Zo leren kinderen rekenen: het rekenmuurtje

Juf Shelby

Het leren rekenen in de leeftijd van 5-8 jaar is een enorm belangrijke basis die gelegd wordt. In dit blog lees je hoe je kind leert rekenen en geef ik je tips om hier bij te helpen. Veel rekenproblemen in de bovenbouw zijn namelijk ontstaan doordat de basis niet goed gelegd is. Daarom spreken we ook wel van een rekenmuurtje.

Het rekenmuurtje

Leren rekenen is te vergelijken met het bouwen van een muur. Het is een opeenstapeling van stenen (rekenkennis) met cement (vaardigheden). Maar als de onderste stenen niet stevig genoeg staan, dan vallen ook de bovenste stenen om. Dus als jouw kind de sommen tot 20 niet snel kan maken, zal hij/zij daar in groep 7 bij sommen tot 1000 onnodige rekenfoutjes maken. Daarom spreken we vanuit de literatuur van een ‘rekenmuurtje’ (Bandstra, 2014) als je over de fases van het leren rekenen praat. Daarnaast wordt het rekenmuurtje van Bareka op sommige scholen of RT-praktijken gebruikt om de rekenproblemen inzichtelijk te maken middels een rekentoets.

Hoe leren kinderen rekenen?

Rekenbegrip in groep 1-2

Rekenen is meer dan optellen en aftrekken van sommen. Al in de kleuterklas wordt de basis voor het zogenaamde getalbegrip gelegd. Kinderen leren dat een getal een hoeveelheid is. Bijvoorbeeld 5 blokjes bij het getal 5. Ook zijn rekenbegrippen een voorwaarde om te leren rekenen. Denk daarbij aan begrippen zoals: meeste/minste, evenveel, meer dan../minder dan.., grootste/kleinste, lichtste/zwaarste. Woorden die voor ons volwassenen heel vanzelfsprekend zijn, maar voor je kind heel abstract zijn.

Fase 1: sommen tot 20 en splitsen

Hoewel de focus in groep 3 op het leren lezen ligt, wordt in groep 3 een belangrijke basis gelegd voor rekenen. Optellen, aftrekken en splitsen tot en met 10.
Bijvoorbeeld: 5 + 3 en 7 − 4, maar ook het getal 7 splitsen in 4 en 3. Het vlot kunnen splitsen van getallen en zien welke getallen samen 10 kunnen vormen helpen enorm bij het vlot kunnen rekenen. Samen vormen ze een setje om 10 te maken. Als kinderen deze setjes direct kunnen koppelen, worden heel veel sommen veel makkelijker. Goed oefenen dus!

TIP: gezelschapsspellen zoals Hali Gali, Granny apples, Regenwormen, Ganzenbord, Sjoelen, of spelletjes met dobbelstenen oefenen spelenderwijs het rekenen tot 10.

Bij het maken van sommen tot 20 komt je kind twee nieuwe soorten sommen tegen:

  1. Rekenen met een tiental erbij (13 + 4 =)
  2. Rekenen over het tiental heen ( 9 + 5 =)

Bij de eerste soort sommen zoals 13 + 4 = is het tiental moeilijk, maar als je kind dit begrijpt kan hij vervolgens ook sommen zoals 23 + 4 uitrekenen. Toch hebben kinderen niet altijd door dat dit een zelfde soort som is. En als in de bovenbouw sommen komen zoals 523 + 4 lopen ze hier op vast. Je kind moet door hebben dat het tiental hetzelfde blijft, maar dat de eenheden erbij komen.

Bij de tweede som, rekenen over het tiental heen komt rekeninzicht kijken. Een kind met rekeninzicht rekent de som 9 + 5 = bijvoorbeeld als volgt uit: 10 + 5 – 1 = 14.
Negen ligt dicht bij de tien. Tien plus 5 rekent makkelijker.

Kinderen die weinig rekeninzicht hebben, gebruiken de rijgstrategie: 9 + 1 + 4 = 14. Je vult aan tot tien en doet vervolgens de rest erbij.  Beide manieren zijn goed. Het is dus belangrijk om goed stil te staan bij de manier van uitrekenen.
TIP: Vraag aan je kind hoe hij gerekend heeft. Ook als je kind al snel het antwoord geeft. In de klas is hier helaas niet altijd tijd voor.

