Preventie van pesten
In de afgelopen jaren is er binnen het basisonderwijs veel meer aandacht voor lesmethodes ter preventie van pesten. Kinderen leren over gedrag en pesten te praten, wat de effecten zijn op anderen en ook oefeningen om zelf stevig en met zelfvertrouwen in je schoenen te staan. Voorbeelden van anti-pest methodes zijn o.a. de Kanjertraining, de Vreedzame school, Kiva en Prima. Op de school waar ik zelf werkzaam ben, werken we al jaren met de Kanjertraining. Helaas is het niet zo dat je met een preventief programma pesten geheel kunt voorkomen. Wel leren kinderen stapsgewijs hoe ze kunnen reageren op een ander. Een voorbeeld hiervan is de pestposter van de Kanjertraining:
Pesten of plagen
Als ouder schrik je enorm wanneer je kind thuis zegt dat hij/zij gepest wordt. Logisch, want het verschrikkelijk om te horen dat je kind ‘er niet bij hoort’ en ‘ongelukkig’ is. Luister naar je kind zonder meteen een oordeel te geven. Vraag door en luister naar wat er precies gebeurd is.
TIP: vindt je kind het lastig om te vertellen? Laat de situatie tekenen, of naspelen met (lego) poppetjes.
Waarom luisteren zonder oordeel? Veel kinderen vinden het lastig om onderscheid te maken tussen pesten en plagen. Hiermee wil ik niet zeggen dat je het niet serieus moet nemen; maar er is wel een verschil! Door samen met je kind te onderzoeken of het om pesten of plagen gaat, kun je ook samen kijken welke vervolgstap het beste is.
Plagen
Plagen gebeurt volgens Pestweb vaak spontaan, het duurt niet lang en gebeurt niet dag in dag uit. Bij plagen ben je gelijk aan elkaar; niemand is de baas. Ook liggen de rollen niet vast, de ene keer plaagt de één, de andere keer plaagt de ander. Plagen gebeurt zonder iemand opzettelijk pijn te willen doen en is niet verkeerd bedoeld (maar wordt soms wel als negatief door de andere partij ervaren). Veel kinderen hebben niet door dat ze iemand ‘plagen’, vaak is een opmerking ‘grappig’ bedoeld, terwijl de ander dit niet zo oppakt. Als de ontvanger dit durft aan te geven door bijvoorbeeld te zeggen: ik vind het niet leuk wat je zegt, of: ik vind dit niet leuk, wil je er mee stoppen? Degene die plaagt heeft vaak dan pas door dat het niet leuk over komt en stopt meestal meteen. Echter veel ‘vriendinnetjes’ durven dit niet tegen elkaar te zeggen omdat ze bang zijn elkaar kwijt te raken. Hieruit ontstaan soms haat-liefde vriendschappen.
Pesten
Bij pesten ben je niet gelijk aan elkaar. Anderen kijken vaak tegen de pester op. Pesten gebeurt meestal in een groep en is gericht op één persoon. De pester wil pijn doen, vernielen of kwetsen en krijgt steun van meelopers. Pesten gebeurt vaker dan één keer, soms weken of maandenlang. Het gebeurt meestal zo dat volwassenen het niet merken. Vaak is de pester zelf onzeker en wil hij door een bepaalde macht uit te oefenen populair zijn. Soms gaat een pester doelbewust te werk om een hogere status te krijgen. Andere kinderen zijn vaak bang voor de pester en lopen daarom ‘mee’ om zelf niet gepest te worden.
Als je kind gepest wordt, voelt hij/zij zich eenzaam, verdrietig en bang, en kan het zijn dat je kind je vraagt om het niet tegen de juf te zeggen. Er is vaak een (reële) angst dat het ‘erger’ wordt. Maar met helemaal niets doen stopt het ook niet. Pesten gebeurt helaas vaak buiten het zicht van anderen. Als de leerkracht geïnformeerd is over wat er speelt, kan hij/zij hier ook gerichter op letten of met de betrokken kinderen in gesprek gaan. Kies wel een geschikt moment om dit te bespreken. Maak na schooltijd een aparte afspraak, want dat is handiger dan in een 10 minutengesprek (te kort) of vlak voor 08.30 (andere kinderen luisteren mee).
De pesters aanspreken als ouder: do or don’t?
Natuurlijk raakt het jou als vader of moeder enorm als je merkt wat anderen bij jouw kind doen. Je hart breekt als je van je zoon of dochter hoort hoeveel verdriet hij/zij heeft! Het liefst zou je die ‘kleine etterbak’ die dit veroorzaakt heeft eens flink de waarheid zeggen! Een risico is; dat het hierdoor alleen maar erger wordt! Eigenlijk bevestig je door het als ouder op te willen lossen dat je ‘kind te zwak is om het zelf te doen’. Dit sterkt de pester in zijn gedrag (hij voelt zich nog machtiger als de ander en is ook nog eens boos dat hij toegesproken werd) en daarnaast ‘breekt’ het het zelfvertrouwen van je eigen kind af. Je geeft namelijk indirect de boodschap dat hij het zelf niet kan oplossen. Het is zelden zo dat een moedwillige pester stopt nadat hij pittig is toegesproken of straf heeft gehad.
Het is natuurlijk wel situatie afhankelijk, heeft het kind een haat-liefde verhouding met jouw kind en spelen ze soms ook weer samen, dan zou je wel in gesprek kunnen gaan met het kind of met de ouders. Soms hebben kinderen niet door dat ze met bepaalde opmerkingen iemand anders kwetsen. Het is dan ook niet echt bewust ‘pesten’. Benoem dat jouw kind er last van heeft en geef concrete voorbeelden wat niet leuk was. Het gaat dan meer om opmerkingen die gezien kunnen worden als ‘plagen’ en als grapje bedoeld zijn, maar helaas een ‘kwetsend’ effect hebben gehad. Vaak was het vooraf niet de bedoeling en door het te bespreken is het dan ook weer gauw opgelost. Of bespreek vooraf met je kind wat hij zou kunnen zeggen tegen de ander.
No-blame aanpak bij pesten
De No-Blame aanpak is een effectief bewezen aanpak om pesten te laten ophouden. Deze aanpak gaat niet uit van straf of schuld, vandaar de naam ‘no-blame’. Het gepeste kind wordt bevraagd naar zijn/haar ervaringen en gevoelens. Vervolgens worden pesters en omstanders bij elkaar geroepen en worden ze bewust gemaakt van de impact op het slachtoffer. Vervolgens wordt er samen gezocht naar een oplossing, waarbij juist de groep wordt gevraagd om oplossingen te bedenken die ze zelf kunnen uitvoeren. Oplossingen kunnen bijvoorbeeld zijn:
‘Als ik zie dat iemand pest, zal ik zeggen dat dat niet fijn is.
Ik maak een praatje met hem, of zeg ‘goedemorgen’. Ik lach hem/haar niet meer uit over zijn/haar kledingstijl.‘
Juist de betrokkenheid en verantwoordelijkheid van omstanders maken deze interventie effectief.
Verantwoordelijkheid bij de groep
Pesten is meestal een probleem waarbij niet één, maar meerdere kinderen betrokken zijn met verschillende rollen. Zo zijn er ‘meelopers’ en ’toeschouwers’. Dat maakt dat pesten een groepsgebeuren is waardoor meerdere kinderen verantwoordelijk zijn. Ben je ’toeschouwer’ zou je ook je verantwoordelijkheid kunnen nemen om er iets van te zeggen. Of door niet meer met de pester ‘mee te lopen’. Het is namelijk de groep die het pesten ondersteunt, toelaat en zo in stand houdt. De groep heeft echter ook de keuze en mogelijkheid om het pesten te melden of af te keuren of de groepsnorm voor omgang met elkaar te veranderen.
