Hoe stimuleer je leesplezier? Juf Shelby geeft tips!

Juf Shelby

Leren lezen wordt altijd als belangrijk gezien, maar leesplezier is misschien wel het allerbelangrijkste voor een succesvol leesproces. In dit blog leg ik je alles uit over leesplezier op de basisschool en waarom het voor mij als leerkracht één van de belangrijkste doelen is in het leesonderwijs. En check ook de tips voor thuis!

Wat is leesplezier?

Met plezier gaan lezen noemen we leesplezier. En als je iets leuk vindt, doe je het automatisch vaker. Hoe vaker je iets doet, hoe makkelijker het wordt. Geen wonder dat er op de basisschool veel aandacht besteed wordt aan leesplezier. Want hoe vaker kinderen lezen, hoe makkelijker, sneller en beter het zal gaan, maar ook hoe meer begrip je kind van een tekst krijgt.

Lezen heb je voor bijna alle basisschoolvakken nodig, denk maar eens aan aardrijkskunde, geschiedenis maar ook verhaaltjessommen en redactiesommen bij rekenen. Eigenlijk is heel onze maatschappij opgebouwd uit geschreven taal. Uit de Onderwijsmonitor van Squla (2021) blijkt dat kinderen op de basisschool over het algemeen plezier ervaren in het lezen. Maar hoe houd je dat vast? Verder in dit blog geef ik je enkele tips!

Begrijpend lezen en leesplezier

Als kind was ik een goede lezer. Als ik terug denk kwam dit vooral omdat ik ontzettend veel boeken gelezen heb over paarden en dieren. En ik ging regelmatig met mijn moeder naar de bibliotheek. Ik denk dat ik mijn leeskilometers dan ook vooral thuis gemaakt heb. Begrijpend lezen, was ondanks dat ik een zeer goede lezer was; een vak wat ik verschrikkelijk saai vond. Verplicht teksten lezen over een onderwerp wat mij niet aansprak motiveerde me niet.

Gelukkig zijn de lesmethodes voor begrijpend lezen door de jaren heen verder ontwikkeld. Op de school waar ik werk, werken we met Nieuwsbegrip waarbij kinderen een actuele nieuwstekst (op passend niveau) krijgen. Veel leuker dan die saaie teksten die ik vroeger moest lezen. Mede daarom heb ik geleerd om als juf actief in te zetten op leesplezier, zéker bij begrijpend lezen!

Hoe ontwikkel je leesplezier?

Uit de onderwijsmonitor van Squla (2021) blijkt dat 83% van de kinderen vindt dat ze goed kan lezen. Dat is een hele belangrijke voorwaarde voor leesplezier.

TIP: Wil jouw kind een boek lezen van een hoger of lager AVI niveau? Geen probleem. Leesniveau stijgt volgens Zwijsen (2020) simpelweg door te lezen, los van het AVI niveau . Een beetje uitdaging kan goed zijn, maar soms is een (te) simpel boek wat gaat over een interessant onderwerp juist ook fijn en leest dit lekker makkelijk weg.

Motivatie en interesse

Denk eens terug aan de tijd dat je zelf op school zat; wat las jij het liefste? Vaak iets wat je interessant vond. Welke onderwerpen vindt jouw kind leuk, of heeft hij favoriete schrijvers? Het allerbelangrijkste is de interesse van jouw kind! Een informatief boek over ruimtevaart kan ondanks moeilijke technische begrippen toch ontzettend interessant zijn. 43% van de jongens vindt lezen zonde van hun tijd, tegenover maar 28% van de meisjes (Squla onderwijsmonitor, 2021). Dus zeker voor jongens is het belangrijk om te zoeken naar een boek wat past bij hun interesse. Vertel natuurlijk ook wat jij vroeger leuk vond om te lezen.

TIP: zoek samen boekentips op genre, leeftijd of interesse van je kind op internet of in de bibliotheek.

Leesplezier op school

Voorlezen

In de klas wordt op verschillende manieren aan leesplezier gewerkt. Eén van de belangrijkste is voorlezen. Door kinderen voor te lezen laat je ze kennismaken met verhalen en genres die kinderen anders niet ontdekt hadden. Zo weet ik nog dat mijn meester vroeger voorlas uit ‘De Griezelbus’ van Paul van Loon. Vervolgens is dit één van mijn lievelingsschrijvers geworden en heb ik daarna heel wat griezelboeken gelezen.

Praten over een boek

Door kinderen te laten praten over een boek of een boekbespreking te laten houden kunnen ze elkaar enthousiast maken voor een boek. Op de website van Hebban kunnen kinderen zelf een recensie met sterren over een boek schrijven en bijhouden welke boeken ze gelezen hebben. Voor sommige kinderen werkt dit heel motiverend. Of op een meterstrook van een bekende Zweedse woonwinkel de bladzijdes bijhouden die gelezen zijn.

Kennis laten maken met verschillende boeken

In de klas wordt tijdens taallessen aandacht besteed aan boeken. Soms staan er fragmenten van een boek als start van een les. Maar ook maken kinderen kennis met andere type teksten zoals informatieboeken, gedichten, kranten, prentenboeken (ook leuk om vanaf groep 5 voor te laten lezen aan de kleuters). Vaak wordt er ook een creatieve opdracht aan gekoppeld zoals een poster maken, een Powerpoint presentatie of een verslag. Allemaal om elkaar te inspireren en enthousiast te maken voor verschillende boeken. Als juf las ik weleens een kort fragment uit een boek voor, waarna de kinderen vaak enthousiast waren om het te gaan lezen. Ook zorgde ik altijd voor een goed gevulde boekenkast die regelmatig van inhoud wisselde.

Leesplezier thuis bevorderen

‘De helft van de kinderen leest niet dagelijks, en een kwart bijna nooit.‘ (Onderwijsmonitor Squla, 2021).

Veel ouders denken dat als kinderen eenmaal kunnen lezen, ze dit voldoende doen op school. Natuurlijk wordt er op school regelmatig gelezen, maar ondanks dat ik zelf een zeer goede lezer was, vond ik thuis lezen altijd het fijnst. Lekker een rustig plekje, onder een kleedje op de bank is toch veel relaxter dan in een klas met allerlei achtergrondgeluiden en prikkels? Daarnaast zijn de leesmomenten op school vaak (te) kort en bij een spannend verhaal is het heerlijk om jezelf helemaal te verliezen in een boek.

Tip 1: maak een gezellige leeshoek

Een boek lezen tussen de kussens of in een tentje maakt de beleving extra leuk. Het prikkelt de fantasie. Zorg voor verschillende type boeken die in een boekenmand of kast makkelijk te pakken zijn. Of maak een speciaal plankje of kastje in de speelkamer waarop een boek zichtbaar gepresenteerd wordt. Dit stimuleert om het te pakken.

Tip 2: voorlezen

Ook thuis zorgt voorlezen voor meer leesplezier. Zelfs tot in groep 8 vinden kinderen het heerlijk om voorgelezen te worden. Andere varianten zijn; om de beurt een hoofdstuk lezen, toneellezen, met gekke stemmetjes lezen of je kind zelf laten voorlezen, bijvoorbeeld aan jou of een broertje of zusje.

Voorlezen zorgt bij oudere kinderen ook nog voor herkenning en verbinding. Het is een gezellig sociaal momentje samen en je kunt eenvoudig belangrijke levenslessen, gevoelens of sociale kwesties bespreekbaar maken. Even geen tijd om samen te lezen? Op Yoleo.nl kun je met je bibliotheekpas gratis luisterboeken lenen.

Tip 3: maak boeken uitzoeken ‘speciaal’

Een bibliotheekabonnement is gratis voor kinderen. Je kunt met dit abonnement ook kiezen uit een heleboel digitale boeken en luisterboeken. Maak van een boek uitzoeken iets speciaals. Zo mag mijn dochtertje iedere Kinderboekenweek al vanaf baby af aan een nieuw boek uitkiezen. Een gloednieuw ingepakt boek heeft toch iets speciaals, alleen al de geur van het papier! Er zijn overigens ook veel gratis leen- en ruilmogelijkheden voor boeken. Denk maar eens aan ruilen met een vriendje of vriendinnetje of kijk eens bij de Kringloop.

Tip 4: stimuleer en motiveer

Geef je kind complimenten als hij een boek pakt en ‘beloon’ als je kind een boek gelezen heeft. Leuke manieren hiervoor zijn bijvoorbeeld stempels op een leeskaart, een leesbingo of een leesdiploma. Laat je kind zelf boeken uitkiezen maar ook tijdschriften, stripboeken en moppenboeken kunnen soms meer motiveren dan een gewoon boek. Door samen naar een verfilming of theatervoorstelling van een boek te kijken stimuleer je om het boek daarna te lezen. Of kies samen een boek uit voor op het verlanglijstje van je kind.

Lezen met plezier is niet alleen belangrijk om goed te leren lezen, het is ook een heerlijk gevoel als je je helemaal verliest in de fantasiewereld van een boek. Natuurlijk wordt er op school aan leesplezier gewerkt, maar thuis heb je de ideale rustige omstandigheden om ‘lekker’ te lezen, samen boeken uit te zoeken en je kind te motiveren; maak hier gebruik van! Veel leesplezier!

Dit blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht en intern begeleider van groep 5-8 in het basisonderwijs.

Geraadpleegde bronnen:
Onderwijsmonitor van Squla over leesplezier, 2021

Redactie. (2019, 21 oktober). Voorlezen aan oudere kinderen? 6x hierom doen. JM Ouders. https://www.jmouders.nl/voorlezen-aan-oudere-kinderen-6x-hierom-doen/Voorlezen aan oudere kinderen, 6x hierom doen.

Thuisonderwijs lezen. (2020, 18 december). Kinderboekenjuf.nl. https://www.kinderboekenjuf.nl/leesbeleving/thuisonderwijs-lezen/

Uitgeverij Zwijsen. (2020, 25 oktober). AVI-lezen: veelgestelde vragen. https://www.zwijsen.nl/leren-lezen/avi-lezen-veelgestelde-vragen/

OnderwijsMonitor

De Onderwijsmonitor is uit! Over wat lezen voor kinderen leuk maakt en met handige tips voor ouders.

Waarom kinderen in de eerste schoolweken vaker dwars, boos of chagrijnig zijn: juf Shelby legt uit.

Juf Shelby

De vakantie is al een paar weken voorbij, je kind is zo’n 2-3 weken in de nieuwe groep gestart en ineens merk je dat zijn of haar gedrag verandert. Je kind is sneller boos, lijkt dwars te doen of barst thuis ineens uit in tranen of een driftbui. Herkenbaar? Je bent zeker niet de enige.
In dit blog leg ik uit waar dit gedrag vandaan komt én hoe je er als ouder of leerkracht mee om kunt gaan.

Overprikkeling: te veel nieuwe indrukken

Stel je voor dat jij bij een nieuwe baan begint: alles is anders, je moet wennen aan je nieuwe baas, waar alle spullen liggen en aan de werksfeer en hoe iedereen met elkaar omgaat. De eerste periode is vaak erg intensief. Dit is exact wat jouw kind ook ervaart!

