- VakkenKies je groepKies je groep
-
Rekenen
-
Taal
-
Begrijpend lezen
-
Engels
-
Toetsen
-
Vreemde talen
-
De wereld
-
Verkeer
-
Tekenen
-
Adaptief rekenen
-
Rekenen
-
Taal
-
Spelling
-
Begrijpend lezen
-
Engels
-
Aardrijkskunde
-
Topografie
-
Geschiedenis
-
Natuur en techniek
-
Toetsen
-
Vreemde talen
-
Muziek
-
Verkeer
-
Tekenen
-
Adaptief rekenen
-
- Groepen
- Toetsen
- Leerkracht
Leenwoorden
Woorden die oorspronkelijk uit een andere taal komen, worden leenwoorden genoemd. Door de jaren heen zijn talloze leenwoorden onderdeel uit gaan maken van de Nederlandse taal. Sommige van deze woorden zijn inmiddels vernederlandst, waardoor de Nederlandse spellingsregels hierop van toepassing zijn. Toch gelden deze regels lang niet voor ieder woord. Er zijn zelfs leenwoorden waarvoor helemaal geen regels gelden. Deze woorden worden ook wel weetwoorden genoemd. Om ervoor te zorgen dat je kind leenwoorden op de juiste manier spelt, lees je er op deze pagina alles over. Er wordt onder meer aandacht besteed aan Engelse, Franse en Duitse leenwoorden. Verder lees je in welke groepen je kind in aanraking komt met leenwoorden en kan je kind oefenen met leenwoorden.
Het gebruik van leenwoorden
Scenario: Jij zit met je kind aan tafel. Ze werkt aan een Nederlands toets en vraagt: “Mama, wat is eigenlijk een ‘garage’?” Jullie zoeken samen het antwoord op. Zo ontdek je dat garage net als veel andere woorden uit een andere taal komt. In één zin: leenwoorden zijn woorden die we letterlijk uit een andere taal hebben overgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld woorden als computer (Engels), bureau (Frans) en tulband (Arabisch). Deze woorden zien we inmiddels als Nederlandse woorden, ook al komen ze oorspronkelijk uit een andere taal.
Voorbeelden van leenwoorden
- Computer (uit het Engels)
- Bureau (uit het Frans)
- Cake (uit het Engels)
- Cadeau (uit het Frans)
- Schnitzel (uit het Duits)
- Ober (uit het Duits)
Ook woorden als hockey, volleybal, douche, chocolade, auto en massagesalon zijn geleend uit het Engels of Frans. In de bovenbouw leren kinderen dat Engelse leenwoorden ook wel anglicismen worden genoemd.
Bij het spellen van leenwoorden lopen veel kinderen tegen problemen aan. Sommige van deze woorden worden namelijk op dezelfde manier geschreven als in de oorspronkelijke taal, terwijl andere leenwoorden helemaal niet meer op hun voorgangers lijken. Dit maakt dat het spellen van deze woorden een uitdaging kan zijn voor je kind.
Als je kind leenwoorden vaak verkeerd schrijft, wil je hem hier mogelijk een handje bij helpen. In dat geval zoek je waarschijnlijk naar ezelsbruggetjes voor leenwoorden. Voor de spelling van sommige leenwoorden kun je een dergelijk trucje gebruiken, maar dit is lang niet altijd het geval. Leenwoorden worden namelijk tot de weetwoorden gerekend. Voor het spellen van deze woorden gelden geen specifieke regels. Het is een kwestie van weten als je kind ze op de juiste manier wil schrijven.
Wil jij je kind een handje helpen bij het leren van leenwoorden? Oefen hier dan regelmatig mee. Dit kan bijvoorbeeld door te stampen en te herhalen, maar ook door de woorden op te schrijven, de woorden hardop uit te spreken of de betekenis van de woorden op te zoeken. Door regelmatig samen met je kind te oefenen met leenwoorden, onthoudt hij langzaam maar zeker wat de juiste spelling van deze woorden is. Hierdoor weet hij na verloop van tijd precies hoe hij leenwoorden juist opschrijft.