Als een pester geen steun meer krijgt van de groep zal zijn gedrag minder ‘stoer’ worden, hij zal er geen zelfvertrouwen en voordeel meer mee behalen. Vanuit deze gedachte kun je juist de groep in schakelen bij het zoeken naar een oplossing voor een pestprobleem. Niet de leerkracht, vader of moeder, maar de groep wordt uitgedaagd om het probleem op te lossen met eventueel ondersteuning van een volwassene. Vanuit deze filosofie werkt de no-blame aanpak met een vast stappenplan van acties om in te zetten. Op school heb ik deze werkwijze meerdere keren succesvol ingezet waarbij kinderen met verrassend goede oplossingen kwamen!
Hoe herken je of je kind gepest wordt?
Kinderen die gepest worden, praten daar meestal niet snel over. Soms heeft het slachtoffer het gevoel dat het zijn/haar eigen schuld is, ze schamen zich of denken dat ze niet geloofd worden. Signalen dat je kind niet lekker in zijn vel zit, of ergens mee zit kunnen zijn:
- Buikpijn
- Niet naar school willen
- Slecht slapen, piekeren
- Hoofdpijn
- Zichzelf isoleren en afzonderen van anderen
- Opeens sterk dalende schoolresultaten
- Woede uitbarstingen
Het is soms lastig om hier op de juiste manier naar te vragen. Wordt je gepest? is vaak een te directe vraag. ‘Ik heb de indruk dat de laatste tijd iets niet in orde is met jou, klopt dit? Of ‘ik heb het gevoel dat je je niet zo fijn voelt, klopt dit?’. Wil je kind niets zeggen, laat dan weten dat je kind altijd op een later moment bij je terecht kan. Soms werkt het ook om juist ‘wondervragen’ te stellen zoals:
- Stel dat er een wonder gebeurt vannacht, en morgen is alles anders op school, wat zou er anders zijn? Welke kinderen zouden anders doen?
- Stel dat jij kon toveren en een spreuk kon uitspreken dat er niet meer gepest werd, wat zou je dan toveren?
- Welk cijfer geef je deze dag? Wat zou er anders moeten gaan om een punt hoger te krijgen?
Pestprotocol en anti-pest coördinator
De meeste scholen hebben een anti-pestprotocol waarin staat hoe de school pestgedrag signaleert en aanpakt. Een pest-protocol is niet verplicht, wel moet iedere school een beleid hebben gericht op het aanpakken en tegengaan van pesten. Op veel scholen is er een pest-coördinator aangesteld waar zowel jij als ouder, maar ook je kind terecht kan met vragen. De leerkracht die hiervoor het aanspreekpunt is vangt de gepeste leerling (en de ouders) op. Samen brengen ze de situatie in kaart en bekijken ze welke vervolgacties mogelijk zijn om de situatie op te lossen. Daarnaast is natuurlijk het contact met de eigen leerkracht belangrijk. Hij/zij ziet jouw kind elke dag en vaak spelen pestsituaties zich ongemerkt in een groep af.
Geraadpleegde bronnen:
Pestweb, www.pestweb.nl
Pesten is laf, www.pestenislaf.nl
Borstlap, S en N. Overzee, De No-blame methode, in: informatiebrochure cursus omgaan met pesten. www.noblame.nl
Kanjertraining, www.kanjertraining.nl
Dit blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht en intern begeleider in het basisonderwijs. Op de school waar ze werkzaam is, is ze de anti-pestcoördinator en interne vertrouwenspersoon.
Rekenen in en om het huis
Is rekenen nu niet bepaald een hobby voor je kind en kan hij best wel wat extra’s gebruiken? Goed nieuws, want de cijfers zijn overal. Er is hulp in elke hoek van de kamer. Het vraagt alleen om een frisse mind-set van jou als ouder; een nieuwe kijk op rekenen en wat daar allemaal bij komt kijken. Probeer er eens een paar dagen een sport van te maken om te ontdekken wanneer je overdag zelf rekent of cijfers nodig hebt om tot je einddoel te komen. Vaker dan je dacht! De belasting-aangifte, de sudoku in de krant, de kilometer-vergoeding op je werk, het opmeten van het nieuwe tuinhek.
TIP Heb je een opfrisbeurt nodig omdat je niet meer precies weet welke rekenstof in welk schooljaar behandeld wordt? Snuffel eens rond op het Squla-account van je kind bij het vak rekenen of leen of koop het ‘Het grote rekenboek’ met een overzicht van alle basisschool-lesstof op het gebied van rekenen.
Meten = weten
Er bestaan thuis eindeloos veel manieren om je kind in
contact te laten komen met cijfers en rekenen. Heb je bijvoorbeeld in het
weekend een klus-project in of om het huis? Betrek je kind erbij en leg de
focus op cijfers. Geef je kind een rolmaat, leg hem de werking uit van een
waterpas, leg een doosje spijkers en een plank klaar en……rekenen maar. Geef je
kind tijdens het klussen een aantal opdrachten. Laat hem bijvoorbeeld met de
rolmaat de omtrek of oppervlakte uitrekenen van jullie tuin of geef hem de
opdracht om de uitkomst van een (uitdagende) som in spijkers in een plankje te
slaan. A je to: niet alleen die klus af, maar ook die reken-kennis
bijgespijkerd.
Creatief met cijfers
Is je kind graag creatief bezig? Maak dan gebruik van deze ingang tot leren en doe eens creatief met cijfers. Het is bewezen dat het werken met zowel handen als hoofd zeer bevorderend werkt voor de opname van kennis: twee vliegen in 1 klap dus voor jouw creatieveling! Er zijn eindeloos veel creatieve materialen die zich uitstekend lenen om met cijfers en rekenen te oefenen.
Tips voor een creatief reken-moment:
- Koop een bus scheerschuim en leg een plastic kleed op tafel: zelfs voordat jullie begonnen zijn tover je gegarandeerd een lach op het gezicht van je kind! Is je kind nog een kleuter, begin dan met het ‘tekenen’ van de cijfers. Je kind leert zo spelenderwijs de vormen van de cijfers door deze met de hand na te tekenen. Voor oudere kinderen kun je met je vinger of een sateprikker sommen in het schuim schrijven die je kind oplost. En natuurlijk nog even lekker kliederen als het werk erop zit…
- Ga aan de slag met pasta (als je geen ongekookte pasta in je voorraadkast hebt, dan kun je ook bijvoorbeeld lego of kapla gebruiken). Geef je kind opdrachten, zoals bijvoorbeeld: ‘maak een slang van ongeveer 20 cm’. Leg een liniaal of rolmaat klaar voor je kind om te controleren of het klopt. Je kunt ook een aantal bakjes neerzetten en opdrachtjes verzinnen samen. Bijvoorbeeld om 30 stukjes pasta gelijk te verdelen over 3 bakjes. Bij oudere kinderen kun je de moeilijkheidsgraad natuurlijk opvoeren.
- Koop een schijf piepschuim bij de hobbywinkel. Snij deze samen in gelijke stukken, bijvoorbeeld 6 punten, en ga aan de slag met het leren van breuken! Tover de punten om tot een mooie taart met verf, glitters, slagroomtoefjes van bijvoorbeeld watjes, kaarsjes van ijsco-stokjes en vlammetjes van gekleurd karton. Als jullie taart af is dan kunnen jullie een aantal verhaaltjessommen gaan doen met breuken. ‘Als er 3 mensen op je verjaardag komen en de taart mag op, hoeveel punten mag elke gast dan opeten?’.