De start van een schooljaar (en zeker voor kinderen die starten in groep 0 of 1) zit vaak vol nieuwe prikkels. Een ander lokaal, een nieuwe juf of meester, een ander dagritme en soms hogere verwachtingen. Allemaal nieuwe prikkels. En wat is daar vaak een reactie op? Boos worden, tegendraads doen of jezelf terugtrekken (het emmertje is na zo’n schooldag met prikkels gewoon sneller vol). López et al. (2025) beschrijven dat juist de overgang naar school (groep 0/1 of kleutergroep) veel spanning oproept, waardoor tijdelijk meer emotionele uitbarstingen of terugvalgedrag zichtbaar kan zijn.

Wennen aan ‘volgzaam’ zijn

De dagen in de vakantie waren hoe dan ook anders, dagen waarop je kind veel meer autonomie had. Op school is het ritme veel strakker: op tijd opstaan, regels volgen, meegaan in de activiteiten van de klas. Die vaste structuur op school geeft enerzijds ‘veiligheid’, maar vraagt ook veel aanpassingsvermogen. Je ziet vaak dat kinderen op school keurig meegaan in de groepsactiviteiten, maar thuis ineens in de weerstand gaan. In de veilige omgeving van thuis hebben ze weer autonomie (wat eigenlijk heel gezond is). Maar daardoor hoor je dus thuis ineens ‘ik wil dit niet’, ‘waarom moet dit zo?’. Eigenlijk een ultieme poging van je kind om even weer zelf de controle te hebben.

Opstandig gedrag is een compliment voor jou

Een schooldag vraagt enorm veel energie (ook spelen in de zandbak als kleuter… denk maar eens aan conflictjes zoals wie de schep als eerste mag). Kinderen moeten zich concentreren, luisteren, samenwerken en leren. Wanneer ze thuiskomen, is hun batterij vaak helemaal leeg. Juist bij hun eigen ouders voelen ze zich veilig genoeg om spanning los te laten. Dat verklaart waarom een kind dat op school heel rustig was, thuis ineens ontploft. Opstandig gedrag is dus eigenlijk een compliment voor jou, dat je kind zich veilig genoeg voelt bij jou om zichzelf te zijn en zich te laten gaan. (ik weet het, dit klinkt gek… maar weinig kinderen laten zich in een groep klasgenoten helemaal ontladen… en thuis is het veilig en vertrouwd om dit wel te doen).

Recente onderzoeken laten zien dat het gedrag van kinderen in de eerste schoolweken nauw samenhangt met hun vermogen om emoties en gedrag te reguleren. Zo benadrukt Adynski et al. (2024) dat kinderen die beter kunnen omgaan met hun emoties, minder vaak boos of dwars gedrag laten zien wanneer ze starten op school. Ook zelfregulatie het vermogen om impulsen te beheersen en aandacht vast te houden blijkt volgens Gys et al. (2024) een belangrijke voorspeller van hoe goed kinderen zich aanpassen in de klas. Emotieregulatie is precies iets wat kleuters nog moeten leren, wat vaak vooral op jonge leeftijd voor dit opstandige gedrag zorgt.

Daarnaast spelen sociale vaardigheden een grote rol. Uit onderzoek van Ünlüer et al. (2024) blijkt dat kinderen die beter begrijpen wat anderen denken en voelen (de theory of mind), makkelijker vriendjes maken en minder vaak grensoverschrijdend gedrag laten zien.

Kortom: boos of dwars gedrag is vaak geen “onwil”, maar een teken dat kinderen nog bezig zijn om hun emoties, zelfbeheersing en sociale vaardigheden in te zetten in een nieuwe, spannende omgeving of deze nog volop aan het ontwikkelen zijn omdat ze nog jong zijn.

“Een boze bui is vaak een uitlaadklep en geen onwil.” – Juf Shelby

Sociale vaardigheden: soms lastiger dan rekenen of taal

Voor veel kinderen is het leren van sociale vaardigheden minstens zo moeilijk en soms zelfs moeilijker dan het leren van rekenen of taal. Waar je sommen en letters stap voor stap kunt oefenen, zijn emoties en omgangsvormen complexer én zeker in een grote klas! Hoe weet je wanneer je moet wachten op je beurt? Hoe leer je zeggen dat je iets niet fijn vindt, zonder boos te worden? Dat zijn grote, complexe stappen, vooral voor een kleuter. Je kunt je kind hierbij helpen door sociale situaties hardop te verwoorden (“Kijk, je vriendje wil ook met de bal spelen, zullen we het samen doen?”), door samen te oefenen met rollenspellen, of door boekjes te lezen over vriendschap en gevoelens. Benoem vooral positief gedrag dat je ziet: “Wat fijn dat je even wachtte tot je aan de beurt was.” .

Emotionele spanning en onzekerheid

Probeer je in te leven in de spanningen van je kind. Een nieuw schooljaar roept veel vragen en onzekerheden op, zelfs nog in groep 3 t/m 8. Dingen die voor ons volwassenen inmiddels klein lijken zijn voor je kind vaak groots (misschien herinner je ze zelf ook nog van je basisschooltijd). En juist de kinderen met de stoerste grote mond, hebben echt het kleinste hartje. Ieder kind heeft zijn onzekerheden.

Kan ik dit wel?
Wie zijn mijn vriendjes?
Hoor ik erbij?
Wat verwacht de juf of meester van mij?

Doe ik het goed?

Groepsvorming in de gouden weken

Met name in de eerste 6 weken van het schooljaar is bij veel kinderen in het gedrag merkbaar dat ze het pittig hebben. Dit heeft ook alles te maken met de ‘gouden weken’, de eerste weken van het schooljaar waarin de groep zich vormt in verschillende fases. Lees hier meer over in mijn blog over de gouden weken.

Handige tips tijdens die dwarse eerste schoolweken

  • Begrip en verbinding: door te lezen wat de onderliggende oorzaak is van het gedrag krijg je meer begrip en zachtheid voor deze buien. Laat je kind voelen dat je er voor hem bent, ook als hij boos of verdrietig is. Juist die verbinding maakt dat ze sneller weer in balans komen.
  • Nabijheid: meer nabijheid van papa en mama, samen iets doen en 1 op 1 tijd.
  • Blijf voorspelbaar: duidelijke afspraken over bedtijd en schermtijd bieden houvast.
  • Geef ruimte voor een stapje terug (terugvalgedrag): soms zie je dat kinderen die ineens veel nieuwe dingen te verwerken hebben graag weer een stapje terug doen: ineens met speelgoed spelen waar ze al ‘groot’ voor zijn of zich kinderlijker gedragen. Dit voelt veilig. Geef ruimte voor het stapje terug en vermijd opmerkingen zoals ‘nu zit je op de grote school en ben je groot genoeg om…‘ Dit geeft namelijk onbewust druk.
  • Autonomie: zorg voor veel momenten waarop je kind weer zelf de autonomie mag pakken. Laat je kind eigen kleine keuzes maken: wil je eerst spelen of even uitrusten? Werk je dit sommenblad nu of straks af? Zo voelen ze zich gehoord en houden ze regie.
  • Stel niet te veel vragen: een simpel ‘Hé fijn om je te zien! aan het einde van een schooldag werkt soms beter dan meteen een kruisverhoor met: wat heb je gedaan, hoe was het… etc. Veel kinderen willen pas op een later moment vertellen bijvoorbeeld in bed. Hierdoor hebben ze even wat verwerkingstijd gehad.
  • Geef je kind tijd om te ontladen. Plan niet te veel activiteiten, soms juist lekker even thuis rommelen, een filmmiddagje of iets thuis doen waar je kind graag mee speelt is veel relaxter dan allerlei spectaculaire uitjes.

Als je kind ineens ‘stoute woorden’ gebruikt

Naast boze buien kan het zijn dat kinderen in de eerste schoolweken thuis ineens woorden gebruiken waarvan je schrikt: scheldwoorden, brutaal taalgebruik of uitdrukkingen die je niet van ze gewend bent. Dit komt vaak doordat kinderen op school in aanraking komen met een veel bredere woordenschat dan in de veilige omgeving thuis.

Volgens de sociaal-cognitieve leertheorie van Albert Bandura leren kinderen namelijk ook door modelleren: ze nemen gedrag en taal van anderen over door observatie en imitatie. Horen ze klasgenoten bepaalde woorden gebruiken, dan zullen ze die uitproberen, vaak zonder volledig te begrijpen wat het betekent. Daarbij speelt ook de behoefte aan sociale aansluiting een rol: door hetzelfde taalgebruik te hanteren, willen kinderen erbij horen. Het is een soort van ‘norm’ waarmee ze nu te maken hebben.

Belangrijk is om dit gedrag niet meteen af te doen als ‘slecht’, maar het te zien als onderdeel van hun sociale leerproces. Het is wél waardevol om samen te bespreken wat woorden betekenen, waarom sommige woorden kwetsend zijn en welke taal wél prettig is om te gebruiken. Zo leren kinderen hun woordenschat uitbreiden, maar ook verantwoordelijkheid nemen voor de effecten van hun taal.

Tips voor ouders bij scheldwoorden en brutaal taalgebruik

1. Blijf rustig en reageer neutraal
Kinderen proberen vaak gewoon uit wat ze gehoord hebben. Als jij heel heftig reageert, kan dat het juist aantrekkelijker maken. Zeg rustig: “Dat is een woord dat wij thuis niet gebruiken.”

2. Benoem het effect van woorden
Leg uit waarom bepaalde woorden kwetsend of onaardig zijn. Bijvoorbeeld: “Als je dat zegt, kan iemand zich verdrietig voelen.” Zo leer je je kind om taal te verbinden aan gevoelens en gevolgen.

3. Bied alternatieven
Geef je kind andere woorden of manieren om zich te uiten. Bijvoorbeeld: “In plaats van dat woord kun je zeggen dat je boos bent, of dat je het stom vindt.”

4. Kies je strijd
Niet elk woord hoeft een groot probleem te zijn. Soms is het genoeg om het te negeren, vooral als je merkt dat je kind het juist zegt om aandacht uit te lokken. Kies bewust wanneer je corrigeert en wanneer je het beter even kunt laten gaan.

5. Geef zelf het goede voorbeeld
Kinderen leren vooral door te horen en zien. Gebruik zelf vriendelijk en respectvol taalgebruik, ook als je boos bent. Zo laat je zien dat er andere manieren zijn om emoties te uiten.

“Dit gedrag is meestal tijdelijk, na een paar weken vinden kinderen hun draai en neemt de spanning af. Gun ze die tijd, en vertrouw erop dat jouw geduld, begrip, aanwezigheid en voorspelbaarheid hun grootste houvast zijn.” – Juf Shelby

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht, intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO verdiepte ze zich in gedrag en begeleiding met de Master SEN (Special Educational Needs). Vanuit haar ervaring in de klas én als moeder van Fayenn (6) en Mace (3), schrijft ze onder de naam ‘Juf Shelby‘ over opvoeding, onderwijs en gedrag.