Getalbegrip tot 100

Tussen de eerste fases van het rekenmuurtje hoort wederom getalbegrip, maar nu het begrip van getallen tot 100. Bijvoorbeeld weten dat 34 minder is dan 43 en ook weten hoe je deze getallen uitspreekt. Maar ook kunnen ‘springen’ op de getallenlijn.
Bijvoorbeeld:
Sprongen van 10: 17 – 27 – 37 – 47 – 57-…
Sprongen van 5 terug: 55 – 50 – 45 – 40 – 35 – …

TIP: ‘spring’ samen met je kind getallen tot 100. Een sprong telt voor 10 en een stap voor 1. Spring bijvoorbeeld naar 35, of spring met sprongen van steeds 10 verder of terug uit.

Kinderen leren in deze fase:

  • Splitsen van getallen tot 10
  • Plus- en minsommen maken tot 10 en vervolgens tot 20
  • Door- en terugtellen tot 100
  • Door- en terugtellen met sprongen van 2, 5 en 10

Fase 2: tafels en deeltafels

Bij het leren van de tafels wordt vaak gestart met de tafel van 1, 2, 5 en 10. Vaak hebben kinderen voorafgaand al geleerd om met sprongen van 2, 5 of 10 te tellen. Vermenigvuldigen is tenslotte herhaald optellen (2+2+2+2 = 4×2). Leuke tips om de tafels te oefenen lees je in mijn blog.

Automatiseren

Kinderen die in groep 6,7 of 8 moeite hebben met rekenen kunnen veel baat hebben bij het oefenen van de onderste bouwstenen. Vaak lossen kinderen deze sommen nog tellend op, of zijn sommen onder de 20 nog niet vlot geautomatiseerd.

Bij automatiseren is herhaling heel belangrijk. Dagelijks 5-10 minuutjes getal- of rekenoefeningen doen in de vorm van een spelletje is een leuke speelse manier om dit thuis te oefenen. Stichting leerplan ontwikkeling (SLO) heeft een handige lijst opgesteld met bord- en gezelschapsspellen per rekenfase.

Ook kun je af en toe een sommendictee doen. Je noemt een som en je kind schrijft het antwoord op. Daarnaast kun je beter meerdere keren per week 5 minuutjes oefenen dan ineens heel lang. Door kort te oefenen en dagelijks te herhalen wordt het beter onthouden.

Rekendrempels

Volgens Notenboom (2014) blijkt uit onderzoek dat veel kinderen er moeite mee hebben om de basisvaardigheden van rekenen onder de knie te krijgen. De benodigde basiskennis die het fundament vormen voor het goed kunnen rekenen noemt men rekendrempels. Zoals je hiervoor gelezen hebt is rekenen te vergelijken met een muurtje. Waarbij bij het leren van de volgende drempel, beheersing van de onderliggende drempel nodig is.

De sommen die de basiskennis vormen, zijn verdeeld over vijf ‘drempels’:

  1. Optellen en aftrekken tot 10 ( 4+3, 7- 4)
  2. Getallenlijn tot 100
  3. Optellen en aftrekken over 10 tot 20 (8+7, 15-7)
  4. Bouwsteensommen tot 100 (47+30, 67-40, 35+7, 35-7)
  5. De tafels en de deeltafels

In principe is het de bedoeling dat bij de overgang van groep 5 naar groep 6 al deze rekendrempels geleerd zijn. Helaas kunnen kinderen vaak deze sommen nog niet vlug genoeg maken, waardoor het juist goed is om dit ook nog met oudere kinderen te blijven oefenen.
Echter in de rekenmethode in de klas wordt al wel doorgegaan met nieuwe onderwerpen zoals breuken, procenten, delen enzovoorts. Het helpt daarom echt enorm om juist die basis te blijven oefenen.

Dit artikel is geschreven door Shelby Vos-van Andel, intern begeleider en leerkracht bovenbouw.

Geraadpleegde Literatuur:
Bandstra,P, Bareka online rekentoetsen, https://www.bareka.nl
Danhof, W. Bandstra, P., Hofstetter, W., (2014) Rekendrempels nemen, Volgens Bartjens, 34 (3), p. 4-7
Notenboom, (2014) Over de drempels van de basisvaardigheden… , Volgens Bartjens, 34 (3), p. 32-34 SLO, http://rekenspel.slo.nl/rekenspellen/perdrempel

Het continurooster, wat zijn de voor- en nadelen?