Engelse leenwoorden
Omdat we in Nederland inmiddels talloze Engelse leenwoorden gebruiken, is het geen doen om ze allemaal op een rijtje te zetten. Daarom lees je hier een aantal voorbeelden van leenwoorden die uit deze taal zijn overgenomen.
- goal
- container
- dealer
- scooter
- interview
- hockey
- volleybal
- cake
- game
- coach
Je kind komt op de basisschool vaak in aanraking met Engelse leenwoorden. Dit komt vooral doordat Engels een verplicht vak is op de basisschool. Bovendien zijn er ook in de Nederlandse taal behoorlijk wat Engelse woorden terug te vinden. Waarom hier een Engels woord voor gebruikt wordt? Omdat er destijds nog geen Nederlands woord voor was. In veel gevallen is het Engelse woord inmiddels ingeburgerd, waardoor dit leenwoord onderdeel is geworden van de Nederlandse taal.
Engelse leenwoorden en anglicismen
Je kind komt op de basisschool veel Engelse leenwoorden tegen. Soms gaat het nog een stap verder. Dan spreken we van een anglicisme. Dat is een woord of uitdrukking die letterlijk uit het Engels is overgenomen, terwijl er eigenlijk al een goed Nederlands alternatief bestaat.
Denk bijvoorbeeld aan:
- downloaden (in plaats van: binnenhalen)
- updaten (bijwerken)
- een meeting plannen (een vergadering plannen)
Dit soort woorden hoor je vaak in het dagelijks taalgebruik. Ze zijn dus herkenbaar voor je kind, maar niet altijd nodig om te gebruiken.
Voor spelling maakt het verschil meestal niet uit: zowel leenwoorden als anglicismen moet je kind vaak onthouden. Door ze regelmatig te zien en te gebruiken, leert je kind vanzelf hoe je deze woorden schrijft.
Franse leenwoorden
Veel leenwoorden uit het Frans zijn inmiddels zo vernederlandst dat veel mensen ze als Nederlandse woorden zien. Toch komen ze van origine uit het Frans. Hieronder volgen een aantal voorbeelden van Franse leenwoorden.
- douche
- caissière
- cadeau
- etalage
- fauteuil
- auto
- chocolade
- diner
- privé
- atelier
Je kind krijgt weliswaar geen Franse les op de basisschool, maar de Nederlandse taal bevat genoeg leenwoorden die uit het Frans afkomstig zijn. Voor de spelling van deze woorden gelden soms regels, maar dit is lang niet altijd het geval. Wanneer je kind wil weten hoe hij Franse leenwoorden schrijft, is het vaak een kwestie van oefenen en onthouden.
Duitse leenwoorden
In vergelijking met Franse en Engelse leenwoorden komen we in het Nederlands minder Duitse leenwoorden tegen. Toch kan je kind nog behoorlijk wat woorden tegenkomen die we uit het Duits hebben overgenomen. Hieronder volgen een aantal voorbeelden van Duitse leenwoorden.
- schnitzel
- schwalbe
- zeppelin
- überhaupt
- föhn
- rottweiler
- ober
- sowieso
- ordner
- spieken
Omdat Nederland naast Duitsland ligt, verbaast het je vast niet dat we in het dagelijks leven ook leenwoorden uit het Duits gebruiken. Net als voor Engelse en Franse leenwoorden geldt ook voor Duitse leenwoorden dat je kind hier al op de basisschool mee in aanraking komt. Op een groot aantal woorden dat is overgewaaid uit Duitsland wordt de Nederlandse spelling toegepast. Zo worden zelfstandig naamwoorden in het Nederlands met een kleine letter geschreven, terwijl je ze in het Duits met een hoofdletter schrijft. Voor sommige van Duitse leenwoorden gelden specifieke regels, maar dit is lang niet altijd het geval. Bij het merendeel van de Duitse leenwoorden is het namelijk een kwestie van oefenen en onthouden.