Geraadpleegde bronnen:

Adynski, H., Mares, A., Lyddon, M., & Daneri, M. (2024). The role of emotional regulation on early child school behaviour across settings and informants. Early Childhood Research Quarterly, 72, 251–265.

Bandura, A. (1986). Social foundations of thought and action: A social cognitive theory. Englewood Cliffs, NJ: Prentice-Hall.

López, B. A., Villar, P., & Lafuente, E. (2025). Challenges in the transition to kindergarten and children’s psychological adjustment. Early Childhood Research Quarterly, 73, 15–27

Motivatie in de klas: deze 10 trucjes gebruiken leerkrachten om kinderen te motiveren

Juf Shelby

Als je iets leuk vindt, dan leer je het gemakkelijker… het klinkt zo logisch. En toch is motivatie één van de lastigste dingen in de klas; want hoe motiveer je (alle) kinderen? In dit blog deel ik 10 manieren die leerkrachten gebruiken om leerlingen te motiveren.

Motivatie of ‘MOETivatie’

‘Kinderen zijn van nature nieuwsgierig, gemotiveerd om de wereld te ontdekken en nieuwe dingen te leren‘ (Hornstra et al., 2016). Echter op school is niet ieder kind in de klas even gemotiveerd. Vooral de dingen die ‘moeten’, worden vaak gedaan omdat het van de juf ‘moet’ maar niet omdat het kind er zelf voor gemotiveerd is. Gemotiveerde leerlingen leren makkelijker, met meer plezier én onthouden beter wat ze geleerd hebben. Geen wonder dat er veel aandacht besteed wordt aan de motivatie in de klas.

Om intrinsiek (dus vanuit je eigen belang) gemotiveerd te kunnen zijn hebben kinderen volgens Hornstra et al. (2016) behoefte aan autonomie, dat betekent dat ze zelf mee kunnen sturen en zelfstandig keuzes kunnen maken vanuit hun eigen interesse. Daarnaast hebben kinderen het nodig om zich competent te voelen (Yes, ik kan het!). Vanuit dit perspectief krijg je de beste motivatie. Daarom is het belangrijk om te streven naar intrinsieke motivatie.

Leerkrachten gebruiken verschillende trucjes in de klas om kinderen te motiveren.

1. De belevingswereld van kinderen gebruiken

Door aan te sluiten bij thema’s en onderwerpen die kinderen bezig houden, zijn ze gemakkelijker te motiveren voor een opdracht. Een opdracht die gaat over bouwen in ‘Minecraft’ is een stuk leuker dan een opdracht in het rekenboek over bouwen. Het doel van ‘ruimtelijk inzicht aanleren’ blijft hetzelfde, maar doordat het kinderen aanspreekt gaan ze er met veel meer goede zin mee van start. Door juist in verhalen of een opdracht zoeken naar onderwerpen die kinderen aanspreken, ontwikkelen ze meer motivatie. Ook werkt het vaak goed om met ‘echte’ materialen te werken; dus echte proefjes doen of blokken bouwen in plaats van alles uit het boek. Dit doe je door bijvoorbeeld:

  • Kinderen materialen van thuis mee laten nemen die passen bij het onderwerp.
  • Proefjes te laten doen, voorwerpen gebruiken, zelf laten ontdekken.
  • De leerkracht neemt een voorwerp mee van thuis (eerst verstoppen onder een kleed om de nieuwsgierigheid te wekken).
  • Namen van kinderen uit de klas gebruiken in plaats van de voorbeeldnamen uit het boek (niet: ‘Jantje telt 7 appels… maar een naam uit de klas gebruiken).

2. Verschillende werkvormen toepassen

Door bij de ene opdracht in tweetallen en bij een andere opdracht in groepjes te werken wordt een opdracht afwisselender. Samen leren is vaak leuker dan alleen. Ook zetten leerkrachten deze zogenaamde coöperatieve werkvormen in bij stukjes van de les, zoals bij de introductie van een nieuw onderwerp kinderen eerst in tweetallen laten praten over wat ze al van een onderwerp weten. Andere werkvormen zijn bijvoorbeeld:

  • Denken-delen-uitwisselen: kinderen denken eerst zelf na over het antwoord, delen het dan met een klasgenootje en vervolgens wordt het klassikaal uitgewisseld.
  • Om de beurt: de kinderen zitten in tweetallen. De leerkracht stelt een vraag waarbij meerdere, korte antwoorden mogelijk zijn. Bijvoorbeeld: Welke landen in Europa ken je? De kinderen geven om de beurt een antwoord.
  • Dobbelen: in de klas wordt een tekst gelezen en nabesproken. Daarna gaan de kinderen in groepjes zitten. Elk groepje heeft één of twee dobbelstenen, waarop bijvoorbeeld staat: ‘wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom‘.

3. Afwisseling in verwerking van de leerstof

De manier waarop een opdracht gemaakt wordt, kan ook afgewisseld worden. Het hoeft niet altijd het lesje opschrijven te zijn. Het kunnen ook werkvormen zijn zoals presenteren op een poster wat je geleerd hebt, of een stripverhaal maken over de Romeinen bij geschiedenis. Daarnaast worden er door afwisselende verwerkingsvormen ook andere talenten van kinderen ingezet. Kinderen die muzikaal zijn maken bijvoorbeeld een rap over het onderwerp en kinderen die creatief aangelegd zijn een werkstuk. Deze manier van werken wordt steeds vaker ingezet bij de zaakvakken zoals aardrijkskunde en geschiedenis.

4. Autonomie: zelf meedenken

Uit onderzoek blijkt dat de inbreng van kinderen zelf een positieve invloed heeft op de motivatie. Hierbij krijgen kinderen de mogelijkheid om zelf te kiezen (ook wel autonomie genoemd). Welke opdracht willen ze uitvoeren, met wie en in welke volgorde? Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het werken met een weektaak.

  • Laat kinderen zelf een planning maken.
  • Laat leerlingen zelf inschatten hoeveel tijd ze nodig hebben en hoe ze taken gaan maken.
  • Laat kinderen zelf nakijken.
     

5. Doel van de les uitleggen

Als je weet waarom iets belangrijk is om te leren, dan motiveert dat ook meer om er mee aan de slag te gaan. Aan het begin van de les vertellen leerkrachten dan ook vaak wat er in die les geleerd wordt. Ook zie je de doelen steeds vaker in de lesboeken staan bij het begin van de les. Leerlingen willen graag weten dat wat ze doen de moeite waard is en waarom het nuttig is om te leren. Hierdoor zijn ze meer gemotiveerd als ze begrijpen dat de stof zinvol is en als ze een link kunnen leggen naar hun eigen leefwereld.

6. Manieren van feedback geven

De feedback die kinderen krijgen is ook van invloed op het welbevinden en dus ook de motivatie. Feedback kan prestatie- of inzetgericht zijn. Prestatiegerichte feedback is gebaseerd op het cijfer dat leerlingen gehaald hebben (Een acht, hartstikke goed). Inzetgerichte feedback gaat over hoe het kind zich heeft ingespannen (Ik kan zien dat je hard gewerkt hebt, hartstikke goed). Daarnaast kun je in de feedback aandacht besteden aan het proces (Je hebt het volgens mij beter begrepen dan vorige keer, volgens mij heb je erg je best gedaan). Doelgerichte en persoonlijke complimenten laten kinderen stralen, en werkt motiverend!

7. Belonen als motivatie

Op school worden diverse manieren van belonen gebruikt. Meestal geen ‘materiële’ zaken zoals cadeautjes, maar bijvoorbeeld wel in de vorm van een momentje vrij tekenen, langer buiten spelen of een spel mogen kiezen bij de gymles. Ook werken sommige leerkrachten met een beloningssysteem waar bijvoorbeeld door middel van punten of stickers gespaard wordt voor een beloning. Vaak zijn kinderen hier erg gemotiveerd voor. Als je bijvoorbeeld met de klas samen werkt aan hetzelfde doel ‘je vinger opsteken als je iets wilt vragen’ geeft dit ook een goed groepsgevoel om dit met elkaar te doen. En de beloning is ook met zijn allen!

Soms wordt ook wel eens gekozen om een individueel beloningssysteem in te zetten voor een persoonlijk leerdoel van een kind. Een veelgebruikte methode hiervoor is bijvoorbeeld ‘Kids Skills’. Hierbij werken kinderen aan een eigen vaardigheid en mogen ze aan het einde als beloning kiezen hoe ze dit gaan vieren als het doel bereikt is. Beloningen in de klas zijn bijvoorbeeld:

  • Een klusje of taakje mogen doen voor de leerkracht.
  • Een spelletje tussendoor.
  • Een filmpje kijken of een liedje op het digibord luisteren (zelf gekozen door een leerling).

8. Verplaats je in de kinderen

Elk kind heeft de behoefte om ergens bij te horen en zich gewaardeerd, gerespecteerd en verbonden te voelen. Zowel met klasgenoten als met de leraar. Wanneer de leerkracht luistert naar de wensen, meningen en gevoelens van kinderen is er meer wederzijds begrip. Hierbij erkent de leerkracht weerstanden en probeert hij/zij zich in te leven in de wereld van de kinderen.

9. Erbij horen en verbondenheid

Veel leerkrachten betrekken de kinderen door bijvoorbeeld een schema te maken wie welke klusjes mogen doen. Sommige leerkrachten hebben takenborden of takenlijstjes waarop taakjes staan die kinderen mogen doen. Kinderen voelen zich vaak heel belangrijk als ze een taak mogen doen op school. Ook een positieve sfeer in de klas draagt bij aan de verbondenheid. Kinderen moeten zich vrij voelen om vragen te stellen en niet bang zijn om fouten te maken.

10. Positieve benadering

Het is belangrijk dat de leerkracht persoonlijke aandacht biedt, belangstelling toont en dat kinderen gestimuleerd en bevestigd worden in positief gedrag. Veel leerkrachten gebruiken het trucje van de positiviteit.

  • Eens kijken wie er al netjes klaar zit…
  • Niet: ‘wat zijn jullie druk’, maar ‘wat is er aan de hand?‘
  • In een les waar kinderen door elkaar heen praten: ‘Ik hoor zoveel goede ideeën, maar ik hoor ze allemaal tegelijkertijd ‘.

Deze 10 voorbeelden zijn manieren die veel leerkrachten toepassen. Natuurlijk heeft iedere leerkracht zijn eigen stijl, maar ik denk dat alle leerkrachten hun kinderen graag zien leren in de klas. De leerkrachten die ik gesproken heb gaven vaak aan dat ze vooral de ‘relatie’ met een kind als belangrijkste eerste stap vonden om vervolgens tot leren te komen. Als je lekker in je vel zit, je goed voelt in de klas dan is dat een grote meerwaarde om met plezier te leren.

Dit blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht en intern begeleider in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO heeft ze zich gespecialiseerd in gedrag met de Master SEN- gedragsspecialist.