Juf Shelby

Het continurooster, de ene school heeft het wel en de andere niet. Wat zijn de voor- en nadelen voor jouw kind? En is een continurooster wel beter, of juist niet? Ik ben op zoek gegaan naar wetenschappelijke literatuur, maar ook naar persoonlijke meningen en ervaringen met het continurooster.

Een continurooster

Bij een continurooster blijft je kind op school eten. Hierdoor zijn kinderen aaneengesloten op school en daardoor ’s middags eerder vrij. Het continurooster kan op verschillende manier vorm gegeven worden. Zo zijn er scholen die alle dagen identieke lestijden hebben, waarbij de vrije woensdag- en vrijdagmiddag vervalt. Maar er zijn ook scholen die wel deze middagen vrij houden en op de andere dagen meer uren maken. De school is hierin vrij om te kiezen, zolang het wettelijk aantal uren maar gemaakt wordt (7520 uur in 8 basisschooljaren).

Is een continurooster beter?

Er zijn beperkte resultaten van onderzoek naar het ritme van kinderen in relatie tot hun functioneren en leerprestaties. Wel wordt er gesuggereerd dat de beste tijd om met aandacht en concentratie te werken tussen 10:00-12:00 uur en tussen 14:00-16:30 uur ligt (2015, DUO onderwijsonderzoek). Dat zou betekenen dat een continurooster leerlingen op biologisch gezien ongunstige leertijden valt. Tussen 12 en 14 uur zou het volgens Driessen (2010) juist beter zijn te ontspannen met rust, beweging en recreatie. Daarna neemt het concentratievermogen van leerlingen weer toe. Wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van het continurooster is er (nog) niet. Wel is er bekend dat de omvang van de leertijd (het aantal lesuren) veel minder van belang is voor de leerprestaties dan de leskwaliteit (goede lessen). Veel voor- en nadelen zijn dan ook een persoonlijk oordeel.

10 voordelen van een continurooster

Sinds 2007 zijn scholen verplicht om te zorgen voor de voor- tussen- en naschoolse opvang. Hierdoor zijn steeds meer scholen overgegaan naar een continurooster. De opvang tussen de middag is namelijk vaak een probleem om te regelen. De leidsters hiervoor werken vaak op vrijwillige basis en met steeds meer werkende ouders is het moeilijk om aan vrijwilligers te komen. Bij een continurooster maakt het overblijven deel uit van de schooltijd en eten de kinderen op school, meestal met de leerkracht. De voordelen:

  • De school is eerder uit, waardoor kinderen ’s middags langer kunnen spelen en de leerkracht op de middag een langere tijd voorbereidingstijd en nakijktijd heeft.
  • Kinderen hoeven maar 1x naar school; er is meer regelmaat omdat ze op dezelfde plek blijven. Ook ouders hoeven ze maar 1x te brengen en te halen.
  • Er hoeven geen overblijfmoeders of TSO gefaciliteerd te worden.
  • Voor werkende ouders is het vaak praktischer met hun baan dat de kinderen een aaneengesloten langer gedeelte van de dag op school zijn.
  • Alle dagen zijn hetzelfde qua tijden; regelmaat en ritme.
  • Als je kind nog een jonger (baby)broertje of zusje heeft, hoeft deze ook maar 1x heen en weer meegenomen te worden.
  • De naschoolse opvang, sport en hobby verenigingen hebben ’s middags meer tijd voor activiteiten.
  • De kinderen komen maar 1x binnen, de overgang naar de middag is minder rommelig. Kinderen komen dus ook maar 1x te laat.
  • Vast persoon; kinderen blijven in de klas eten en hoeven dan niet aan een andere overblijfkracht te wennen.
  • Kinderen hoeven maar twee keer door het drukke verkeer, in plaats van 4x van school naar huis, dus veiliger.