- Maak samen koekjesdeeg en creëer alle cijfers van 1 tot en met 10 een paar keer (of gebruik uitsteekvormpjes). Vergeet ook niet om een plusteken, minteken en een =-teken te maken. Bak de koekjes in de oven en…jullie eigen rekenset is nu klaar! Maak samen een paar sommen en eet daarna je lievelingscijfer gewoon lekker op.
Rekenen met sport & spel
Houdt je kind van sport en spel? Ook dan is er ruim baan voor cijfers! Er zijn natuurlijk talloze standaard-spellen waarbij je kind meer leert of cijfers en over rekenen, zoals bijvoorbeeld Monopoly of Rummikub. Oudhollandse spelletjes zoals Bingo en Sjoelen laten je kind ook scores bijhouden en cijfers herkennen. En dan hebben we het alleen nog maar gehad over spelletjes binnen, maar ook buiten leert je kind onwijs veel van sport & spel. Geef je kind eens een stopwatch mee naar buiten (of gewoon de stopwatch op een mobiele telefoon) en een blocnote en geef een opdracht mee. Bijvoorbeeld: loop tien rondjes rond het pleintje, meet bij elke ronde hoe lang je erover doet en reken daarna je gemiddelde rondetijd uit. Voor jongere kinderen is het al heel leerzaam om een rondje te rennen en de tijd van een ronde op te meten en op te schrijven. Je kunt dan eventueel ook nog een uitleg geven over tijd (uren, minuten, seconden).
Bekijk tot slot toch ook vooral eens samen die favoriete game, als je kind die (al) heeft. Je kind zal het erg waarderen dat je eens meekijkt in zijn wereld en het zal je wellicht verbazen hoeveel je kind hiervan kan leren. Praat samen over zijn topscore en laat je kind in zijn woorden uitleggen hoe je meer punten kunt vergaren. Utopia bestaat dus echt voor ons als ouders: kinderen die gamen én leren. GAME OVER 😉
Al doende leert men
Het lijkt erop dat spreekwoorden en gezegdes zo langzamerhand met uitsterven bedreigd worden. Veel kinderen kijken verbaasd als ze een spreekwoord horen, ze hebben vaak geen idee wat de betekenis is. Hier kunnen onze kinderen niets aan doen. In de praktijk worden spreekwoorden doorgaans veel minder gebruikt dan dat vroeger het geval was, dus kinderen komen er minder mee in aanraking. Aangezien je taal nog altijd het snelst leert uit de praktijk is het logisch dat het spreekwoord niet zo leeft onder de meeste van onze kinderen. Dat jij als ouder zo nu en dan, als het relevant is, een spreekwoord gebruikt in de praktijk is dus super waardevol voor de taalkennis van jouw kind.
TIP Probeer eens een week lang de uitdaging aan te
gaan om elke dag ten minste 1 spreekwoord te gebruiken in een gesprek met je
kind. Bij de vragende blik van je kind pak je meteen je podium en leg je in
geuren en kleuren uit wat je exact wilde zeggen met dat spreekwoord.
Er kraait geen hond naar, of was het nou een haan?
Het komt nogal eens voor dat spreekwoorden en gezegdes door elkaar worden gehaald of worden getransformeerd tot een geheel ‘nieuwe’ uitdrukking. Kijk hier voor een aantal voorbeelden. Het is dus voor onze kinderen van groot belang dat wij het 100% correcte voorbeeld geven. Probeer je eigen kennis op te vijzelen indien je denkt dat dat nodig is, zodat je er zeker van bent dat jouw kind thuis het juiste gebruik van spreekwoorden en gezegdes aanleert.
Vergeten wat het exacte verschil is tussen een spreekwoord en gezegde? Het zijn allebei ‘uitdrukkingen’, met het grootste verschil dat er in een gezegde nooit een werkwoord voorkomt (bijvoorbeeld ‘met hart en ziel’).
TIP Heb je twijfels of een spreekwoord/gezegde goed toegepast wordt? Check bijvoorbeeld de site van Genootschap Onze Taal of koop/leen een kinder-spreekwoordenboek, bijvoorbeeld van Van Dale.
Waar een wil is, is een weg
Dat jij besloten hebt om meer je best te gaan doen om ook thuis de Nederlandse taal (nog) beter over te brengen is mooi, maar wat nu als je kind er totaal niet naar taalt? Kinderen die nu opgroeien zijn in de praktijk doorgaans eerder gefascineerd door een flitsend beeldscherm, dan door een grote lap ‘platte’ tekst. De hersenen van onze kinderen lijken meer en meer ingericht op ‘snelle’ prikkels. Het kost kinderen daarom steeds meer moeite om de tijd te nemen voor een stuk tekst of om het geduld op te brengen om de betekenis van een onbekend woord op te zoeken. Je zult dus van goede huizen moeten komen om dit varkentje te wassen. Kruip, om een begin te maken, eens in de wereld van je kind en koppel het leren van taal aan zijn grootste passies. Daar is immers altijd een ingang tot leren!
TIP Ontwerp samen met je kind zijn of haar eigen tijdschrift. Stel een hobby, passie of interesse van je kind centraal als onderwerp voor het tijdschrift en zoek samen op internet van alles op over dit onderwerp. Maak er samen ook een sport van om alle spreekwoorden op te zoeken omtrent het onderwerp dat je kind gekozen heeft en verwerk deze in het tijdschrift. Knutsel (digitaal of op papier) een mooie kaft met een pakkende titel. Heeft je kind bijvoorbeeld zijn hobby ‘zwemmen’ gekozen dan kies je als titel van het tijdschrift bijvoorbeeld ‘Als een vis in het water’. Je kind leert zo spelenderwijs veel over spreekwoorden en heeft als eindresultaat een geweldige verrassing voor bijvoorbeeld zijn opa, juf of vriend.
Als er één schaap over de dam is, volgen er meer
Zodra je voor jezelf hebt besloten om het oefenen van ‘taal’
wat centraler te stellen thuis, dan zul je zien dat de rest vanzelf volgt. Misschien
begin je wel met het oefenen van meer spreekwoorden voor je zoon en is het je
dochter die stiekem ook alle betekenissen oppikt. Misschien waait het ook wel
over naar je partner en redt het ‘taalvirus’ het zelfs naar je werk. Je zult
zien dat het als een lopend vuurtje gaat. Het zal de spreekwoorden en gezegdes
voor de wind gaan, allemaal dankzij jouw inzet…..
P.S.: Heb je geteld hoeveel spreekwoorden en gezegdes er verwerkt zitten in bovenstaande tekst? Is jouw kennis nog steeds scherp als een mes? Oefen hier samen met je kind in groep 5, 6 en 7 alle spreekwoorden op Squla !
Het rekenmuurtje
In mijn vorige blog over het rekenmuurtje leg ik je uit hoe kinderen leren rekenen. Bij kinderen met rekenproblemen in de bovenbouw komt het heel vaak voor dat de rekenbasis uit de onderbouw niet goed gelegd is. In principe moeten kinderen in groep 6 de ‘5 drempels’ beheersen. Als dit niet het geval is, is het net zoals bij een muurtje: de onderste stenen zijn wankel en de toren valt dus om! In de volgende afbeelding (Bandstra, 2014) zie je de 5 verschillende drempels die kinderen tegen komen:
Tafels: super belangrijk!
De juf of meester van groep 4 en 5 zal het vaak zeggen: de tafels leren is belangrijk! Het is niet alleen belangrijk dat kinderen het rijtje goed op kunnen dreunen, maar ook ALLE tafels in willekeurige volgorde door elkaar heen kennen is een must! In de bovenbouw ga je namelijk echt rekenen met tafels. Als je kind bepaalde tafelsommen niet kent en een vermenigvuldiging oplost door te rekenen, dan bevatten de moeilijke tafels veel sommen waarbij het tiental doorbroken wordt.