Geraadpleegde bronnen:
Naast gesprekken met leerkrachten, begeleiders en collega’s heb ik de volgende bronnen geraadpleegd:
– Hornstra, L., Weijers, D., van der Veen, I., & Peetsma, T. (2016). Motiverend lesgeven handleiding voor docenten [Website]. https://www.leraar24.nl/app/uploads/motiverend_lesgeven_handleiding.pdf
– Inzichten uit onderzoek over motivatie. (2019, 18 maart). Leerling 2020. https://leerling2020.nl/inzichten-uit-onderzoek-over-motivatie/
– Kerpel, A. (2019, 6 mei). Coöperatieve werkvormen. wij-leren.nl. https://wij-leren.nl/cooperatieve-werkvormen-artikel.php

De Gouden Weken: een gouden start van het schooljaar

Juf Shelby

Een nieuw schooljaar betekent een frisse start. Vaak bij een nieuwe leerkracht en in een nieuw lokaal. Wat ouders niet altijd weten: die eerste weken draaien om méér dan alleen het uitdelen van boeken of het kiezen van een zitplaats. In het onderwijs noemen we deze periode de gouden weken. Een tijd waarin de basis wordt gelegd voor een veilige sfeer in de klas, positieve groepsvorming én goede samenwerking met thuis. In deze blog lees je wat de gouden weken zijn, waarom kennismaking met ouders juist nu zo belangrijk is, welke activiteiten in de klas centraal staan en wat jij thuis kunt doen.

Wat zijn de gouden weken?

De gouden weken zijn de eerste vier tot zes weken van het schooljaar waarin de leerkracht samen met de klas werkt aan groepsvorming. Want een fijne groepssfeer ontstaat niet vanzelf, daar is aandacht, tijd en begeleiding voor nodig. Zeker als kinderen 6 weken niet bij elkaar in de klas hebben gezeten. Iedereen is in de zomervakantie ‘letterlijk en figuurlijk’ gegroeid. De één heeft wellicht een heerlijke vakantie gehad, bij de ander gingen zijn ouders scheiden. Als iedereen weer de klas in komt, neemt iedereen zijn eigen ‘rugzakje met gedrag’ mee.

In deze weken leren kinderen elkaar (opnieuw) kennen, worden groepsregels opgesteld en ontstaan er afspraken over hoe je met elkaar omgaat. Door hier bewust op in te zetten, ontstaat er een positieve sfeer waarin kinderen zich veilig voelen en tot leren kunnen komen. Het is dus niet voor niets dat veel leerkrachten in deze periode extra investeren in samenwerken, elkaar vertrouwen en het versterken van het groepsgevoel.

Groepsfases

Tijdens de gouden weken doorloopt een klas verschillende fases van groepsvorming. Leerkrachten houden hier bewust rekening mee.

  • Forming: kinderen zijn aftastend en zoeken hun plek.
  • Storming: er ontstaat wrijving, kinderen testen grenzen en rollen.
  • Norming: afspraken worden duidelijk, de groep raakt op elkaar afgestemd.
  • Performing: er is rust, samenwerking en wederzijds vertrouwen.

Elke groep doorloopt deze stappen, met zijn eigen tempo en uitdagingen. Leerkrachten begeleiden dit proces actief met activiteiten, gesprekken en duidelijke kaders. Door te begrijpen dat dit erbij hoort, krijg je als ouder ook meer zicht op wat je kind doormaakt in die eerste weken. Het is dus ook heel normaal dat je kind in de eerste weken wel eens thuis komt met een verhaal over een conflictje met een klasgenoot.

Waarom het soms even ‘schuurt’ in de klas

Vooral tijdens de zogenaamde ‘storming’-fase zoeken kinderen hun plek in de groep. Er worden opnieuw groepjes gevormd, er ontstaat wrijving en grenzen worden getest. Dit gaat vaak gepaard met onzekerheid: ‘Hoor ik er nog wel bij?’, ‘Wie is mijn vriend?’ of ‘Wat vinden anderen van mij?’

Juist in deze fase kunnen er sneller conflicten ontstaan. Kinderen reageren emotioneler, trekken zich terug of laten juist meer haantjesgedrag zien. Dat merk je soms ook thuis: je kind kan prikkelbaarder zijn, zich terugtrekken of klagen over anderen. Het helpt om te weten dat dit gedrag past bij de normale groepsontwikkeling. Als ouder ben je dan al snel geneigd om aan de bel te trekken bij de nieuwe leerkracht. Maar het is goed om te weten dat dit gedrag past bij de normale groepsontwikkeling. Leerkrachten begeleiden dit proces bewust en met aandacht. Door ook thuis ruimte te geven aan gevoelens en hierover in gesprek te blijven, help je je kind om deze fase door te komen en zich opnieuw zeker te gaan voelen in de groep.

Waarom zijn er in de gouden weken vaak kennismakingsavonden voor ouders?

Juist in deze eerste weken nodigen veel scholen ouders uit voor een kennismakingsavond of startgesprek. En dat is niet zomaar. Een goede samenwerking tussen school en thuis begint bij elkaar leren kennen. Voor de leerkracht is het waardevol om van ouders te horen wie hun kind is, waar het blij van wordt of juist onzeker van raakt. En andersom geeft het ouders inzicht in hoe de leerkracht te werk gaat en wat zij kunnen verwachten. Korte lijntjes, een goede overdracht van belangrijke informatie en wederzijds vertrouwen. Het vormt de basis voor een betrokken en fijn schooljaar.

Wat gebeurt er in de klas tijdens de gouden weken?

Tijdens de gouden weken gebeurt er in de klas meer dan je denkt. Natuurlijk wordt er gelezen, gerekend en geschreven, maar er is ook veel ruimte voor spel, samenwerking en gesprek. Denk aan groepsspellen waarbij kinderen moeten samenwerken, kringsgesprekken over ‘hoe we het fijn hebben met elkaar’ of creatieve opdrachten over vriendschap en jezelf voorstellen. Ook worden er vaak klassenregels gemaakt die niet zomaar worden opgelegd, maar samen met de kinderen worden opgesteld. Door dit samen te doen, voelen kinderen zich betrokken én verantwoordelijk voor de sfeer in de klas.

Wat kun je thuis doen?

Als ouder kun je deze belangrijke weken ondersteunen door thuis het gesprek aan te gaan. Vraag niet alleen “Wat heb je geleerd?”, maar bijvoorbeeld “Met wie heb je samengewerkt vandaag?”. Dit soort vragen helpen je kind om stil te staan bij sociale situaties en interacties.

Merk je dat je kind het lastig vindt om met sociale situaties om te gaan? Misschien is je kind vaak haantje de voorste, raakt het snel in conflict met anderen of klaagt jouw kind juist geregeld over het gedrag van klasgenoten. Dit kan als ouder vragen oproepen: moet ik ingrijpen, uitleg geven of oplossingen aandragen? Toch is het juist in deze situaties waardevol om eerst en vooral te luisteren zonder oordeel.

Geef je kind de ruimte om zijn of haar verhaal te doen, zonder het meteen te corrigeren of te voorzien van adviezen. Door open vragen te stellen zoals “Wat gebeurde er precies?” of “Hoe voelde jij je daarbij?” help je je kind om zelf grip te krijgen op wat er speelt. Dit bevordert niet alleen het zelfinzicht, maar ook het vertrouwen dat jouw kind bij jou terechtkan, juist als het even schuurt in de klas. Want leren omgaan met anderen gaat met vallen en opstaan.

Praktische tips om sociale vaardigheden thuis te versterken

Sociale vaardigheden zijn te oefenen en dat begint vaak thuis, gewoon in kleine momenten. Hieronder enkele tips die je eenvoudig kunt toepassen:

  • Geef zelf het goede voorbeeld: kinderen leren veel door te kijken naar hoe jij met anderen omgaat. Benoem bijvoorbeeld als je iemand helpt, sorry zegt of een compliment geeft. Door je eigen gevoelens en keuzes hardop uit te spreken (“Ik was even boos, maar ik heb het rustig uitgelegd”) leert je kind hoe emoties werken.
  • Lees samen prentenboeken over emoties: met jonge kinderen zijn de boeken van Anna van Kathleen Amant of Kikker van Max Velthuijs erg herkenbaar. Ze behandelen thema’s zoals boos zijn, delen, verdriet, vriendschap en zelfvertrouwen op een herkenbare manier. Laat je kind reageren: “Hoe denk jij dat Anna zich nu voelt?”
  • Gebruik hulpboeken bij oudere kinderen: voor wat oudere kinderen (8+) zijn er toegankelijke boeken zoals Grote gevoelens doeboek‘ van Tamar D. Black of ‘ Sterk in je schoenen gesprekskaarten‘ van Bazaltgroep, die op een speelse manier emoties en relaties verkennen.
  • Speel samen herkenbare rollenspellen: oefen situaties die je kind lastig vindt. Bijvoorbeeld: “Stel, iemand zegt dat je lelijke schoenen aan hebt. Wat kun je dan zeggen?” Door dit soort momenten samen na te spelen (een vorm die ook veel gebruikt wordt in sociaal emotionele lesprogramma’s zoals de Kanjertraining) help je je kind om te oefenen met duidelijke, rustige reacties. Je kunt samen verschillende manieren proberen: boos worden, negeren, iets terugzeggen of juist benoemen hoe het voelt. Zo leert je kind wat werkt, en voelt het zich zekerder als zoiets in het echt gebeurt.
  • Gebruik het dagelijks leven: een conflictje met een broertje, een blije verrassing van een klasgenoot of een boze bui na school. Het zijn allemaal kansen om samen terug te blikken: “Wat gebeurde er?”, “Hoe voelde jij je?”.

Groepsvorming vraagt tijd en aandacht

In de eerste gouden weken van het schooljaar gebeurt er veel. Soms is dat zichtbaar, maar vaak speelt het zich ook onder de oppervlakte af. De ‘storming’-fase kan voor kinderen best even lastig zijn: er ontstaan nieuwe groepsdynamieken, grenzen worden verkend en niet alles loopt meteen soepel. Juist daarom is er in deze periode veel aandacht voor groepsvorming, sociaal-emotionele ontwikkeling en de samenwerking met ouders.

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel – Juf Shelby | Bachelor of Education PABO | Master SEN (MSEN) intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs.

Thuis oefenen met lezen, zo maak je het leuk

Juf Shelby

Je kind vindt lezen lastig, en precies dan krijg je vanuit school het advies om thuis nog wat meer te lezen… Maar hoe doe je dat zonder strijd? Hoe zorg je ervoor dat lezen niet voelt als ‘moeten’, maar als iets leuks? In deze blog neem ik je mee in praktische tips die helpen om leesplezier centraal te zetten en het lezen echt leuk te maken.

Dingen die moeilijk zijn, zijn niet leuk

Wat jij lastig vindt, doe je ook liever niet toch? Dat geldt net zo goed voor kinderen. Als lezen moeizaam gaat, kost het veel energie en kan het frustrerend zijn. Die weerstand is dus heel logisch.