10 nadelen van een continurooster

Het continu rooster is een andere manier van de lestijden invullen. Hierdoor is het op veel scholen zo geregeld dat de leerkracht met de kinderen eet en ook bij het buiten spelen surveilleren de leerkrachten vaak om toerbeurt. Dit wordt door leerkrachten vaak als nadeel ervaren. Andere nadelen zijn:

  • De school is met een continurooster eerder uit, dus als kinderen bijv. al vanaf 14:00 uit zijn; moet je als ouder al vanaf die tijd je kind ophalen of extra opvang regelen.
  • De tijden van het continurooster vallen niet in de meest gunstige lestijd voor de concentratie van leerlingen. Tussen 12-14 uur blijkt uit onderzoek (Driessen, 2010) juist het moment van rust, ontspanning en recreatie van belang zijn.
  • Indien je kind naar de buitenschoolse opvang (BSO) gaat, dan is hij/zij hier langer; dus worden ook de kosten van naschoolse opvang vaak hoger voor ouders. Tussenschoolse opvang voor overblijven is vaak veel goedkoper.
  • Voor sommige kinderen is het juist heel prettig om halverwege de dag een ‘break’ te hebben en eventjes naar huis te kunnen om in een rustigere, vertrouwde omgeving tot rust te komen, om zich daarna weer goed te kunnen focussen.
  • Leerkrachten werken langere tijd aaneengesloten en hebben dus geen mogelijkheid materialen tussen de middag klaar te leggen voor het middagprogramma. ‘Boeken, werkboeken, verf, knutselspullen, rekenspullen, taalspullen; waar laat je alles?
  • Je kunt als ouder niet kiezen tussen wel of niet laten overblijven. En eet dus 5 dagen niet samen met je kind.
  • Kleuters maken met het continurooster evenveel uren als bovenbouwkinderen, wat soms nog te vermoeiend voor jonge kinderen is. Een extra middag thuisblijven voor 4 jarigen is dan ook niet meer mogelijk.
  • Ondanks dat leerkrachten recht hebben op pauze; zie je in de praktijk vaak dat leerkrachten tot van 08:00-14:00 door gaan. Het eetmoment en het buitenspelen wordt soms wel met collega’s afgewisseld, maar ook als je op het plein surveilleert als leerkracht; heb je niet echt een rust moment.
  • Als leerkracht eten met een klas is anders dan eten met collega’s. Je hebt ook in je pauze verantwoording voor de kinderen. En wanneer ga je even naar de wc??
  • Officieel zou je als leerkracht na het lange lesblok bij een continurooster om 14:00 uur verplicht pauze moeten pakken; laat dat nu juist het moment zijn waarop ouders laagdrempelig even iets kunnen vragen, vergaderingen gepland zijn of zorggesprekken plaats vinden. ‘Sorry ik heb nu pauze??’

Mijn mening

Ook op de school waar ik werk is ook de discussie om over te stappen naar een continurooster gevoerd. Daarbij was ik als leerkracht fel tegenstander. Ondanks dat ik me kan vinden in de voordelen voor kinderen en ouders vond ik het als leerkracht een groot nadeel dat er geen pauzemoment was voor mijzelf. Juist die pauze zonder kinderen is een moment waarop ik me oplaad om daarna weer fris en energiek voor de klas te staan.

Als je ’s morgens al voor 9 vakken alle spullen klaar moet zetten, is dit veel voorbereiding in één keer. Aangezien wij nu tussen de middag een pauze hebben van ruim een uur heb ik dan altijd nog even tijd om een leuke les voor de middag klaar te zetten of alvast wat extra na te kijken. Naar mijn idee zijn mijn lessen beter en sprankelend als ik er met veel energie in ga. Uiteindelijk is de ‘kwaliteit’ van het onderwijs belangrijk!

Gesprekken met collega’s en even opladen in een pauze moment is iets waar ik veel waarde aan hecht. Werkdruk is tenslotte een groot aandachtspunt in het onderwijs! Samen met collega’s eten is toch een andere pauze dan ondertussen op je klas te moeten letten. Daarnaast werk ik veel met kinderen met leer- en gedragsproblemen. Juist voor deze kinderen is het vaak fijn om even een momentje rust te hebben en naar huis te kunnen in een rustige omgeving.

Goed onderwijs!

Ik denk dat de voor- en nadelen door iedereen anders ervaren worden, en als je eenmaal weer gewend bent aan een ander ritme zowel leerkrachten als kinderen zich aanpassen. Toch is het vreemd dat de effecten van een continurooster niet duidelijk wetenschappelijk onderzocht zijn; het belangrijkste is dat er gekeken wordt wat voor de kinderen goed is! En laten we ons vooral focussen op GOED onderwijs! ‘Daarbij wordt wel opgemerkt dat andere dan biologische factoren minstens zo belangrijk zijn, zoals de specifieke manier van lesgeven van de leerkracht en het creëren van een omgeving die de prestaties van leerlingen gedurende de hele schooldag bevordert. (Driessen, 2010)

Bronnen:
Grinsven, V. van, en T. Beliaeva. 2015. Rapportage Nieuwe schooltijden in het basisonderwijs. Utrecht, (PFD) DUO Onderwijsonderzoek. 