Bijvoorbeeld: 9 × 8
Sommige kinderen rekenen dit uit via herhaald optellen:
5 × 8 = 40 en vervolgens de verdere tafel-rij: 40 + 8, 48 + 8, 56 + 8, 64 + 8. Hierin kunnen heel wat fouten gemaakt worden.
Het kennen van de tafels in groep 5/6 is nodig om in de bovenbouw te kunnen vermenigvuldigen en delen met grotere getallen en ook bij het rekenen met breuken en procenten.
Bijvoorbeeld:
7 × 85 vraagt een goede beheersing van de tafels:
7 × 80 = 560, 7 × 5 = 35
Of het uitrekenen van 3/8 deel van 64 óf 40% van 1200… Allemaal tafels!
Daarnaast kan het zo zijn dat je kind in groep 4 of 5 de tafels goed kende, maar dat in de bovenbouw deze kennis weer is weggezakt. Veel van de bovenbouw groepen die ik heb lesgegeven ben ik het schooljaar begonnen met herhaling en extra oefening van de tafels.
Rekenproblemen vanaf groep 5
Uit onderzoek (Notenboom, 2014) blijkt dat bij de eerste drempel (rekenen onder 10) de langzame leerlingen in vergelijking met de snelste leerlingen, twee tot drie jaar meer tijd nodig hebben om deze drempel te beheersen. Dat betekent dat je kind in groep 4, 5 of 6 wellicht de sommen tot 10 nog niet vlot (genoeg) kan maken. Vaak kunnen kinderen de sommen wel oplossen, maar hebben hier nog te veel tijd bij nodig, of rekenen ze nog tellend.
Hierdoor loopt je kind vervolgens vast bij sommen met optellen en aftrekken tot 100 en 1000 wat al wel in groep 5 en 6 gevraagd wordt. Eenvoudige sommen als 30 + 50 en 80 − 50, maar ook 300 + 500 en 800 − 500 maken gebruik van de vlotte basiskennis van drempel 1.
Bij drempel 3 (optellen en aftrekken met doorbreking van het 10-tal, bijvoorbeeld 14+8, 12-7) beheerst 20% van de kinderen halverwege groep 8 (vooral bij de minsommen) dit nog niet. Sommige kinderen krijgen dit zelfs helemaal niet onder de knie.
Hulpmiddelen: de tafelkaart
Sommige kinderen krijgen de tafels zelfs na meerdere jaren oefenen toch niet geautomatiseerd. Vanaf drempel 3 is er, vooral bij leerlingen die uitstromen naar VMBO-BB/KB, sprake van blijvende achterstand. Vooral bij de moeilijke tafels (6, 7, 8, 9). Dit kan een enorme frustratie en belemmering bij het rekenen geven. Daarom wordt er in dit geval vaak gekozen om na groep 6 een hulpmiddel in te zetten. Bijvoorbeeld een tafelkaart om de sommen op de mogen ‘spieken’. Hierdoor kunnen kinderen in de bovenbouw toch ook sommen zoals breuken en procenten leren maken met behulp van een tafelkaart.
‘Ik kan niet rekenen’
Helaas zijn veel kinderen in de bovenbouw inmiddels onzeker geworden over hun rekenprestaties. Om kinderen toch een trots gevoel te geven op wat ze wél kunnen gaf ik in de klas vaak niet ‘zomaar’ de tafelkaart waarop ALLE sommen stonden. Eerst ging ik met het kind samen met een zwarte stift de vakjes ‘zwart’ maken van de sommen die ze wél weten. Op de tafelkaart staat bijvoorbeeld de tafel van 1, nou al die sommen weet je kind wel! Wat een stralende lach als we die dan allemaal door kunnen strepen 🙂 Uiteindelijk ziet je kind dat er heel veel sommetjes zijn die hij wél kan. En voor die paar ‘moeilijke’ mag hij op de tafelkaart spieken. In samenwerking met Squla heb ik een tafelkaart ontwikkeld.
Een eigen leerlijn
Vanaf eind groep 6 is er vaak al een beetje zicht wat voor type vervolgopleiding bij je kind past. Heeft jouw kind moeite met de lesstof? Dan is helaas de basisschool een onderwijsvorm waarbij niet alle (andere) talenten van jouw kind tot zijn recht komen. Op de basisschool zit je tenslotte met kinderen in de klas die uitstromen naar VMBO, HAVO, Atheneum of Gymnasium. Kortom heel veel verschillende niveaus! Kinderen met ‘praktische’ talenten en kinderen met ’theoretische’ talenten.
Kinderen die uitstromen naar het VMBO BB/KB hoeven niet alle rekendoelen tot en met eind groep 8 te beheersen. Het rekenen/wiskunde onderwijs van deze middelbare scholen sluit aan op eind groep 6 niveau. Dit betekent dat als je weet dat een VMBO opleiding past bij jouw kind; je de rekendoelen van het rekenen kunt ‘uitsmeren’ over meerdere jaren. Het streven van beheersing tot de groep 7 stof t.t.v. het einde van groep 8 betekent dat je bijvoorbeeld de lesstof van groep 5 nog eens een extra jaar kunt herhalen terwijl je kind in groep 6 zit. Dit noemen we een eigen leerlijn. De eigen leerlijn wordt de laatste jaren dan ook vaker ingezet i.p.v. doubleren.
Natuurlijk is rekenen een belangrijk vak, maar er zijn ook heel veel beroepen waarin jouw kind kan uitblinken, zonder dat hij hoofdrekenen nodig heeft. Voor veel kinderen in de bovenbouw die bepaalde drempels van het rekenmuurtje echt niet beheerst krijgen, is het werken met een eigen leerlijn dan ook een uitkomst!
Dit blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht en intern begeleider bovenbouw in het basisonderwijs
Geraadpleegde Literatuur:
Bandstra,P, Bareka online rekentoetsen / het rekenmuurtje, https://www.bareka.nl
Danhof, W. Bandstra, P., Hofstetter, W., (2014) Rekendrempels nemen, Volgens Bartjens, 34 (3), p. 4-7
Notenboom, (2014) Over de drempels van de basisvaardigheden… , Volgens Bartjens, 34 (3), p. 32-34
Het rekenmuurtje
Leren rekenen is te vergelijken met het bouwen van een muur. Het is een opeenstapeling van stenen (rekenkennis) met cement (vaardigheden). Maar als de onderste stenen niet stevig genoeg staan, dan vallen ook de bovenste stenen om. Dus als jouw kind de sommen tot 20 niet snel kan maken, zal hij/zij daar in groep 7 bij sommen tot 1000 onnodige rekenfoutjes maken. Daarom spreken we vanuit de literatuur van een ‘rekenmuurtje’ (Bandstra, 2014) als je over de fases van het leren rekenen praat. Daarnaast wordt het rekenmuurtje van Bareka op sommige scholen of RT-praktijken gebruikt om de rekenproblemen inzichtelijk te maken middels een rekentoets.
Hoe leren kinderen rekenen?
Rekenbegrip in groep 1-2
Rekenen is meer dan optellen en aftrekken van sommen. Al in de kleuterklas wordt de basis voor het zogenaamde getalbegrip gelegd. Kinderen leren dat een getal een hoeveelheid is. Bijvoorbeeld 5 blokjes bij het getal 5. Ook zijn rekenbegrippen een voorwaarde om te leren rekenen. Denk daarbij aan begrippen zoals: meeste/minste, evenveel, meer dan../minder dan.., grootste/kleinste, lichtste/zwaarste. Woorden die voor ons volwassenen heel vanzelfsprekend zijn, maar voor je kind heel abstract zijn.
