Zo leren kinderen rekenen: het rekenmuurtje

Juf Shelby

Het leren rekenen in de leeftijd van 5-8 jaar is een enorm belangrijke basis die gelegd wordt. In dit blog lees je hoe je kind leert rekenen en geef ik je tips om hier bij te helpen. Veel rekenproblemen in de bovenbouw zijn namelijk ontstaan doordat de basis niet goed gelegd is. Daarom spreken we ook wel van een rekenmuurtje.

Het rekenmuurtje

Leren rekenen is te vergelijken met het bouwen van een muur. Het is een opeenstapeling van stenen (rekenkennis) met cement (vaardigheden). Maar als de onderste stenen niet stevig genoeg staan, dan vallen ook de bovenste stenen om. Dus als jouw kind de sommen tot 20 niet snel kan maken, zal hij/zij daar in groep 7 bij sommen tot 1000 onnodige rekenfoutjes maken. Daarom spreken we vanuit de literatuur van een ‘rekenmuurtje’ (Bandstra, 2014) als je over de fases van het leren rekenen praat. Daarnaast wordt het rekenmuurtje van Bareka op sommige scholen of RT-praktijken gebruikt om de rekenproblemen inzichtelijk te maken middels een rekentoets.

Hoe leren kinderen rekenen?

Rekenbegrip in groep 1-2

Rekenen is meer dan optellen en aftrekken van sommen. Al in de kleuterklas wordt de basis voor het zogenaamde getalbegrip gelegd. Kinderen leren dat een getal een hoeveelheid is. Bijvoorbeeld 5 blokjes bij het getal 5. Ook zijn rekenbegrippen een voorwaarde om te leren rekenen. Denk daarbij aan begrippen zoals: meeste/minste, evenveel, meer dan../minder dan.., grootste/kleinste, lichtste/zwaarste. Woorden die voor ons volwassenen heel vanzelfsprekend zijn, maar voor je kind heel abstract zijn.

Fase 1: sommen tot 20 en splitsen

Hoewel de focus in groep 3 op het leren lezen ligt, wordt in groep 3 een belangrijke basis gelegd voor rekenen. Optellen, aftrekken en splitsen tot en met 10.
Bijvoorbeeld: 5 + 3 en 7 − 4, maar ook het getal 7 splitsen in 4 en 3. Het vlot kunnen splitsen van getallen en zien welke getallen samen 10 kunnen vormen helpen enorm bij het vlot kunnen rekenen. In de klas noem ik dit vaak de ‘verliefde getallen’. Samen vormen ze een setje om 10 te maken. Als kinderen deze verliefde setjes direct kunnen koppelen, worden heel veel sommen veel makkelijker. Goed oefenen dus!

TIP: gezelschapsspellen zoals Hali Gali, Granny apples, Regenwormen, Ganzenbord, Sjoelen, of spelletjes met dobbelstenen oefenen spelenderwijs het rekenen tot 10.

Bij het maken van sommen tot 20 komt je kind twee nieuwe soorten sommen tegen:

  1. Rekenen met een tiental erbij (13 + 4 =)
  2. Rekenen over het tiental heen ( 9 + 5 =)

Bij de eerste soort sommen zoals 13 + 4 = is het tiental moeilijk, maar als je kind dit begrijpt kan hij vervolgens ook sommen zoals 23 + 4 uitrekenen. Toch hebben kinderen niet altijd door dat dit een zelfde soort som is. En als in de bovenbouw sommen komen zoals 523 + 4 lopen ze hier op vast. Je kind moet door hebben dat het tiental hetzelfde blijft, maar dat de eenheden erbij komen.

Bij de tweede som, rekenen over het tiental heen komt rekeninzicht kijken. Een kind met rekeninzicht rekent de som 9 + 5 = bijvoorbeeld als volgt uit: 10 + 5 – 1 = 14.
Negen ligt dicht bij de tien. Tien plus 5 rekent makkelijker.

Kinderen die weinig rekeninzicht hebben, gebruiken de rijgstrategie: 9 + 1 + 4 = 14. Je vult aan tot tien en doet vervolgens de rest erbij.  Beide manieren zijn goed. Het is dus belangrijk om goed stil te staan bij de manier van uitrekenen.
TIP: Vraag aan je kind hoe hij gerekend heeft. Ook als je kind al snel het antwoord geeft. In de klas is hier helaas niet altijd tijd voor.