Eerste hulp bij spellingproblemen: zo help jij je kind!

Juf Shelby

Heeft jouw kind moeite met spelling en wil je hem of haar graag helpen met oefenen? Lang werd gedacht dat het simpelweg het lezen en overschrijven van woordjes zou helpen bij het onthouden van de spellingregels. Uit onderzoek (SLO, 2009 – PDF) blijkt echter dat dit helemaal niet zo effectief is. In dit blog leg ik uit wat spellingproblemen zijn en geef ik je 6 tips om thuis spelling te oefenen.

Hoe leren kinderen spelling?

Er zijn verschillende manieren om spelling te leren:

  • Woorden lezen/overschrijven;
  • De juiste klank of letter kiezen op een open plek in het woord;
  • Het woord mondeling spellen;
  • Een woord enkele seconden zien, daarna op opschrijven en vervolgens de spelling controleren.

Welke manier denk jij dat voor jouw kind het beste werkt? Ik zal je verklappen wat er onderzocht is op dit gebied. Uit onderzoek van Bosman en de Groot (1991) blijkt dat de laatste manier de meest succesvolle is voor zowel goede als zwakke spellers. Met deze manier schrijven kinderen woorden over, moeten ze het zich herinneren en krijgen ze direct een correctie op fouten. Zo wordt het woord mét de juiste schrijfwijze beter onthouden. Daarnaast blijkt het verklanken van woorden (het woord hakken in klankgroepen) voordat je het opschrijft een effectieve manier.

Bijvoorbeeld:
Bomen: Bo-men (ik hoor een lange klank (oo) aan het einde van de eerste klankgroep, dus ik schrijf maar één teken: bomen met één m)

Wanneer heeft je kind een spellingprobleem?

Kinderen met spellingproblemen hebben moeite met het fonologisch verwerken van taal. Dit betekent dat ze moeite hebben om gesproken taal te koppelen aan geschreven taal. Ze schrijven dan letterlijk op wat ze horen. Herken je dit bij je eigen kind? Dit is vaak de oorzaak:

Meestal proberen kinderen alle woorden en hun schrijfwijze ‘los’ te onthouden. Maar dat is veel te veel om te onthouden. Daarom worden op school spellingregels aangeleerd om bij meerdere woorden toe te passen. Toch hebben kinderen dan ook vaak moeite om alle spellingregels te onthouden (en toe te passen). Uitzonderingen op een spellingregel, of woorden waarvoor weinig of geen regels bestaan (ei/ij, au/ou) zijn dan extra moeilijk. Wil je graag weten wat jouw kind precies lastig vindt? Doe dan de spellingtest op Squla en ontvang een uitgebreide foutenanalyse per mail.

Wanneer er na zeer intensieve oefening (bijv. 6 maanden intensief oefenen) er geen verbetering is, of wanneer kinderen meerdere jaren achtereenvolgens onvoldoende scoren op spellingtoetsen kan er wellicht een andere oorzaak zijn van de spellingproblemen zoals dyslexie of dysorthografie.

Tip 1: stap voor stap spelling oefenen

Oefen met dezelfde regels van school. Vaak heeft elke lesmethode een woordenlijst met spellingregels die in dat schooljaar aan bod komen. Of vraag aan de leerkracht welke spellingcategorie jouw kind lastig vindt.

  • Stap 1: lees het woord hardop.
  • Stap 2: dek het woord af met een papiertje of je hand.
  • Stap 3: hak het woord in stukjes.
  • Stap 4: wat is het spellingprobleem (welke spellingregel hoort daarbij?).
  • Stap 5: schrijf het woord op.
  • Stap 6: controleer of het woord goed geschreven is.