Fase 1: sommen tot 20 en splitsen
Hoewel de focus in groep 3 op het leren lezen ligt, wordt in groep 3 een belangrijke basis gelegd voor rekenen. Optellen, aftrekken en splitsen tot en met 10.
Bijvoorbeeld: 5 + 3 en 7 − 4, maar ook het getal 7 splitsen in 4 en 3. Het vlot kunnen splitsen van getallen en zien welke getallen samen 10 kunnen vormen helpen enorm bij het vlot kunnen rekenen. Samen vormen ze een setje om 10 te maken. Als kinderen deze setjes direct kunnen koppelen, worden heel veel sommen veel makkelijker. Goed oefenen dus!
TIP: gezelschapsspellen zoals Hali Gali, Granny apples, Regenwormen, Ganzenbord, Sjoelen, of spelletjes met dobbelstenen oefenen spelenderwijs het rekenen tot 10.
Bij het maken van sommen tot 20 komt je kind twee nieuwe soorten sommen tegen:
- Rekenen met een tiental erbij (13 + 4 =)
- Rekenen over het tiental heen ( 9 + 5 =)
Bij de eerste soort sommen zoals 13 + 4 = is het tiental moeilijk, maar als je kind dit begrijpt kan hij vervolgens ook sommen zoals 23 + 4 uitrekenen. Toch hebben kinderen niet altijd door dat dit een zelfde soort som is. En als in de bovenbouw sommen komen zoals 523 + 4 lopen ze hier op vast. Je kind moet door hebben dat het tiental hetzelfde blijft, maar dat de eenheden erbij komen.
Bij de tweede som, rekenen over het tiental heen komt rekeninzicht kijken. Een kind met rekeninzicht rekent de som 9 + 5 = bijvoorbeeld als volgt uit: 10 + 5 – 1 = 14.
Negen ligt dicht bij de tien. Tien plus 5 rekent makkelijker.
Kinderen die weinig rekeninzicht hebben, gebruiken de rijgstrategie: 9 + 1 + 4 = 14. Je vult aan tot tien en doet vervolgens de rest erbij. Beide manieren zijn goed. Het is dus belangrijk om goed stil te staan bij de manier van uitrekenen.
TIP: Vraag aan je kind hoe hij gerekend heeft. Ook als je kind al snel het antwoord geeft. In de klas is hier helaas niet altijd tijd voor.
Getalbegrip tot 100
Tussen de eerste fases van het rekenmuurtje hoort wederom getalbegrip, maar nu het begrip van getallen tot 100. Bijvoorbeeld weten dat 34 minder is dan 43 en ook weten hoe je deze getallen uitspreekt. Maar ook kunnen ‘springen’ op de getallenlijn.
Bijvoorbeeld:
Sprongen van 10: 17 – 27 – 37 – 47 – 57-…
Sprongen van 5 terug: 55 – 50 – 45 – 40 – 35 – …
TIP: ‘spring’ samen met je kind getallen tot 100. Een sprong telt voor 10 en een stap voor 1. Spring bijvoorbeeld naar 35, of spring met sprongen van steeds 10 verder of terug uit.
Kinderen leren in deze fase:
- Splitsen van getallen tot 10
- Plus- en minsommen maken tot 10 en vervolgens tot 20
- Door- en terugtellen tot 100
- Door- en terugtellen met sprongen van 2, 5 en 10
Fase 2: tafels en deeltafels
Bij het leren van de tafels wordt vaak gestart met de tafel van 1, 2, 5 en 10. Vaak hebben kinderen voorafgaand al geleerd om met sprongen van 2, 5 of 10 te tellen. Vermenigvuldigen is tenslotte herhaald optellen (2+2+2+2 = 4×2). Leuke tips om de tafels te oefenen lees je in mijn blog.
Automatiseren
Kinderen die in groep 6,7 of 8 moeite hebben met rekenen kunnen veel baat hebben bij het oefenen van de onderste bouwstenen. Vaak lossen kinderen deze sommen nog tellend op, of zijn sommen onder de 20 nog niet vlot geautomatiseerd.
Bij automatiseren is herhaling heel belangrijk. Dagelijks 5-10 minuutjes getal- of rekenoefeningen doen in de vorm van een spelletje is een leuke speelse manier om dit thuis te oefenen. Stichting leerplan ontwikkeling (SLO) heeft een handige lijst opgesteld met bord- en gezelschapsspellen per rekenfase.
Ook kun je af en toe een sommendictee doen. Je noemt een som en je kind schrijft het antwoord op. Daarnaast kun je beter meerdere keren per week 5 minuutjes oefenen dan ineens heel lang. Door kort te oefenen en dagelijks te herhalen wordt het beter onthouden.
Rekendrempels
Volgens Notenboom (2014) blijkt uit onderzoek dat veel kinderen er moeite mee hebben om de basisvaardigheden van rekenen onder de knie te krijgen. De benodigde basiskennis die het fundament vormen voor het goed kunnen rekenen noemt men rekendrempels. Zoals je hiervoor gelezen hebt is rekenen te vergelijken met een muurtje. Waarbij bij het leren van de volgende drempel, beheersing van de onderliggende drempel nodig is.
De sommen die de basiskennis vormen, zijn verdeeld over vijf ‘drempels’:
- Optellen en aftrekken tot 10 ( 4+3, 7- 4)
- Getallenlijn tot 100
- Optellen en aftrekken over 10 tot 20 (8+7, 15-7)
- Bouwsteensommen tot 100 (47+30, 67-40, 35+7, 35-7)
- De tafels en de deeltafels
In principe is het de bedoeling dat bij de overgang van groep 5 naar groep 6 al deze rekendrempels geleerd zijn. Helaas kunnen kinderen vaak deze sommen nog niet vlug genoeg maken, waardoor het juist goed is om dit ook nog met oudere kinderen te blijven oefenen.
Echter in de rekenmethode in de klas wordt al wel doorgegaan met nieuwe onderwerpen zoals breuken, procenten, delen enzovoorts. Het helpt daarom echt enorm om juist die basis te blijven oefenen.
Dit artikel is geschreven door Shelby Vos-van Andel, intern begeleider en leerkracht bovenbouw.
Geraadpleegde Literatuur:
Bandstra,P, Bareka online rekentoetsen, https://www.bareka.nl
Danhof, W. Bandstra, P., Hofstetter, W., (2014) Rekendrempels nemen, Volgens Bartjens, 34 (3), p. 4-7
Notenboom, (2014) Over de drempels van de basisvaardigheden… , Volgens Bartjens, 34 (3), p. 32-34 SLO, http://rekenspel.slo.nl/rekenspellen/perdrempel
Landelijke staking
Op 30 en 31 januari organiseren de Algemene Onderwijsbond (AOb) en de FNV een onderwijsstaking. Alle vormen van onderwijs doen hieraan mee, van basisschool tot het voortgezet onderwijs. De kans is groot dat jouw kind die dagen dus niet naar school kan.
Waarom een staking?
Waarom staken de leraren en wat is het doel van de staking? De AOb wil duidelijk maken dat er een structureel investeringsplan nodig is voor het onderwijs. In 2020 hebben 55 duizend leerlingen in het basisonderwijs geen leraar voor de klas en dit aantal loopt, als er niets gebeurt, op naar bijna 240 duizend leerlingen in 2028. Ook middelbare scholen kampen met tekorten bij de exacte vakken, klassieke talen, Duits en Nederlands. De boodschap is helder: het kabinet moet structureel extra investeren in het onderwijs, voor de toekomst van onze kinderen en de generaties die volgen!