Getalbegrip tot 100

Tussen de eerste fases van het rekenmuurtje hoort wederom getalbegrip, maar nu het begrip van getallen tot 100. Bijvoorbeeld weten dat 34 minder is dan 43 en ook weten hoe je deze getallen uitspreekt. Maar ook kunnen ‘springen’ op de getallenlijn.
Bijvoorbeeld:
Sprongen van 10: 17 – 27 – 37 – 47 – 57-…
Sprongen van 5 terug: 55 – 50 – 45 – 40 – 35 – …

TIP: ‘spring’ samen met je kind getallen tot 100. Een sprong telt voor 10 en een stap voor 1. Spring bijvoorbeeld naar 35, of spring met sprongen van steeds 10 verder of terug uit.

Kinderen leren in deze fase:

  • Splitsen van getallen tot 10
  • Plus- en minsommen maken tot 10 en vervolgens tot 20
  • Door- en terugtellen tot 100
  • Door- en terugtellen met sprongen van 2, 5 en 10

Fase 2: tafels en deeltafels

Bij het leren van de tafels wordt vaak gestart met de tafel van 1, 2, 5 en 10. Vaak hebben kinderen voorafgaand al geleerd om met sprongen van 2, 5 of 10 te tellen. Vermenigvuldigen is tenslotte herhaald optellen (2+2+2+2 = 4×2). Leuke tips om de tafels te oefenen lees je in mijn blog over tafels oefenen.

Automatiseren

Kinderen die in groep 6,7 of 8 moeite hebben met rekenen kunnen veel baat hebben bij het oefenen van de onderste bouwstenen. Vaak lossen kinderen deze sommen nog tellend op, of zijn sommen onder de 20 nog niet vlot geautomatiseerd.

Bij automatiseren is herhaling heel belangrijk. Dagelijks 5-10 minuutjes getal- of rekenoefeningen doen in de vorm van een spelletje is een leuke speelse manier om dit thuis te oefenen. Stichting leerplan ontwikkeling (SLO) heeft een handige lijst opgesteld met bord- en gezelschapsspellen per rekenfase. http://rekenspel.slo.nl/rekenspellen/perdomein/getalbegrip/ Ook kun je af en toe een sommendictee doen. Je noemt een som en je kind schrijft het antwoord op. Daarnaast kun je beter meerdere keren per week 5 minuutjes oefenen dan ineens heel lang. Door kort te oefenen en dagelijks te herhalen wordt het beter onthouden.

Rekendrempels

Volgens Notenboom (2014) blijkt uit onderzoek dat veel kinderen er moeite mee hebben om de basisvaardigheden van rekenen onder de knie te krijgen. De benodigde basiskennis die het fundament vormen voor het goed kunnen rekenen noemt men rekendrempels. Zoals je hiervoor gelezen hebt is rekenen te vergelijken met een muurtje. Waarbij bij het leren van de volgende drempel, beheersing van de onderliggende drempel nodig is.

De sommen die de basiskennis vormen, zijn verdeeld over vijf ‘drempels’:

  1. Optellen en aftrekken tot 10 ( 4+3, 7- 4)
  2. Getallenlijn tot 100
  3. Optellen en aftrekken over 10 tot 20 (8+7, 15-7)
  4. Bouwsteensommen tot 100 (47+30, 67-40, 35+7, 35-7)
  5. De tafels en de deeltafels

In principe is het de bedoeling dat bij de overgang van groep 5 naar groep 6 al deze rekendrempels geleerd zijn. Helaas kunnen kinderen vaak deze sommen nog niet vlug genoeg maken, waardoor het juist goed is om dit ook nog met oudere kinderen te blijven oefenen.
Echter in de rekenmethode in de klas wordt al wel doorgegaan met nieuwe onderwerpen zoals breuken, procenten, delen enzovoorts. Het helpt daarom echt enorm om juist die basis te blijven oefenen.

Dit artikel is geschreven door Shelby Vos-van Andel, intern begeleider en leerkracht bovenbouw.

Geraadpleegde Literatuur:
Bandstra,P, Bareka online rekentoetsen, https://www.bareka.nl
Danhof, W. Bandstra, P., Hofstetter, W., (2014) Rekendrempels nemen, Volgens Bartjens, 34 (3), p. 4-7
Notenboom, (2014) Over de drempels van de basisvaardigheden… , Volgens Bartjens, 34 (3), p. 32-34 SLO, http://rekenspel.slo.nl/rekenspellen/perdrempel

Ook buiten schooltijd gebruik maken van Squla? Met een lidmaatschap op Squla oefent je kind de hele dag met de leukste quizzen en games. Niet tevreden? Ontvang binnen 30 dagen je geld terug.

Vanaf € 7,95 p/m