Tip 2: spellingregels leren

Met een spellingregel (zoals bij d/t: maak het woord langer, hond > honden) kun je veel woorden op de juiste manier leren schrijven. Kinderen leren spellingregels in de klas, maar ieder jaar komen er nieuwe regels bij. Vaak zit het probleem bij oudere kinderen bij het niet goed toepassen van de spellingregels. Op Spelling.nl kun je lezen hoe de regels in elkaar steken. Bijvoorbeeld bij weet-, luister- en werkwoorden.

Tip 3: maak een spiekschrift

Het werkt vaak goed om een spiekschriftje te maken met die regels: Noteer of plak de spellingregel zoals die in de klas is geleerd is op een bladzijde en schrijf er woordjes onder die bij deze regel horen. Het spiekboekje kun je gebruiken bij het maken van spellingopdrachten om zo de regels goed te leren en ook toe te passen.

Tip 4: spelenderwijs oefenen

Met Squla TaalExtra kun je spelenderwijs spelling oefenen. De oefenmethode TaalExtra is er voor kinderen die spellingproblemen, maar niet per se dyslexie hebben. Je kind volgt een persoonlijke leerroute, waarbij stap voor stap de spellingregels worden behandeld en uitgelegd.

Tip 5: oefendictees

Een dictee is een manier van spelling die veel toegepast wordt in het onderwijs. Als je dit thuis wilt oefenen; richt je dan vooral op het doel ‘oefenen’ van woorden. Je hebt namelijk twee soorten dictees. Een oefendictee (gericht op het aanleren van de juiste manier van schrijven) en een controledictee (gericht op het controleren van de spelling). Focus dus thuis vooral op oefendictees.

Probeer bij het oefenen zowel visueel als auditief te dicteren (dus laten zien en horen). Je laat het woord eerst zien en horen en daarna pas opschrijven. Vervolgens controleren jullie samen of het goed geschreven is.

Tip 6: geef opbouwende kritiek

Niet goed kunnen spellen betekent niet dat je kind dom is. Toch voelen kinderen dit wel vaak zo. Bij een spellingdictee is je prestatie heel zwart/wit: het woord is goed of fout. Focus daarom tijdens het oefenen op wat er wél goed gaat. ‘De eerste woorden heb je knap geschreven, kijk nog eens even naar het derde woordje (ruimte tot verbetering laten). Het geven van positieve complimenten op de inzet van je kind is belangrijk in het geven van opbouwende kritiek.

Geef ook complimenten over het proces.
‘Je hebt heel hard geoefend en je goed ingezet bij deze moeilijke opdracht’.
‘Gisteren vond je deze spellingregel nog lastig, maar nu heb je al wel 3 woordjes die erbij horen goed geschreven!’

Zo oefenen jullie gezellig samen spelling op een positieve manier!

Bronnen:
Huizenga, 2016, Taal & didactiek – Spelling, Noordhoff uitgevers
Stichting leerplan ontwikkeling (SLO), 2009, Spelling in het basisonderwijs http://taalunieversum.org/sites/tuv/files/downloads/slo_spelling_in_het_basisonderwijs_2010.pdf (PDF)
Malmberg, 2019, Taal Actief 4 – Malmberg Uitgeverij


Dit blog is geschreven door Shelby Vos, intern begeleider en leerkracht in het basisonderwijs.

Een kind met een stoornis… of beter gezegd: een talent!

Juf Shelby

In de afgelopen jaren wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar leer- en gedragsstoornissen. Heeft jouw kind autisme, dyslexie, AD(H)D of een andere stoornis? Ben je bang dat je kind nu een ‘label’ heeft? In mijn werk als leerkracht en intern begeleider begeleid ik zorgleerlingen en hun ouders in dit proces. In deze blog vertel ik je mijn visie op kwaliteiten van kinderen mét of zonder stempel.

Waarom onderzoeken we kinderen?

Soms gaat het allemaal niet vanzelf thuis of op school, je kind is opstandig, krijgt het lezen maar niet onder de knie, luistert niet naar de leerkracht of begrijpt de lesstof niet. Dit hoeft niet meteen reden te zijn om te onderzoeken, vaak probeert de leerkracht eerst allerlei manieren uit om je kind zo goed mogelijk te begeleiden bij wat hij moeilijk vindt. En ook jij als ouder zult verschillende manieren hebben uitgeprobeerd.
Maar wat als je kind thuis of op school nog steeds vast loopt? En je je kind ongelukkiger ziet worden, of de achterstand in lezen zo groot wordt dat het je kind steeds meer gaat belemmeren? Dan kan een onderzoek een verklaring geven van het gedrag of de leerproblemen. Maar veel belangrijker nog: het kan je ook inzicht geven in wat de beste manier is om het kind te helpen en te begeleiden.