Juist daarom is het belangrijk om eerst te erkennen hoe je kind zich voelt. Dat maakt het makkelijker om in gesprek te gaan: ‘Ik snap dat je dit lastig vindt… maar weet je wat het mooie is? Door te oefenen word je beter. En als het beter gaat, wordt het vaak ook leuker.‘

Niet voor niets hameren leerkrachten zo op leesplezier. Plezier is geen extraatje, het is de belangrijkste motor achter leesontwikkeling.

Samen écht zoeken naar dat ene leuke boek

“A reader lives a thousand lives before he dies… The man who never reads lives only one.” George R. R. Martin

Als lezen niet leuk voelt, dan heb je waarschijnlijk nog niet het juiste boek gevonden. Ga samen op ontdekkingstocht. Maak er een missie van. Wat vindt jouw kind écht interessant? Soms zit de sleutel in de belevingswereld van je kind.
Is je kind ergens druk mee? Sluit daarop aan.

Bijvoorbeeld:

  • Een spannend voetbaltoernooi → lees een voetbalverhaal
  • Interesse in games → zoek boeken over gamen
  • Angst of onzekerheid → lees herkenbare verhalen

Lezen wordt dan herkenbaar en relevant.

Veelvoorkomende interesses (groep 3 t/m 5, 7-10 jaar):

Jongens:

  • Voetbal en sport
  • Auto’s en techniek
  • Dinosaurussen
  • Ruimte en planeten
  • Avontuur en actie
  • Moppen en grappige verhalen

Meisjes:

  • Dieren en paarden
  • Vriendschap en schoolverhalen
  • Mode en creativiteit
  • Fantasie en magie
  • Dagboeken en herkenbare verhalen
  • Knutselen en DIY

Dit zijn slechts onderwerpen die in mijn klas populair waren, laat je vooral leiden door jouw kind.
En een boek mag best “te makkelijk” of juist “te moeilijk” lijken. Sommige kinderen vinden bijvoorbeeld het Guinness book of World records mega interessant! Als het interesse wekt, zit je goed!

Andere boeken

Niet elk kind wordt blij van een dik leesboek. Bijvoorbeeld:

  • Stripboeken
  • Boeken met veel illustraties
  • Moppenboeken
  • Tijdschriften voor kinderen
  • Informatieve boeken (weetjesboeken)
  • Zoekboeken
  • Luisterboeken (in combinatie met meelezen)

Voor sommige kinderen is dit dé ingang naar lezen.

Tip van juf Shelby: Maak een persoonlijk verhaal over je kind, bijvoorbeeld over een vakantie waar jullie naartoe gaan en laat je kind dit lezen. Met behulp van ChatGPT kun je eenvoudig een leuk verhaal maken over onderwerpen die je kind leuk vindt.

Blijf voorlezen én zelf lezen

Ook als je kind al zelf kan lezen, blijft voorlezen ontzettend waardevol. Het vergroot de woordenschat, het begrip én het plezier.

Daarnaast geldt: zien lezen, doet lezen.
Als jij zelf een boek pakt, laat je zien dat lezen normaal en leuk is. Je kunt ook samen een vast leesmoment plannen, veel kinderen genieten van een momentje van verbinding met jou.

Ook tijdens het lezen kun je er iets ‘van jullie samen’ van maken (dat motiveert vaak meer):

  • Lees om de beurt een zin
  • Om de beurt een bladzijde
  • Jij leest de ene dag voor, je kind de andere
  • Samen lezen op de bank onder een dekentje of een zelfgemaakte ‘hut’.
  • Woorden expres verkeerd lezen (en je kind laten verbeteren)
  • Samen moppenboeken lezen en lachen
  • Gekke stemmen gebruiken tijdens het lezen

Leesspelletjes: leren zonder dat het zo voelt

Lezen hoeft echt niet altijd uit een boek te komen. Spelenderwijs leren werkt vaak veel beter.

Denk aan:

  • Woordspelletjes zoals galgje
  • Memory met woorden
  • Kaartspelletjes waarbij je moet lezen
  • Speurtochten met geschreven aanwijzingen
  • Bordspellen met tekst

Je zult merken: als het leuk is, gaat het lezen vanzelf.

Combineer lezen met beweging

Voor sommige kinderen is stilzitten juist het probleem.

Maak lezen actief:

  • Woordenkaartjes verstoppen in huis en laten zoeken
  • Buiten lezen (picknick + boek)
  • Springen of klappen bij bepaalde woorden

Zo koppel je lezen aan energie in plaats van stilzitten.

Online oefenen met lezen als afwisseling

Digitaal oefenen kan net even de juiste afwisseling zijn. Op Squla vind je allerlei speelse oefeningen en leesactiviteiten die aansluiten bij het niveau van je kind. Door de spelelementen voelt het minder als oefenen en meer als een spel.

Maak van lezen een vast, ontspannen moment

Kinderen houden van voorspelbaarheid. Door een vast leesmoment in te bouwen (bijvoorbeeld na het eten of voor het slapen), wordt lezen onderdeel van de routine.

Maar houd het luchtig. Geen strijd, geen druk. Liever 10 minuten met plezier, dan 20 minuten met tegenzin.

TIP van juf Shelby: koppel lezen aan iets positiefs. Bijvoorbeeld:

  • Eerst lezen, daarna samen een spelletje
  • Lezen met een kopje thee of wat fruit
  • Samen een gezellig leeshoekje maken

Verlaag de drempel (en de lat)

Soms willen we als ouder nét iets te graag. Maar als lezen te moeilijk is, verdwijnt het plezier direct.

Durf daarom ook:

  • Terug te gaan naar een makkelijker niveau
  • Kortere teksten te kiezen
  • Samen te lezen in plaats van alleen, ook als je kind al ouder is.

Succeservaringen zijn goud waard. Want: ik kan dit is de eerste stap naar ik wil dit.

Laat je kind regie ervaren

Kinderen die weinig motivatie voelen, hebben vaak het gevoel dat lezen hen “overkomt” en opgelegd wordt. Geef ze daarom invloed.

Laat je kind vooraf meedenken:

  • Wát er gelezen wordt
  • Waar en wanneer jullie lezen
  • Hoe lang (bijvoorbeeld met een timer)

Zelfs kleine keuzes maken een groot verschil in motivatie.

Maak lezen functioneel en betekenisvol

Lezen wordt leuker als het ergens toe leidt.

Denk aan:

  • Een recept lezen en daarna samen koken
  • Instructies volgen voor een LEGO-bouwsel
  • Speurtochten met geschreven opdrachten
  • Ondertiteling meelezen bij een favoriete serie

Zo ontdekt je kind: lezen is niet alleen iets van school, maar helpt je in het echte leven. Het belangrijkste is dat lezen geen strijd wordt, maar een moment van rust, plezier en verbinding.

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht, intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO verdiepte ze zich in gedrag en begeleiding met de Master SEN (Special Educational Needs). Vanuit haar ervaring in de klas én als moeder van Fayenn (6) en Mace (3), schrijft ze onder de naam ‘Juf Shelby‘ over opvoeding, onderwijs en gedrag.

Begrijpend lezen: waarom goede lezers vaak beter leren

Juf Shelby

Er zijn maar weinig kinderen die begrijpend lezen een ‘leuk vak’ vinden. Het zijn vaak lange teksten met lastige vragen over signaalwoorden, verwijswoorden en alinea’s of teksten die gaan over een onderwerp waar ze niks mee hebben.

Toch is begrijpend lezen misschien wel één van de belangrijkste vaardigheden die je kind op de basisschool leert. Kinderen die goed begrijpend kunnen lezen, leren vaak ook beter bij andere vakken. Door een tekst daadwerkelijk te begrijpen neem je tenslotte de inhoud tot je. In dit blog leg ik je uit waarom begrijpend lezen zo belangrijk is.

Waarom is begrijpend lezen toch zo belangrijk?

Bij begrijpend lezen gaat het er vooral om dat je kind begrijpt wat er inhoudelijk staat. Je kind moet informatie kunnen verwerken, verbanden leggen, conclusies trekken en betekenis geven aan een tekst.

Deze vaardigheden heb je óók nodig bij veel andere vakken. Denk aan:

  • Verhaalsommen begrijpen bij rekenen
  • Informatieve teksten lezen bij aardrijkskunde
  • Verhalen en teksten lezen bij geschiedenis
  • Uitleg en opdrachten lezen bij natuuronderwijs
  • Bij toetsen begrijpen wat er precies gevraagd wordt

Uit onderzoek blijkt dan ook dat leesvaardigheid sterk samenhangt met schoolprestaties. De Onderwijsinspectie schrijft in het rapport Peil. Leesvaardigheid dat goed kunnen lezen “voorwaardelijk is om mee te kunnen doen op school en in de samenleving.” Ook wordt benoemd dat leesvaardigheid invloed heeft op bredere schoolprestaties en succes in vervolgonderwijs.

Op zich best logisch, want een kind kan pas laten zien wat het weet, als het begrijpt wat het leest.

Goede begrijpend lezers leren vaak makkelijker

Kinderen die sterk zijn in begrijpend lezen, kunnen nieuwe informatie sneller verwerken. Ze begrijpen instructies beter, halen belangrijke informatie uit teksten en kunnen verbanden leggen tussen verschillende onderwerpen. Daardoor ontstaat een sneeuwbaleffect.

Een kind dat teksten goed begrijpt:

  • leert makkelijker nieuwe woorden;
  • bouwt meer algemene kennis op;
  • krijgt meer zelfvertrouwen;
  • leest vaker vrijwillig;
  • en vergroot daardoor opnieuw zijn woordenschat en kennis.

Onderzoekers noemen dit ook wel het “Mattheüseffect”: sterke lezers worden vaak nóg sterker, terwijl zwakke lezers juist steeds meer achter kunnen raken.

Dat maakt begrijpend lezen zo belangrijk. Het gaat niet alleen om een toets of methode op school, maar om de basis voor veel andere vaardigheden.

Begrijpend lezen bij het schooladvies

Als ouder zul je merken dat de resultaten voor begrijpend lezen regelmatig terugkomen tijdens oudergesprekken. Scholen kijken bij een schooladvies in groep 8 natuurlijk naar meerdere dingen:

  • werkhouding,
  • zelfstandigheid,
  • motivatie,
  • sociaal-emotionele ontwikkeling,
  • rekenen,
  • spelling,
  • technisch lezen,
  • en de algemene ontwikkeling van een kind.

Maar begrijpend lezen speelt vaak wel een belangrijke rol bij het schooladvies. Niet alleen omdat het een apart vakgebied is, maar vooral omdat het iets zegt over hoe een kind theoretische informatie verwerkt en leert.

Ook in toetsen zoals de doorstroomtoets komt veel taalbegrip terug. Kinderen moeten instructies begrijpen, teksten interpreteren en informatie uit verschillende bronnen halen.

Begrijpend lezen begint bij technisch lezen

Soms maken ouders zich zorgen over begrijpend lezen, terwijl de oorzaak van het probleem in het technisch lezen zit (de fase ervoor). Wanneer een kind nog veel moeite heeft met het verklanken van woorden, gaat er zoveel energie naar het lezen zelf, dat er weinig ruimte overblijft om de tekst ook écht te begrijpen.