Leraren staan onder druk
Het AOb is er van overtuigd dat alleen met die structurele investering de dalende prestaties van leerlingen en de lerarentekorten tegengegaan kunnen worden. Want leraren staan in deze tijd onder grote druk. Niet alleen worden de groepen steeds groter, veel leraren durven zich niet ziek te melden vanwege het lerarentekort. Ook wordt er veel gewerkt met invallers, wat weer een negatief effect heeft op de continuïteit. Zonde, want het gaat allemaal ten koste van de kwaliteit van het onderwijs.
En goed onderwijs is belangrijk; het helpt leerlingen en studenten hun talenten te ontdekken en verder te ontwikkelen. Volgens het AOb moeten onderwijsuitgaven dan ook niet gezien worden als kostenpost, maar als investering. In onze toekomst, maar vooral… in die van onze kinderen. Het is belangrijk dat dit kabinet én de komende kabinetten structureel meer geld uittrekken voor onderwijs, zodat de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs er niet onder lijdt.
Carrièreperspectief voor leraren en de loonkloof
Op dit moment is het niet aantrekkelijk om te kiezen voor een carrière in het onderwijs. Daarom pleit de AOb om de achterstanden in te lopen; de werkdruk moet omlaag en de salarissen omhoog. Op die manier wordt de aantrekkelijkheid van het beroep ‘Leraar’ vergroot en kunnen de tekorten worden opgelost. Op de website van het AOb lees je er meer over.
Wat vertel je je kind?
Misschien wil je kind graag weten waarom hij niet naar school gaat. Leg hem dan gerust uit dat leraren vinden dat er te weinig geld beschikbaar is om goed les te geven en dat ze op donderdag 30 en vrijdag 31 januari, met alle andere leraren van Nederland, gaan protesteren om te kijken of ze de situatie kunnen veranderen. Waarschijnlijk vertelt school hier zelf ook al wat over. Tip: Kijk ’s avonds samen naar het Jeugdjournaal om te zien hoe de staking is verlopen. Misschien ziet je kind zijn juf of meester wel op tv!
Inspiratie voor de vrije dag
Zo’n staking is natuurlijk hartstikke goed. Maar misschien levert het jou ook de nodige stress op, omdat je geen vrije dag kunt regelen. Hoe vang je zo’n extra vrije dag op? We geven je graag wat inspiratie.
1. Gratis Squla spelen
Squla denkt graag met je mee en daarom zetten we Squla In De Klas op 30 en 31 januari de hele dag open: ‘Het Grootste Digitale Klaslokaal van Nederland!’ Alle kinderen kunnen de hele dag gratis Squla spelen en lekker aan de slag met onze spelletjes en quizzes. Om Squla In De Klas te kunnen spelen, moeten kinderen vanuit school de inloggegevens krijgen. Check dit dus even bij de leraar. Voor meer informatie én de leukste downloads: squla.nl/grootste-digitale-klaslokaal.
2. Opa en oma
Misschien hebben opa en/of oma zin om vandaag een extra dagje op pad te gaan met de kleinkinderen? Koop bijvoorbeeld entreekaartjes voor een leuk museum voor je ouders en je kinderen. Kun jij gewoon naar je werk, dank je wel opa en oma!
3. Speeldate
Alle kinderen hebben vrij op donderdag 30 en vrijdag 31 januari. Misschien kun je wat regelen met andere moeders en vriendjes van je kind? Samen spelen is natuurlijk net zo gezellig als op school!
4. Trek er op uit
Ben je vrij op donderdag of vrijdag of kun je een vrije dag opnemen? Zo’n extra vrije dag is een ideaal moment om een pretpark te bezoeken. Wat dacht je van de Efteling of een dagje Duinrell? Maar jullie kunnen natuurlijk ook gaan zwemmen, naar de bioscoop, het bos of strand, kinderboerderij, bibliotheek of kijk of er een leuke activiteit voor kinderen wordt georganiseerd bij jou in de buurt.
5. Extra tip:
Sommige opvanglocaties, BSO’s, sportverenigingen en bibliotheken organiseren leuke activiteiten voor kinderen op deze stakingsdagen. Informeer ernaar bij organisaties bij jou in de buurt.
We wensen alle leraren veel succes op deze stakingsdagen!
Squla is trotse deelnemer aan de zesde editie van JINC Baas van Morgen. Op 23 januari 2020 staat CEO Serge Bueters voor de derde keer zijn stoel af. Bilal en Ibrahim van basisschool Narcis-Querido uit Amsterdam mogen een nieuw product bedenken voor hun leeftijdsgenoten in groep 7 en 8. In totaal doen maar liefst 317 ‘bazen’ in Nederland mee aan het evenement.
De jonge bazen staat de 23ste een spannende dag te wachten. Ze ervaren hoe het is om een bedrijf als Squla te leiden; van het voorzitten van de stand-up, tot het brainstormen over een nieuw product voor hun leeftijdsgenoten in groep 7 en 8. Voor Serge Bueters en de andere CEO’s is het een mooie kans om ideeën van de volgende generatie te leren kennen. Bueters: “De overgang van de basisschool naar de brugklas is voor veel kinderen een lastige. Om deze transitie beter te laten verlopen zijn wij aan het kijken hoe we kinderen in groep 7 en 8 kunnen voorbereiden op de middelbare school. Bilal en Ibrahim weten als geen ander wat belangrijk is voor deze groep. We hechten veel waarde aan hun mening, ze hebben echt iets te zeggen vandaag!”
Met Baas van Morgen willen Squla en JINC, een non-profitorganisatie die strijdt tegen kansenongelijkheid onder jongeren, de aandacht vestigen op het feit dat een succesvolle loopbaan niet voor iedereen is weggelegd. Want wie geboren wordt in een omgeving met veel armoede en weinig rolmodellen, heeft minder kans om het ver te schoppen dan leeftijdsgenootjes uit rijkere wijken. Hoe slim of talentvol hij verder ook is.
Serge Bueters zegt hierover: “We geloven dat kinderen beter meekomen op school, door ze meer zelfvertrouwen en leerplezier te geven. Dit verdient elk kind. Daarom bieden we Squla gratis aan op scholen en zijn we erg blij dat we samen met JINC nu ook ons steentje kunnen bijdragen aan de kansen van jongeren uit wijken met sociaaleconomische achterstand.” De jonge bazen ontvangen vandaag ook een ‘Beloftekaartje’, waarmee Bueters en de andere CEO’s de belofte doen dat de kinderen later in hun carrière nog eens een beroep op ze mogen doen.
JINC Baas van Morgen wordt dit jaar voor de zesde keer gehouden. Er doen kinderen en bazen mee uit Amsterdam, Arnhem, Breda, Flevoland, Groningen, Haaglanden, Kennemerland, Leeuwarden, Leiden, Oost-Brabant, Rotterdam-Rijnmond, Tilburg, Utrecht, Zaanstad en Zuid-Limburg.
—————————— EINDE PERSBERICHT ——————————
Media zijn van harte welkom om langs te komen om verslag te doen van JINC Baas van Morgen bij Squla. Aanmelden kan via Inge Verberk. E-mail: inge.verberk@squla.com. Telefoon: 06-48793094.
Squla wil dat alle kinderen met plezier naar school gaan zodat ze goed meekomen op school. Squla gelooft dat elk kind talent heeft. En we weten ook dat als kinderen met plezier leren en op hun eigen niveau, er grote stappen mogelijk zijn in leerresultaten. Oefenen met Squla geeft ze zelfvertrouwen en leerplezier.
Squla wil dat alle kinderen met plezier naar school gaan zodat ze goed meekomen op school. Squla gelooft dat elk kind talent heeft. En we weten ook dat als kinderen met plezier leren en op hun eigen niveau, er grote stappen mogelijk zijn in leerresultaten. Oefenen met Squla geeft ze zelfvertrouwen en leerplezier.