Kennis over leenwoorden wordt uitgebreid in groep 7 en 8
Omdat spelling een belangrijk vak is op de basisschool, wordt hier al vroeg een begin mee gemaakt. Hierdoor duurt het niet lang voordat je kind voor het eerst in aanraking komt met leenwoorden. In de lagere groepen blijft het vaak beperkt tot het leren herkennen van dit soort woorden. Mogelijk gaat je kind al wel aan de slag met het schrijven van eenvoudige leenwoorden, maar dit hangt af van de onderwijsmethode.
In groep 7 en 8 wordt er meer aandacht besteed aan leenwoorden. Je kind kent de basis van deze woorden, waardoor het allemaal wat moeilijker gemaakt wordt. In tegenstelling tot in de lagere groepen ligt de nadruk hier niet meer op de makkelijke leenwoorden, maar worden juist de moeilijke leenwoorden behandeld. Zo gaat je kind bijvoorbeeld aan de slag met leenwoorden met meerdere lettergrepen. Woorden die meerdere lettergrepen bevatten, zijn over het algemeen lastiger te spellen. Hierdoor wordt je kind uitgedaagd.
Je kind gaat in groep 7 en 8 vooral zelf aan de slag met het oefenen van leenwoorden. Veel van deze woorden zijn immers weetwoorden. De juiste schrijfwijze van deze woorden leert je kind alleen door er veelvuldig mee te oefenen. Op deze manier leert je kind leenwoorden herkennen en onthouden. Hierdoor weet hij na verloop van tijd precies hoe hij leenwoorden schrijft wanneer hij ze hoort.
Zo herken je een leenwoord (testjes)
- Test 1: Bevat het woord letters die zelden voorkomen in Nederlands (zoals c, q, x, y)? Veel leenwoorden hebben zo’n vreemde lettercombinatie. Denk aan toilet, shampoo of taxi.
- Test 2: Ziet het woord combinaties als sh, ch (uitspraak [sj]), ck, oi, au, eu? Ook dat kan duiden op een anderstalig woord. Bijvoorbeeld in chauffeur, douche of snack.
- Test 3: Heeft het woord een accent of speciaal teken (zoals é, ë of ö)? Woorden als café (Frans) of föhn (Duits) hebben vaak zulke tekens. Deze accenten wijzen erop dat het leenwoorden zijn.
Veelgemaakte fouten bij leenwoorden
- Verkeerd spellen: Je kind schrijft soms zoals het klinkt. Bij leenwoorden helpt dat niet, want ze vallen vaak onder de weetwoorden (zonder vaste spellingregels). Bijvoorbeeld willen schrijven wat je hoort kan misgaan bij scooter, mascara of fietspomp, omdat de uitspraak in de oorspronkelijke taal anders kan zijn.
- Tekens weglaten: Accentjes of trema’s (zoals in café, föhn of cliché) worden weleens vergeten. Het blijft verleidelijk, maar juist die tekens horen bij het geleende woord.
- Taalverwarring: Soms denkt een kind dat een woord Nederlands is en past het verkeerde regel toe. Bijvoorbeeld “champignon” (Frans) uitschrijven als champion of champignon met een Nederlandse klank. Zo ontstaan slordigheidsfouten.
Oefenen met Engelse en Franse leenwoorden
In de quizzen op Squla kan je kind oefenen met woorden die oorspronkelijk uit een andere taal komen. Het correct spellen van deze zogenoemde leenwoorden is een kwestie van onthouden. Squla helpt je kind om op een leuke manier te oefenen met woorden als trainen, souvenir en massage. Zoek het woord bij het plaatje. Op welke foto is make-up afgebeeld? Hoe spreek je het woord ‘caissière’ uit? En weet jij uit welke taal we deze woorden geleend hebben? Squla maakt het leren spellen van leenwoorden leuk!