oefenen met voorzetsels
Wil je dat je kind beter wordt in het herkennen en gebruiken van voorzetsels? Dan helpt het om regelmatig te oefenen.
Op Squla kan je kind spelenderwijs aan de slag met voorzetsels. In quizzen en games op Squla moet je kind bijvoorbeeld:
- het juiste voorzetsel in een zin kiezen
- voorzetsels in een tekst herkennen
- het goede antwoord aanklikken in een quiz
Omdat de oefeningen in de vorm van spelletjes worden aangeboden, blijft leren leuk. Bovendien zijn er quizzen op verschillende niveaus, zodat je kind altijd oefent op een niveau dat bij hem of haar past.