Inzicht en extra hulp

Als er vermoedens zijn van autisme en dit wordt bevestigd door onderzoek kan dit jou als ouder meer inzicht geven in hoe je je kind het beste kunt benaderen. Ook de leerkracht zal zijn/haar benadering daarop kunnen aanpassen. Het kan een verklaring zijn voor gedrag. Daarnaast kan het zo zijn dat je door een vastgestelde stoornis of leerprobleem extra hulp en individuele begeleiding kunt aanvragen voor je kind. Zo hebben kinderen met een dyslexieverklaring bijvoorbeeld recht op extra hulp bij een dyslexiebehandelaar. En komen kinderen met een gedragsstoornis eerder in aanmerking voor extra individuele ondersteuning met bijvoorbeeld een arrangement op school.

Een onderzoek: niet alleen een label

Een onderzoek wordt meestal door een Orthopedagoog afgenomen. Hij/zij kijkt op een brede manier naar het kind en de omgeving. Zowel ouders als de leerkracht moeten vragen beantwoorden en ook zal er meestal een gesprekje met het kind plaats vinden voorafgaand aan het onderzoek. Na het onderzoek zal de uitkomt met ouders besproken worden en vaak ook met school (als je hier toestemming voor geeft). Daarnaast krijg je een onderzoeksverslag. In dit verslag staat een samenvatting van de gesprekken, de resultaten van het onderzoek, de conclusie en is ook een hoofdstuk met adviezen opgenomen.

De adviezen uit een onderzoek kunnen heel waardevol zijn. Soms kun je namelijk wel een ‘vermoeden’ hebben dat een kind een leerprobleem heeft; maar als uit onderzoek blijkt dat hij voornamelijk een probleem heeft bij het verwerken (noteren en uitwerken van de leerstof) en juist verbaal (mondeling verwoorden) heel goed is; dan kun je die kwaliteit gebruiken. Zo heb ik eens een leerling in de klas gehad die de aardrijkskunde toetsen altijd onvoldoende maakte; maar toen hij mondeling getoetst werd het ineens het wél kon!

Waarom toets je dan niet al op voorhand mondeling zou je zeggen? Natuurlijk probeer je als leerkracht bepaalde benaderingen uit; maar het is wel goed om dit gedegen te doen. Stel je voor dat je vanaf groep 3 zomaar aanneemt dat een kind dyslexie heeft als hij slecht is in lezen; maar later blijkt dat hij oogproblemen had, of gewoon geen interesse had in lezen? Door onderzoek te doen maak je verantwoorde keuzes om de lesstof aan te passen en het kind passend onderwijs te bieden.

Hoe praat je over kinderen?

Veel ouders zijn bang dat hun kind een stempel krijgt. En het is te begrijpen dat je het niet fijn vindt dat jouw kind ‘ADHD-er’ of ‘autist’ wordt genoemd. Echter in de praktijk hoor ik vaker dat kinderen die ‘druk’ zijn en nog helemaal geen onderzoek hebben gehad gekscherend ADHD-er door ouders zélf wordt genoemd. Ook wordt er heel gemakkelijk gezegd dat een kind ‘lastig’ is. Terwijl gedrag vaak verklaard kan worden.

Soms is het juist een puzzelstukje wat op zijn plaats valt als je weet dat die frustratie en boosheid van een kind door zijn autisme komt. Zodat je de omgeving kunt uitleggen dat je een woede-uitbarsting kunt voorkomen door vooraf al even te vertellen wat er gaat komen, omdat kinderen met autisme vaak moeite hebben met onverwachte situaties. Door erkenning van een gedrags- of leerprobleem kun je daardoor het gedrag beter begrijpen. En is het kind niet ‘lastig’, maar heeft het een iets andere benadering nodig.