Squla is een aanvulling, bedoeld als hulpmiddel, om elk kind op zijn eigen niveau en in zijn eigen tempo te stimuleren. Doordat kinderen oefenen op hun eigen niveau, boeken ze snel vooruitgang. Samen met ouders en leerkrachten helpen we kinderen dagelijks om het beste uit zichzelf te halen.
Op dit moment oefenen en spelen ruim 150.000 kinderen gemiddeld 90 minuten per week thuis op Squla. Squla biedt voor scholen een gratis login om ook tijdens schooltijd de les te verrijken met de online quizzen en games. Meer dan 600.000 basisschoolleerlingen maken hier op dit moment gebruik van.
Ieder kind heeft talent. Ook de honderdduizenden Nederlandse kinderen die opgroeien in een omgeving met veel werkloosheid en weinig rolmodellen. Daarom strijden we voor een maatschappij waarin je achtergrond niet je toekomst bepaalt. Een Nederland waarin ieder kind kansen krijgt.
Om dat te bereiken, helpen we kinderen van 8 tot 16 jaar aan een goede start op de arbeidsmarkt. Via het JINC-programma maken ze kennis met allerlei beroepen, ontdekken ze welk werk bij hun talenten past en leren ze solliciteren. Zo krijgen dankzij JINC jaarlijks meer dan 47.000 basisschool- en vmbo-leerlingen de kans om te groeien.
JINC werkt samen met het onderwijs en partners uit het bedrijfsleven. Hun financiële steun en expertise zijn onmisbaar. De partners krijgen er iets waardevols voor terug: de kans om een verschil te maken in het leven van kinderen én de kans om te investeren in hun bedrijf. Ze versterken hun binding met de maatschappij en bieden werknemers een inspirerende ervaring.
Daarom zeggen we graag: iedereen groeit met JINC.
Komende weken maken veel kinderen van groep 3 tot en met 8 de Leerlingvolgsysteem-toets (LVS-toets) op de kernvakken rekenen en taal. Een spannend moment, dat voor stress kan zorgen. Voor kinderen én hun ouders. En dat is helemaal niet nodig, want het toetsmoment is niet het allerbelangrijkst: het gaat erom hoe je kind zich over langere tijd ontwikkelt. Hoe leid je je kind zo ontspannen mogelijk door deze periode heen?
Krijgt mijn kind genoeg uitdaging? Hoe goed is mijn dochter in rekenen? Kan mijn zoon het niveau in de klas wel aan? Veel ouders maken zich gedurende het schooljaar zorgen over hun kind. Uit onderzoek van Squla onder ruim 600 respondenten blijkt dat 33 procent van de ouders met kinderen in groep 7 en 8 zich bezighoudt met de vraag of hun kind wel voldoende studievaardigheden heeft, stressbestendig is en of hij/zij wel op niveau presteert.
Blokkadestress
Ook in lagere klassen zijn ouders bezorgd. Met name over de prestatiedruk, die de afgelopen jaren in het basisonderwijs is toegenomen. ‘Kinderen moeten op jonge leeftijd al te schools leren en te veel kunnen,’ concludeerde het programma De Monitor al in 2016 in De kleuter onder druk. De veeleisende lesmethodes en het grote aantal toetsmomenten op de basisschool zou volgens deze documentaire tot stress en gedragsproblematiek bij kinderen kunnen leiden.
Faalangstbegeleider Pia Crul herkent dat. ‘De prestatiedruk op scholen neemt alleen maar toe,’ vertelt zij. ‘Sommige kinderen hebben het gevoel pas “goed” te zijn als ze hoog scoren op hun toets. Ze worden afgerekend op een resultaat dat ze onder spanning hebben behaald. Terwijl: een toets is maar een momentopname. Het zegt niets over hoe een kind in elkaar zit. Het is goed als ouders zich daarvan bewust zijn.’
Crul schreef het praktijkboek Lefgasten en ontwikkelde een methode om kinderen van hun faalangst af te helpen. Ze merkt dat leerlingen vaak last hebben van ‘blokkadestress’: thuis en in de klas lukt het prima met de lesstof, maar zodra er een toets moet worden gemaakt, gaat het mis. Bij jonge kinderen uit stress zich meestal in fysieke klachten. Zij kunnen niet altijd aangeven dat ze spanning ervaren, omdat ze nog niet snappen wat er in hun hoofd gebeurt. ‘Vooral buikpijn en niet naar school willen zijn veel gehoorde symptomen van stress’ zegt Crul.
Vertrouwd met de vraagstelling
Om te zorgen dat hun kind de lesstof kan bijbenen, gaan veel ouders op zoek naar extra ondersteuning. Het aantal instituten dat hulp biedt bij de lesstof is het afgelopen decennium flink gegroeid. Uit het onderzoek van Squla blijkt dat zeker de helft van de kinderen uit groep 7 en 8 gebruikmaakt van extra leermiddelen, zoals huiswerkbegeleiding, bijles en educatieve boeken, websites en apps. Dat doen ze om hun rekenvaardigheden, begrijpend lezen en taal op te schroeven, maar ook om te oefenen voor de toetsen.
Toch raden veel scholen af om toetsen te oefenen. De uitslag wordt erdoor vertroebeld, waardoor leerkrachten geen goed beeld meer krijgen van de ontwikkeling van het kind en hoe hij ervoor staat. Wat wél kan helpen: oefenen met de vraagstelling, zodat je kind daar vertrouwd mee raakt. ‘Op de LVS-toetsen wordt er vaak meer context gebruikt in de vraagstelling dan in ‘gewone’ methodetoetsen,’ legt leerkracht Shelby Vos uit. ‘Sommige kinderen raken hiervan in paniek en maken de toets hierdoor minder goed dan ze zouden kunnen. Om je kind kennis te laten maken met de vraagstelling kunnen er voorbeeldvragen worden geoefend, bijvoorbeeld van Squla. Hierdoor krijgen ze meer zelfvertrouwen en worden ze niet verrast door de vraagstelling op het moment dat ze de toets maken.’
Volgens Crul is het daarnaast belangrijk dat ouders niet te veel nadruk leggen op de toets. Je kunt beter complimenten geven op het moment dat je kind de lesstof begrijpt en goed toepast. ‘De kans is dan groter dat je kind zich zeker voelt en tijdens het toetsmoment net zo ontspannen is als thuis, in plaats van dat hij dichtklapt.’ Het kan ook goed werken om complimenten te geven op het ‘doen’, in plaats van het ‘zijn’’, zegt Crul. Zeg niet ‘Wat ben je toch slim’, maar: ‘Wat heb je dat goed gedaan.’ Crul: ‘Je kind kan niets veranderen aan wie hij is, maar wel op wat hij doet. Als je dat benadrukt, geeft dat je kind zelfvertrouwen.’
Een continurooster
Bij een continurooster blijft je kind op school eten. Hierdoor zijn kinderen aaneengesloten op school en daardoor ’s middags eerder vrij. Het continurooster kan op verschillende manier vorm gegeven worden. Zo zijn er scholen die alle dagen identieke lestijden hebben, waarbij de vrije woensdag- en vrijdagmiddag vervalt. Maar er zijn ook scholen die wel deze middagen vrij houden en op de andere dagen meer uren maken. De school is hierin vrij om te kiezen, zolang het wettelijk aantal uren maar gemaakt wordt (7520 uur in 8 basisschooljaren).
Is een continurooster beter?