Vergelijk het met autorijden. Als schakelen nog enorm veel aandacht kost, wordt het lastig om tegelijk goed op het verkeer te letten.

Daarom volgt begrijpend lezen eigenlijk op technisch lezen. Eerst moet het lezen voldoende vlot en automatisch gaan. Pas daarna komt er meer ruimte voor begrip. Onderzoek laat ook zien dat technisch lezen een belangrijke voorwaarde is voor begrijpend lezen.

Waarom sommige scholen ook begrijpend luisteren toetsen

Sommige scholen gebruiken naast begrijpend lezen ook toetsen voor begrijpend luisteren. Daarbij luisteren kinderen naar een tekst of verhaal en beantwoorden ze daarna vragen over de inhoud.

Een kind kan bijvoorbeeld moeite hebben met lezen, maar mondeling wél laten zien dat het teksten goed begrijpt. In zo’n geval ligt het probleem waarschijnlijk meer bij het technisch lezen dan bij het taalbegrip zelf.

Voor kinderen met dyslexie kan dit een belangrijk verschil maken.

Veel officiële toetsen, zoals de LVS-toetsen en de doorstroomtoets hebben het onderdeel begrijpend lezen. Wel zijn er tegenwoordig steeds vaker mogelijkheden voor voorgelezen toetsen of audio-ondersteuning bij kinderen met dyslexie. Maar dat geldt niet altijd voor iedere toets of situatie. Daardoor blijft goed leren lezen zo ontzettend belangrijk.

Begrijpend lezen is meer dan een trucje

Veel methodes voor begrijpend lezen leren kinderen leesstrategieën aan, zoals voorspellen, samenvatten of signaalwoorden herkennen. Dat kan zeker helpen. Goede lezers gebruiken dit soort strategieën namelijk vaak automatisch tijdens het lezen.

Toch blijkt dat strategieën alleen niet altijd voldoende zijn voor zwakke begrijpend lezers. Een kind moet namelijk ook technisch kunnen lezen, voldoende woordenschat hebben en genoeg achtergrondkennis opbouwen om een tekst écht te begrijpen.

Heeft een kind bijvoorbeeld veel algemene kennis over een onderwerp, zoals de ruimte. Dan is een begrijpend-leestekst over het zonnestelsel meteen een stuk makkelijker!

Sommige kinderen kennen keurig alle stappen van begrijpend lezen, maar begrijpen ondertussen nog steeds niet goed waar de tekst over gaat. Daarom zie je steeds vaker dat scholen naast strategieën ook inzetten op veel lezen, rijke teksten, woordenschat en kennis opbouwen. Want uiteindelijk worden kinderen vooral betere begrijpend lezers door veel betekenisvolle taal tegen te komen, een ruime woordenschat te hebben en écht veel te lezen.

Een rijke taalomgeving voor begrijpend lezen met Squla

Een rijke taalomgeving is dus ontzettend belangrijk voor de ontwikkeling van begrijpend lezen. Veel praten, samen lezen, nieuwe woorden horen en verschillende soorten teksten tegenkomen helpen kinderen om hun woordenschat en taalbegrip steeds verder uit te breiden.

Dit zit ook verwerkt in de oefeningen die kinderen op Squla doen. Daarnaast kun je ook heel gericht oefenen met vakken zoals woordenschat of begrijpend lezen, signaalwoorden herkennen en toetsen of teksten beter begrijpen via korte interactieve opdrachten en quizzen.

Het gaat erom dat kinderen leren begrijpen wat ze lezen, zelf informatie kunnen verwerken en met vertrouwen nieuwe dingen durven leren. En dat begint vaak gewoon met veel lezen, praten en samen nieuwsgierig zijn.

Juist op een ontspannen manier, bijvoorbeeld met de oefeningen van Squla, kunnen kinderen stap voor stap ervaren dat begrijpend lezen steeds beter gaat en misschien zelfs een beetje leuker wordt.

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht, intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO verdiepte ze zich in gedrag en begeleiding met de Master SEN (Special Educational Needs). Vanuit haar ervaring in de klas én als moeder van Fayenn (7) en Mace (4), schrijft ze onder de naam ‘Juf Shelby‘ over opvoeding, onderwijs en gedrag.

Logopedie bij peuters en kleuters: wanneer is het nodig?

Juf Shelby

De taalontwikkeling van peuters en kleuters maakt tussen de 3 en 4 jaar een enorme sprong. In deze blog neem ik je mee in wanneer uitspraakfoutjes normaal zijn, hoe je daar thuis mee omgaat en wanneer het verstandig is om hulp te zoeken bij een logopedist.

Uitspraakfoutjes: wat is normaal en wat niet?

Peuters weten vaak heel goed wat ze willen zeggen, maar hun mondspieren en spraakplanning zijn nog volop in ontwikkeling. Het brein kiest dan automatisch de “makkelijke route” en daarom is het ook normaal dat er soms uitspraakfoutjes zijn.

Normale uitspraakfoutjes (rond de 3 jaar)

  • klanken weglaten (“toel” i.p.v. “stoel”)
  • klanken vervangen (“tonijn” i.p.v. “konijn”)
  • moeilijke woorden vereenvoudigen (vliegtuig → “viegtuig”)

Wanneer worden uitspraakfoutjes een aandachtspunt?

  • Je kind is moeilijk te verstaan, ook voor bekende volwassenen
  • Dezelfde foutjes blijven lang hetzelfde, zonder verbetering
  • Je kind raakt gefrustreerd omdat hij/zij niet begrepen wordt

Corrigeren: hoe doe je dat thuis (zonder druk)

Corrigeer vooral indirect, door het goede voorbeeld te geven.

Indirect verbeteren doe je door:

  • het woord goed terugzeggen, zonder te veel nadruk
    Kind: “Ik zie een tat”
    Jij: “Ja, ik zie ook een kat.”
  • veel praten, benoemen en voorlezen
  • rust en plezier rondom taal houden zoals taalspelletjes, rijmpjes en liedjes.

Beter niet:

  • verbeteren met “nee, dat zeg je verkeerd”
  • je kind dwingen het woord te herhalen
  • lachen om uitspraakfoutjes

Wanneer is logopedie tussen de 3 en 4 jaar wél aan te raden?

Mijn eigen zoontje (3 jaar) heeft langere tijd slecht gehoord vanwege vele oorontstekingen. Dit vertraagde zijn spraak-taalontwikkeling. Eerst heb ik het nog even de tijd gegeven, want ik weet dat jonge kinderen tussen de 2 en 3 jaar soms ineens een sprong maken in hun taalontwikkeling.

Toch merkte ik dat zijn verstaanbaarheid van bepaalde klanken achterbleef en hij soms moeilijk te verstaan was voor anderen. Daarom hebben we een intake bij de logopediste aangevraagd. Hij gaat nu bijna naar groep 1 en de logopedie is inmiddels afgerond. Met wat fijne tips en begeleiding weet hij bijvoorbeeld nu veel beter hoe hij klanken zoals de ’t’ en de ‘l’ goed moet maken met zijn mond.

Wanneer trek je aan de bel bij de logopedist?

  • Je kind is voor veel mensen niet goed verstaanbaar
  • De uitspraak blijft duidelijk achter bij leeftijdsgenootjes
  • Je kind praat weinig of vermijdt praten
  • Er is sprake van frustratie, boosheid of terugtrekgedrag
  • Je voelt als ouder zorgen: “Dit zit me niet lekker”

Vroegbehandeling

Vroegbehandeling betekent dat je een kind al op jonge leeftijd (vaak tussen de 2 en 5 jaar) extra ondersteuning geeft bij zijn ontwikkeling, bijvoorbeeld bij spraak en taal zodra je merkt dat het niet vanzelf voldoende op gang komt.

Je wacht dus niet tot groep 3 of tot een achterstand “duidelijk groot” is.
Je grijpt in op het moment dat het brein nog volop in ontwikkeling is. De taalontwikkeling tussen 2 en 5 jaar is namelijk enorm. Het brein is in deze periode extra gevoelig voor taalprikkels. Dat betekent dat ondersteuning in deze fase vaak sneller effect heeft dan wanneer je later start.

Vroegbehandeling betekent niet dat er iets “ernstigs” aan de hand is. Het betekent dat je je kind helpt op het moment dat het leren nog spelenderwijs gaat. Soms adviseert het kinderdagverblijf of de peuterspeelzaal om vroegbehandeling te starten.

Wat levert vroeg starten met behandelen op?

  • Minder frustratie bij je kind
  • Meer zelfvertrouwen in praten
  • Minder kans op achterstand in groep 1 of 2
  • Snellere vooruitgang omdat het brein nog volop in ontwikkeling is

Kinderen die moeilijk verstaanbaar zijn, kunnen zich terugtrekken of boos worden omdat ze niet begrepen worden. Als je daar op tijd bij bent, voorkom je dat praten iets spannends of vervelends wordt.

Wat doet een logopedist met jonge kinderen?

Logopedie betekent niet dat er “iets mis” is met je kind. Het betekent dat je je kind extra ondersteuning geeft, precies op het moment dat zijn brein daar het meest ontvankelijk voor is. Dit doet een logopedist:

  • Spelenderwijs werken (spelletjes, plaatjes benoemen, bewegen)
  • Oefenen van klanken en mondmotoriek in spelvorm of beweging
  • Werken aan verstaanbaarheid, woordenschat en zinsbouw
  • Ouders handvatten geven voor thuis

Wat kun je thuis doen bij spraak- en taalproblemen?

1. Praat mét je kind, niet alleen tegen je kind

Stel open vragen:
“Wat gebeurde er toen?”
“Waarom was dat grappig?”

Geef je kind ruim de tijd om te antwoorden. Langere stiltes zijn helemaal niet erg. Soms hebben peuters en kleuters net iets langer nodig om hun zinnen te vormen.

2. Herhaal op de juiste manier

Corrigeer niet streng, maar geef het goede voorbeeld.
Zegt je kind: “Ik zie een tat.”
Dan zeg jij: “Ja, dat is een kat.”

Zo hoort je kind de juiste klank, zonder dat praten spannend wordt.

3. Lees elke dag voor

Voorlezen is misschien wel de krachtigste stimulatie van taal die er is.
Wijs aan, stel vragen, laat je kind stukjes navertellen. Herhaling is hierbij goud waard: hetzelfde boek tien keer lezen is juist helpend.

4. Maak taal leuk

Zing liedjes, doe rijmpjes, speel klankspelletjes.
Taal mag speels zijn. Hoe meer plezier, hoe meer groei.

Digitale oefenmomenten kunnen daarbij een fijne aanvulling zijn. Met bijvoorbeeld Squla Junior kunnen peuters en kleuters spelenderwijs (samen met jou) extra oefenen met woordenschat, luisteren en taalbegrip. Zie het als een extra herhaling naast het echte gesprek en het voorlezen.