Kwaliteiten en zelfvertrouwen

Een stoornis, leerprobleem of gedragsprobleem zijn helaas woorden die negatief klinken. Vergeet niet dat ieder kind zijn eigen kwaliteiten en talenten heeft. Maar dat een stoornis ook zijn ‘voordelen’ en kwaliteiten heeft. Zo kan iemand met ADHD juist heel spontaan, open en gezellig zijn. En kunnen autisten vaak uitblinken op een bepaalde interesses zoals techniek, zijn dyslecten soms heel creatief of muzikaal en ga zo maar door. Een diagnose die in beeld brengt wat je kind niet kan, vertelt helaas niet meteen waarin jouw kind kan uitblinken. Toch als je eens zoekt op bekende dyslecten, ADHD-ers of autisten; kom je heel wat beroemde mensen tegen die juist door hun kwaliteiten zo ver gekomen zijn. Beroemde dyslecten zijn bijvoorbeeld: Leonardo Da Vinci, Wolfgang Amadeus Mozart en Albert Einstein.

Positief praten over kinderen

Een groot dilemma als ouder is ‘wat anderen zullen denken’. Als ouder kun je enorm onzeker worden van de reactie van anderen en hoe er over je kind gepraat wordt. Heb er vertrouwen in dat leerkrachten en de school er naar streven om met respect over kinderen te praten.  Toch zul je altijd mensen tegen komen die het gedrag van je kind niet begrijpen. Helaas kun je de ander niet veranderen, maar je kunt wel zelf beslissen of je iets met de negativiteit van de ander doet. Iedere ouder is wel eens onzeker op zijn tijd, en bedenk je dat degenen die de grootste kritiek hebben; vaak zelf ook soms met de handen in het haar zitten. Door zelf op een positieve manier uitleg te geven over een leer- of gedragsprobleem kun je meer begrip kweken.

Psycho-educatie: uitleg aan je kind

Als je kind ouder wordt zal hij/zij zelf ook steeds meer gaan beseffen dat hij ergens moeite mee heeft. Dit kan soms zorgen voor extra onzekerheid. Vaak wordt dan ook vanaf de bovenbouw ervoor gekozen om kinderen zelf te betrekken bij de diagnose.

Er zijn verschillende manieren om kinderen spelenderwijs uit te leggen wat sommige stoornissen inhouden. Het is verstandig om dit samen met het onderzoekbureau of Orthopedagoog te doen, zij hebben ervaring hoe je dit met kinderen kunt bepreken. Er zijn speciale spellen en boeken om kinderen spelenderwijs inzicht te geven in bijvoorbeeld autisme.

‘Brainblocks’ is een bekende methode die vaak gebruikt wordt om autisme spelenderwijs uit te leggen (vaak samen met een begeleider). Brain Blocks is ontstaan met als doel psycho-educatie te geven over autisme door inzichtelijk te maken hoe het (blokjes) brein met en zonder autisme werkt.

Andere kinderen

Kinderen zien het onderling als een ander kind vaak straf heeft, dingen niet snapt of boos of verdrietig is. Op jonge leeftijd zeggen ze al gauw dat iemand ‘stout’ is en begrijpen nog niet waardoor dat komt.

Als je kind in de bovenbouw zit is het meestal een goed moment om ook in de klas te bespreken waarom jouw zoon of dochter zich zo gedraagt. Meestal gebeurd dit samen met de begeleider die bijvoorbeeld uitleg komt geven over ADHD, of soms geven kinderen zelf een spreekbeurt over dyslexie. Ik heb al vaak gezien dat dit veel onderling begrip geeft bij de klas.

Een gedrags- of leerprobleem kan inderdaad een ‘stempel’ zijn. De manier hoe je naar die stempel kijkt maakt dat je ook kunt focussen op de talenten en kwaliteiten, waarbij je weet wat de ‘valkuilen’ zijn en waarbij je moet ondersteunen. Daarom kan een ‘stempel’ ook zeker positief zijn!

Dit artikel is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht en intern begeleider in het basisonderwijs. Na de Master SEN- gedragsspecialist heeft ze veel gewerkt met kinderen met gedragsproblemen. Focussen op ‘wat wél werkt’ bij gedrag is haar missie bij de omgang met kinderen met gedragsproblemen. 

Dyslexie en nu? Tips en (motorische) oefeningen voor thuis

Juf Shelby

De diagnose dyslexie is bij je kind gesteld, maar wat nu? En wat kun je thuis doen? Als leerkracht van de bovenbouw heb ik regelmatig kinderen in de klas gehad met dyslexie en in dit blog beschrijf ik wat je thuis kunt doen als jouw kind dyslexie heeft. (meer…)