Er zijn beperkte resultaten van onderzoek naar het ritme van kinderen in relatie tot hun functioneren en leerprestaties. Wel wordt er gesuggereerd dat de beste tijd om met aandacht en concentratie te werken tussen 10:00-12:00 uur en tussen 14:00-16:30 uur ligt (2015, DUO onderwijsonderzoek). Dat zou betekenen dat een continurooster leerlingen op biologisch gezien ongunstige leertijden valt. Tussen 12 en 14 uur zou het volgens Driessen (2010) juist beter zijn te ontspannen met rust, beweging en recreatie. Daarna neemt het concentratievermogen van leerlingen weer toe. Wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van het continurooster is er (nog) niet. Wel is er bekend dat de omvang van de leertijd (het aantal lesuren) veel minder van belang is voor de leerprestaties dan de leskwaliteit (goede lessen). Veel voor- en nadelen zijn dan ook een persoonlijk oordeel.
10 voordelen van een continurooster
Sinds 2007 zijn scholen verplicht om te zorgen voor de voor- tussen- en naschoolse opvang. Hierdoor zijn steeds meer scholen overgegaan naar een continurooster. De opvang tussen de middag is namelijk vaak een probleem om te regelen. De leidsters hiervoor werken vaak op vrijwillige basis en met steeds meer werkende ouders is het moeilijk om aan vrijwilligers te komen. Bij een continurooster maakt het overblijven deel uit van de schooltijd en eten de kinderen op school, meestal met de leerkracht. De voordelen:
- De school is eerder uit, waardoor kinderen ’s middags langer kunnen spelen en de leerkracht op de middag een langere tijd voorbereidingstijd en nakijktijd heeft.
- Kinderen hoeven maar 1x naar school; er is meer regelmaat omdat ze op dezelfde plek blijven. Ook ouders hoeven ze maar 1x te brengen en te halen.
- Er hoeven geen overblijfmoeders of TSO gefaciliteerd te worden.
- Voor werkende ouders is het vaak praktischer met hun baan dat de kinderen een aaneengesloten langer gedeelte van de dag op school zijn.
- Alle dagen zijn hetzelfde qua tijden; regelmaat en ritme.
- Als je kind nog een jonger (baby)broertje of zusje heeft, hoeft deze ook maar 1x heen en weer meegenomen te worden.
- De naschoolse opvang, sport en hobby verenigingen hebben ’s middags meer tijd voor activiteiten.
- De kinderen komen maar 1x binnen, de overgang naar de middag is minder rommelig. Kinderen komen dus ook maar 1x te laat.
- Vast persoon; kinderen blijven in de klas eten en hoeven dan niet aan een andere overblijfkracht te wennen.
- Kinderen hoeven maar twee keer door het drukke verkeer, in plaats van 4x van school naar huis, dus veiliger.
10 nadelen van een continurooster
Het continu rooster is een andere manier van de lestijden invullen. Hierdoor is het op veel scholen zo geregeld dat de leerkracht met de kinderen eet en ook bij het buiten spelen surveilleren de leerkrachten vaak om toerbeurt. Dit wordt door leerkrachten vaak als nadeel ervaren. Andere nadelen zijn:
- De school is met een continurooster eerder uit, dus als kinderen bijv. al vanaf 14:00 uit zijn; moet je als ouder al vanaf die tijd je kind ophalen of extra opvang regelen.
- De tijden van het continurooster vallen niet in de meest gunstige lestijd voor de concentratie van leerlingen. Tussen 12-14 uur blijkt uit onderzoek (Driessen, 2010) juist het moment van rust, ontspanning en recreatie van belang zijn.
- Indien je kind naar de buitenschoolse opvang (BSO) gaat, dan is hij/zij hier langer; dus worden ook de kosten van naschoolse opvang vaak hoger voor ouders. Tussenschoolse opvang voor overblijven is vaak veel goedkoper.
- Voor sommige kinderen is het juist heel prettig om halverwege de dag een ‘break’ te hebben en eventjes naar huis te kunnen om in een rustigere, vertrouwde omgeving tot rust te komen, om zich daarna weer goed te kunnen focussen.
- Leerkrachten werken langere tijd aaneengesloten en hebben dus geen mogelijkheid materialen tussen de middag klaar te leggen voor het middagprogramma. ‘Boeken, werkboeken, verf, knutselspullen, rekenspullen, taalspullen; waar laat je alles?‘
- Je kunt als ouder niet kiezen tussen wel of niet laten overblijven. En eet dus 5 dagen niet samen met je kind.
- Kleuters maken met het continurooster evenveel uren als bovenbouwkinderen, wat soms nog te vermoeiend voor jonge kinderen is. Een extra middag thuisblijven voor 4 jarigen is dan ook niet meer mogelijk.
- Ondanks dat leerkrachten recht hebben op pauze; zie je in de praktijk vaak dat leerkrachten tot van 08:00-14:00 door gaan. Het eetmoment en het buitenspelen wordt soms wel met collega’s afgewisseld, maar ook als je op het plein surveilleert als leerkracht; heb je niet echt een rust moment.
- Als leerkracht eten met een klas is anders dan eten met collega’s. Je hebt ook in je pauze verantwoording voor de kinderen. En wanneer ga je even naar de wc??
- Officieel zou je als leerkracht na het lange lesblok bij een continurooster om 14:00 uur verplicht pauze moeten pakken; laat dat nu juist het moment zijn waarop ouders laagdrempelig even iets kunnen vragen, vergaderingen gepland zijn of zorggesprekken plaats vinden. ‘Sorry ik heb nu pauze??’
Mijn mening
Ook op de school waar ik werk is ook de discussie om over te stappen naar een continurooster gevoerd. Daarbij was ik als leerkracht fel tegenstander. Ondanks dat ik me kan vinden in de voordelen voor kinderen en ouders vond ik het als leerkracht een groot nadeel dat er geen pauzemoment was voor mijzelf. Juist die pauze zonder kinderen is een moment waarop ik me oplaad om daarna weer fris en energiek voor de klas te staan.
Als je ’s morgens al voor 9 vakken alle spullen klaar moet zetten, is dit veel voorbereiding in één keer. Aangezien wij nu tussen de middag een pauze hebben van ruim een uur heb ik dan altijd nog even tijd om een leuke les voor de middag klaar te zetten of alvast wat extra na te kijken. Naar mijn idee zijn mijn lessen beter en sprankelend als ik er met veel energie in ga. Uiteindelijk is de ‘kwaliteit’ van het onderwijs belangrijk!
Gesprekken met collega’s en even opladen in een pauze moment is iets waar ik veel waarde aan hecht. Werkdruk is tenslotte een groot aandachtspunt in het onderwijs! Samen met collega’s eten is toch een andere pauze dan ondertussen op je klas te moeten letten. Daarnaast werk ik veel met kinderen met leer- en gedragsproblemen. Juist voor deze kinderen is het vaak fijn om even een momentje rust te hebben en naar huis te kunnen in een rustige omgeving.
Goed onderwijs!
Ik denk dat de voor- en nadelen door iedereen anders ervaren worden, en als je eenmaal weer gewend bent aan een ander ritme zowel leerkrachten als kinderen zich aanpassen. Toch is het vreemd dat de effecten van een continurooster niet duidelijk wetenschappelijk onderzocht zijn; het belangrijkste is dat er gekeken wordt wat voor de kinderen goed is! En laten we ons vooral focussen op GOED onderwijs! ‘Daarbij wordt wel opgemerkt dat andere dan biologische factoren minstens zo belangrijk zijn, zoals de specifieke manier van lesgeven van de leerkracht en het creëren van een omgeving die de prestaties van leerlingen gedurende de hele schooldag bevordert. (Driessen, 2010)
Bronnen:
Grinsven, V. van, en T. Beliaeva. 2015. Rapportage Nieuwe schooltijden in het basisonderwijs. Utrecht, (PFD) DUO Onderwijsonderzoek.