5. Benoem wat je doet

Tijdens het aankleden, koken of wandelen:
“Ik pak je jas.”
“We snijden de appel in stukjes.”

Zo koppel je woorden direct aan handelingen.

Taal leer je niet van een filmpje (maar van een boek op schoot)

Een filmpje lijkt soms zo leerzaam. Er wordt gesproken, er gebeurt van alles, en je kind kijkt gefascineerd. Maar taalontwikkeling werkt anders.

Kinderen leren taal vooral door interactie: door een gezicht dat reageert. Door een stem die vertraagt, een vraag die terugkomt. Of door samen lachen om een gek plaatje.

Een filmpje praat tegen je kind. Zonder interactie.
Een boek praat mét je kind, met interactie!

Bij voorlezen gebeurt er meer dan je denkt:

  • Je kind hoort nieuwe woorden in een betekenisvolle context.
  • Het ziet plaatjes die helpen bij begrip.
  • Het mag reageren, vragen stellen, aanwijzen.
  • Het krijgt jouw volle aandacht en dát is de krachtigste taalprikkel die er is!

Onderzoek laat steeds weer zien: kinderen die dagelijks worden voorgelezen, ontwikkelen een grotere woordenschat, betere zinsbouw én meer leesplezier op latere leeftijd.

Praktische voorleestips van juf Shelby

Lees elke dag, al is het maar 10 minuten.
Kwaliteit gaat boven kwantiteit.

Lees interactief.
Stel vragen als:

  • “Wat denk jij dat er nu gaat gebeuren?”
  • “Zie jij waar de hond verstopt zit?”
  • “Waarom kijkt hij zo boos?”

Herhaal boeken gerust 20 keer.
Herhaling zorgt voor groei in woordenschat. Jonge kinderen houden juist van voorspelbaarheid.

Wijs aan tijdens het lezen.
Door woorden te koppelen aan plaatjes versterk je begrip.

Speel het verhaal na.
Met knuffels, poppetjes of gewoon met je stem.

Boekentips voor peuters en kleuters

  • Rupsje Nooitgenoeg: perfect voor woordenschat rondom eten en dagen van de week.
  • Kikker is Kikker: fijne, duidelijke zinnen en herkenbare emoties. (alle boeken uit de serie van Kikker zijn bij peuters en kleuters goed te gebruiken)
  • De boeken van Anna van Kathleen Amant: de verhalen zijn herkenbaar en gaan over dagelijkse thema’s zoals naar school gaan, zindelijk worden, jarig zijn.
  • De Gruffalo: rijk taalgebruik en herhalende zinsstructuren.
  • Coco kan het!: prachtig verhaal voor zelfvertrouwen én taal.

Kies boeken met:

  • herhaling
  • rijm
  • duidelijke illustraties
  • herkenbare thema’s

Het begint met verbinding

Je kind leert taal grotendeels in de interactie met jou als ouder. Van een boek op schoot, jouw stem, nabijheid en samen lachen om een gekke zin. Want uiteindelijk groeit taal het hardst waar een kind zich veilig en gezien voelt.

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht, intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO verdiepte ze zich in gedrag en begeleiding met de Master SEN (Special Educational Needs). Vanuit haar ervaring in de klas én als moeder van Fayenn (6) en Mace (3), schrijft ze onder de naam ‘Juf Shelby‘ over opvoeding, onderwijs en gedrag.

Als je kind niet naar school wil: 10 concrete tips voor een fijne start bij de kleuters

Juf Shelby

De eerste schooldag. Voor veel kleuters een grote stap. Maar ook ikzelf als ouder vind het een ‘dingetje’. Ondanks dat ik dit als kleuterjuf vaak genoeg heb meegemaakt. Sommige kinderen huppelen enthousiast naar binnen, terwijl anderen zich vastklampen, huilen of weigeren de klas in te gaan. Dit is normaal. Niet naar school willen zegt niets over falen van jou of je kind. Het zegt vooral dat er iets nieuws en groots gebeurt.

TIP 1: Begrijp wat er achter het gedrag zit

Niet naar school willen betekent bijna nooit dat je kind opzettelijk ‘dwars wil doen’. Niet naar school willen gaan is vaak scheidingsangst, spanning of onzekerheid. Alles is nieuw: de klas, de juf, de kinderen én het afscheid. Voor een kleuter voelt dat groot en overweldigend. Kleuters denken nog veel in het hier en nu. “Wat als mama nooit meer terugkomt?” voelt voor hen heel echt.

Dus benoem het gevoel:
“Je vindt het spannend om hier te blijven. Dat snap ik.”

Wat kun je zeggen als je kind niet wil?

“Ik ga nu weg, en ik kom je na het spelen weer ophalen.”

“Je vindt het lastig dat mama weggaat. Dat gevoel mag er zijn. Ik kom je straks weer halen.”

“Je hoeft het niet leuk te vinden, maar je kunt het wel.”

TIP 2: Houd het afscheid kort (hoe lastig ook)

Lang blijven hangen voelt liefdevol, maar vergroot vaak de spanning. Een kort, voorspelbaar afscheid werkt beter.

  • Vast ritueel
  • Kus + zwaai
  • Duidelijk vertrek

Zeg liever niet: “Ik blijf nog even” als je toch weggaat, duidelijkheid en voorspelbaarheid zijn nu belangrijk.

TIP 3: Wees zelf rustig

Kinderen voelen feilloos jouw spanning. Probeer je eigen zorgen niet te laten overheersen.

Zeg niet:
“Het is ook wel héél spannend hè?”
Maar liever:
“Je kunt dit. En als het lastig is, helpt de juf je.”

Wat hierbij belangrijk is: jouw vertrouwen. Ook als het afscheid eruit ziet met tranen, gegil of een kind dat zich krijsend aan je been vastklampt.

Probeer te onthouden:

  • Dit gedrag zegt niets over jou als ouder
  • Dit zegt niets over hoe fijn school straks wordt
  • Dit gaat bij bijna alle kinderen weer over

En misschien wel de belangrijkste: maak je niet druk om de blikken van andere ouders. Zij zien een momentopname, jij kent je kind. Iedere kleuter went op zijn eigen tempo en dat tempo is goed zoals het is. En ik denk dat iedere ouder ervaring heeft met een kind dat een driftbui heeft… dus meestal snapt iedere ouder dit gedrag bij een ander heel goed.

Door rustig te blijven en uit te stralen: “Dit komt goed”, geef je je kind precies wat het nodig heeft: veiligheid en vertrouwen.

TIP 4: Oefen vooraf en bereid voor

Kleuters verwerken veel via spel.

  • Speel ‘schooltje’
  • Lees prentenboeken over naar school gaan
  • Laat een knuffel “ook naar school” gaan

TIP 5: Gebruik een persoonlijk ritueel (dit werkte bij mijn zoontje)

Toen mijn zoontje naar het kinderdagverblijf ging en het afscheid moeilijk vond, hebben we samen iets geprobeerd wat hem zichtbaar hielp.

We lazen thuis het boekje Anna mist mama. Dat boekje gaat precies over dat gevoel: mama missen, maar ontdekken dat mama altijd weer terugkomt.

Daarnaast tekenden we een hartje op zijn hand en een hartje op mijn hand. Ik zei tegen hem:
“Als jij mij mist, kijk je naar het hartje op je hand of je geeft er een kusje op. En ik heb er ook één. Zo zijn we toch een beetje bij elkaar.”

Voor hem werkte dit als een klein, veilig anker tijdens de schooldag. Het gaf troost, zonder dat hij iets mee hoefde te nemen in de klas.

TIP 6: Ga niet ‘onderhandelen’ bij tranen

Hoe moeilijk ook: tranen zijn geen teken dat je moet toegeven. De neiging om langer te blijven, toe te geven of nog één keer terug te komen is heel menselijk. Toch helpt dat meestal niet.

Wanneer je gaat onderhandelen (“Nog één knuffel dan…”, “Zal mama nog even blijven?”), wordt de boodschap voor je kind onduidelijk. Je kind voelt dan: misschien blijft mama toch. Dat vergroot de spanning in plaats van dat het geruststelt. Vaak stopt het huilen binnen enkele minuten nadat je weg bent. Probeer geen beloftes te doen zoals ‘vanmiddag mag je een snoepje als je niet huilt’.

Wat wél helpt:

  • Erken het gevoel en benoem wat er komt: “Je bent verdrietig, dat snap ik. Ik geef jouw handje nu aan de juf en daarna zwaai in naar jou voor het raam.” (werkt vaak goed als ze zich vastklampen aan je)
  • Blijf duidelijk en rustig: “Ik ga nu weg en ik kom je straks weer ophalen.”
  • Houd vast aan het afgesproken afscheidsritueel.

TIP 7: Houd het ritme vast

Een dag overslaan omdat het zo verdrietig ging, lijkt lief, maar maakt het de volgende keer vaak moeilijker.

Regelmaat helpt het brein ontspannen.

Wanneer een kind net gestart is op school, kost dat enorm veel energie. Alles is nieuw: regels, geluiden, indrukken en sociale contacten. Juist daarom is het belangrijk om niet alleen schooldagen, maar ook de rest van de dag voorspelbaar te houden.

Probeer in deze periode:

  • Het dagelijkse ritme zoveel mogelijk hetzelfde te laten
  • Niet te veel extra activiteiten of afspraken te plannen
  • Drukke middagen, speelafspraken of uitjes te beperken
  • Te zorgen voor voldoende rustmomenten

Een rustige middag thuis, even spelen of samen een boekje lezen, kan veel meer doen dan nog een prikkelrijke activiteit “om af te leiden”.

Door het tempo laag te houden, geef je je kind de ruimte om alle indrukken te verwerken. Dat helpt niet alleen bij het wennen aan school, maar ook bij het loslaten van de spanning rondom het afscheid.

TIP 8: Zorg voor positieve herinneringen over school

Laat school niet alleen iets zijn wat ‘moet’, maar ook iets waar met plezier aan teruggedacht kan worden.

  • Praat thuis over de leuke dingen van school: samen spelen, een boekje lezen, fruittijd, enzovoort.
  • Kijk samen foto’s terug die gestuurd worden in de ouderapp en praat hierover na. Of kijk nog eens op de website van de school naar foto’s van de klas of juf.
  • Besteed aandacht aan de dingen waar je kind enthousiast over was.
  • Zelf gebruik ik de ‘Slaapklets’ boekjes van ‘Gezinnig’ om ’s avonds in bed spelenderwijs na te praten over de schooldag. Door middel van smileys en plaatjes bespreek je de dag na en vaak zit er ook een leuk ontspannen spelletje bij voor het slapen gaan.

TIP 9: Praat niet negatief over het moeilijke afscheid waar je kind bij is

Wanneer je thuis aan de eettafel in het bijzijn van je kind tegen je partner zegt:
“Het lukte vanmorgen wéér niet” of “Hij blijft maar huilen, niets helpt” dan kan dat onbedoeld het gevoel versterken dat er iets ‘mis’ is, of dat school iets is om bang voor te zijn. Je kind kan gaan denken: Zie je wel, ik kan dit niet.

Hetzelfde geldt voor gesprekken met andere ouders op het schoolplein. Let op je woorden als je kind erbij staat of speelt.

Een zin als:
“Hij vindt het nog spannend, maar iedere dag gaat het een beetje beter” geeft een veel positievere en veiligere boodschap dan hardop zeggen dat het niets uithaalt of alleen maar huilen is.

Wat jij zegt, wordt onderdeel van het verhaal dat je kind over zichzelf en school gaat geloven. We zijn ons daar vaak niet zo van bewust als ze nog baby zijn, maar kinderen begrijpen al heel jong wat je zegt, zelfs nog voordat ze het zelf zo kunnen benoemen. Ondanks dat ik dit als juf weet, betrap ik mezelf er soms echt nog op dat ik ‘over’ mijn kind praat waar het bij staat. Een valkuil die we als ouders vaak zo gewend zijn van de tijd dat ze nog baby waren.

TIP 10: Werk samen met school én zoek extra steun als het nodig is

Als kleuterjuf heb ik ook echt kinderen gehad die een aantal weken nodig hadden om te wennen. En meestal gaat het echt over (ook al breekt je moederhart op zo’n moment).
Leraren hebben vaak veel ervaring met dit gedrag en kunnen je kind op school extra steun geven. Blijft het gedrag weken hetzelfde, ga dan in gesprek met de leerkracht. Vraag samen te kijken naar kleine aanpassingen: iemand op het schoolplein, een vaste juf bij binnenkomst, of een mini-opdracht om mee te beginnen.

En als het verdriet of de angst lang aanhoudt of zich uit in klagen over buikpijn, vaste weigering of fysieke klachten, overweeg dan om dit ook te bespreken met de huisarts of jeugdarts. Soms kan extra begeleiding helpen om je kind zelfvertrouwen en copingvaardigheden te geven.

Ook mijn zoontje start binnenkort in groep 0

Over een paar weken gaat mijn eigen zoontje voor het eerst naar de kleuterklas. Als moeder kijk ik er eerlijk gezegd niet persé naar uit. Want ineens zijn ze zó groot. Waar je kind eerst vooral van jou was, deelt hij nu zijn wereld met school, een juf, nieuwe kinderen en nieuwe ervaringen. En natuurlijk ga ik zijn aanwezigheid thuis enorm missen.

Op het kinderdagverblijf heeft hij ook een periode nodig gehad om te wennen. Dat ging niet zonder tranen… Maar hij kwam erdoorheen. Hij vond zijn plek, zijn ritme, maakte vriendjes en had uiteindelijk weer plezier. En dat neem ik nu mee richting deze nieuwe stap. We zijn al aan het voorbereiden, lees ook mijn blog over wat er allemaal in de schooltas moet.

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht, intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO verdiepte ze zich in gedrag en begeleiding met de Master SEN (Special Educational Needs). Vanuit haar ervaring in de klas én als moeder van Fayenn (6) en Mace (3), schrijft ze onder de naam ‘Juf Shelby‘ over opvoeding, onderwijs en gedrag.

10 tips van juf Shelby om dyslectische kinderen te motiveren

Juf Shelby

Als je kind leesproblemen of dyslexie heeft, dan kan lezen al snel voelen als iets dat moet, in plaats van iets dat leuk is. In mijn werk als leerkracht heb ik gezien hoe belangrijk het is om het leesplezier opnieuw te vinden, juist ook thuis. Hieronder deel ik mijn praktische tips.

Alles wat je moet weten over de doorstroomtoets 2026

Juf Shelby

Voor veel leerlingen in groep 8 en hun ouders is het een spannende tijd: de overstap naar de middelbare school. De Cito-toets of eindtoets van groep 8 heet tegenwoordig de Doorstroomtoets, een nieuwe landelijke toets die een belangrijke rol speelt in het bepalen van het meest passende voortgezet onderwijsniveau.

Belangrijke data Doorstroomtoets groep 8

In 2026 wordt de doorstroomtoets afgenomen tussen 26 januari t/m 15 februari 2026. Dit is eerder dan de oude eindtoets. Door deze vroege toetsdatum hebben leerlingen en scholen meer tijd om het toetsadvies mee te nemen in het definitieve schooladvies. Het advies dat de leerkracht geeft, blijft leidend, maar de resultaten van de toets kunnen ondersteunen bij het bevestigen of naar boven bijstellen van dit advies. Houd de volgende data in de gaten:

  • 10 – 31 januari: Voorlopig schooladvies van de leerkracht.
  • 26 januari t/m 15 februari : Afname digitale doorstroomtoets.
  • 3 – 4 februari: Afname papieren toets of mix digitaal/papier.
  • Uiterlijk 24 maart*: Definitief schooladvies.
  • 25 – 31 maart: Centrale aanmeldweek. Aanmelding bij het voortgezet onderwijs.

    *Meestal is de uitslag (toetsadvies) op uiterlijk 15 maart bij de school binnen, vaak is het zo dat ouders het definitieve advies uiterlijk eind maart ontvangen.

Adaptieve doorstroomtoets

De school kiest zelf of de toets op papier of digitaal wordt afgenomen. Op sommige scholen mogen kinderen zelf kiezen, of wordt een combinatie gebruikt. De doorstroomtoets kan ook als adaptieve toets ingezet worden. Bij adaptief toetsen past de toets zich aan het niveau van je kind aan, dit zorgt voor een toets op maat. Adaptieve toetsen zijn altijd digitaal, papieren toetsen zijn dus niet adaptief. Adaptieve toetsen werken als volgt:

  • Goed resultaat? >> Vragen worden moeilijker.
  • Minder goed resultaat? >> Vragen worden eenvoudiger.

Welke doorstroomtoetsen zijn er?

De school kiest een doorstroomtoets die is goedgekeurd door het College van Toetsen en Examens (CvTE). De medezeggenschapsraad praat meestal mee over deze keuze.

  • AMN Doorstroomtoets: Digitaal en adaptief
  • Dia-toets: Digitaal
  • IEP Doorstroomtoets: Digitaal adaptief en op papier
  • Leerling in beeld (Cito): Digitaal en op papier
  • ROUTE 8 Doorstroomtoets: Digitaal en adaptief
  • DOE-toets: Digitaal en adaptief

Wanneer hoeft je kind de toets niet te maken?

Niet alle kinderen van groep 8 maken de doorstroomtoets. De volgende uitzonderingen zijn er:

  • Een uitstroomprofiel VSO-arbeidsmarkt of VSO-dagbesteding (volgens OPP).
  • Een IQ lager dan 75 is één van de situaties waarin ontheffing kan worden overwogen.
  • Minder dan vier jaar in Nederland, met onvoldoende beheersing van het Nederlands.

Speciale ondersteuning

Voor kinderen met specifieke ondersteuningsbehoeften (bijv. dyslexie) zijn aangepaste versies beschikbaar. De leerkracht kijkt welke opties er zijn en welke toets past bij jouw kind. Neem bij vragen contact op met de school om te bespreken wat het beste werkt voor jouw kind.

Wat meet de doorstroomtoets?

De doorstroomtoets test vaardigheden in rekenen, taal, en begrijpend lezen. Het doel is niet alleen om de huidige kennis van een leerling in kaart te brengen, maar ook om te kijken naar het potentieel. Dit helpt scholen en ouders om samen een goed beeld te krijgen van de onderwijsbehoeften van elk kind. Er zullen dus ook altijd vragen getoetst worden die moeilijker zijn dan het niveau groep 8.

De doorstroomtoets meet wat je kind in acht jaar basisschool heeft geleerd op het gebied van lezen, taal en rekenen. De uitslag van de doorstroomtoets geeft een onafhankelijk advies over welk brugklastype het beste past bij de talenten en mogelijkheden van je kind. Zo geeft de doorstroomtoets een onafhankelijke bevestiging van het schooladvies van de leerkracht.

Oefen nu voor de doorstroomtoets met Squla!

Squla (pages - bovenbouw - soft cta/blog cta)

Doelgericht oefenen met Squla.

Hoe kun je je kind voorbereiden?

Hoewel het belangrijk is om de spanning voor de toets te beperken, kan een goede voorbereiding bijdragen aan zelfvertrouwen. Als ouder kun je je kind ondersteunen door te zorgen voor:

  • Voldoende ontspanning, plan niet te veel activiteiten rondom de toetsperiode. Rust, reinheid en regelmaat. Zoek naar activiteiten waar je kind van ‘oplaad‘. Bespreek met je kind wat hem/haar rustig maakt en kies daar een afwisseling in. Schermtijd is even oké, maar welke dingen kunnen jullie nog meer inzetten voor ontspanning?
  • Praat ontspannen over de toets: bespreek met je kind hoe het voelt om de toets te moeten maken, is er spanning? Hoe was dat bij jou vroeger? Spanning is normaal en een toets is bedoeld om talenten en ontwikkelpunten in beeld te brengen. Leg de nadruk niet op een hoge score maar dat het een extra meetinstrument is naast het advies dat al gegeven is door de leerkracht.
  • Een rustige omgeving, zoek ‘ontprikkelende’ omgevingen op; ga lekker naar het bos, beweeg, ga naar buiten! Juist in tijden waarin je kind te maken heeft met (wellicht onbewuste) stressfactoren is het zo belangrijk om te focussen op rust en ontprikkeling.
  • Een gezond ritme: voeding is de motor van je hersenen. Denk aan voldoende voedingsstoffen en gezond eten.
  • Oefenen voor voorspelbaarheid: in groep 8 is ook in de klas geoefend met het maken van toetsen, toch kan het voor je kind een geruststelling zijn samen naar de vraagstelling en manier van toetsen te kijken. Squla heeft online oefenmateriaal beschikbaar dat specifiek gericht is op de vaardigheden die getoetst worden. Het platform biedt uitdagend en gevarieerd materiaal dat aansluit bij de doorstroomtoets, zodat je kind goed voorbereid en met vertrouwen de toets kan maken.

Advies: blijf positief en betrokken

De uitslag van de doorstroomtoets is een momentopname. Het belangrijkste is dat je als ouder blijft benadrukken dat het advies en de doorstroomtoets en de overgang naar de middelbare school een stap zijn in een proces, niet een eindstation. Door samen te werken met de school en vertrouwen te hebben in je kind, zet je een stevige basis voor een succesvolle schoolcarrière.

Hoger advies?

Krijgt je kind een hoger advies op de doorstroomtoets dan het voorlopige advies in januari? Dan moet de school het advies naar boven aanpassen, ook bij een halve schoolsoort. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken, mits de school dit goed onderbouwd. Het advies mag niet naar beneden worden aangepast.

Tot slot

De doorstroomtoets is slechts een momentopname en een hulpmiddel bij het bepalen van het schooladvies. Samen met de school en je kind werk je aan een mooie passende start in het voortgezet onderwijs!

Dit blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel (juf Shelby) | Bachelor of Education PABO | Master SEN (MSEN) intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs.