Wat wordt er getoetst bij de LVS-toetsen in groep 6?

Juf Shelby

Als jouw kind in groep 6 zit, heeft hij of zij dit schooljaar kennisgemaakt met veel nieuwe lesstof. Soms kun je ook aan je kind merken dat de lesstof moeilijker wordt en dat ze zich bewuster worden van onderlinge verschillen.
In groep 6 wordt de Leerling in Beeld (LIB) toets (voorheen bekend als de Cito-toets) op veel scholen afgenomen. In deze toets wordt de voortgang van je kind getest op gebieden zoals rekenen, taalverzorging en begrijpend lezen. In dit artikel lees je wat de LIB-toets inhoudt, waarom deze belangrijk is, en hoe je je kind op een ontspannen manier kunt helpen bij de voorbereiding.

Grotere onderlinge verschillen in groep 6

Ieder kind ontwikkelt zich in zijn of haar eigen tempo en op zijn of haar eigen niveau. Nu je kind in de bovenbouw van de basisschool zit, worden die verschillen steeds groter. Sommige kinderen stromen eind groep 8 door naar het VWO, terwijl anderen naar het VMBO-BB gaan. Om je een beeld te geven van die grote verschillen: kinderen die naar het VMBO-BB uitstromen, verlaten de basisschool soms met een niveau van eind groep 6 op bepaalde vakgebieden. Hierdoor kan het zijn dat deze kinderen vanaf groep 6 meer moeite krijgen met de theoretische lesstof en lager scoren op toetsen. Dat is absoluut geen probleem, maar ons schoolsysteem is zo ingericht dat alle niveaus in de basisschool bij elkaar in de klas zitten. Op reken- en taaltoetsen zie je helaas dan ook minder de praktische talenten van sommige kinderen in beeld gebracht. 

‘Het doel van LVS-toetsen is dan ook niet om een zo hoog mogelijke score te halen maar om de ontwikkeling van het kind te meten.’ (Cito)

Helaas wordt dit doel, ook door ons als ouders 😉 nog wel eens vergeten. LVS-toetsen geven de leerkracht inzicht in de aanleg en leerpotentie van een kind, evenals in de motivatie en de manier van leren. Hierdoor kan de leerkracht het onderwijs of de extra ondersteuning beter afstemmen op de behoefte van je kind.

‘Thuis kun je in groep 6 soms merken dat je kind onzekerder wordt over zijn leerprestaties, op deze leeftijd gaan kinderen onderlinge verschillen steeds meer opmerken.’ – juf Shelby

Soorten LVS-toetsen

Elke basisschool is verplicht om te werken met een goedgekeurd leerlingvolgsysteem voor taal en rekenen. Er zijn meerdere aanbieders van leerlingvolgsystemen (LVS). De leerlingvolgtoetsen van het Boom LVS en het Cito LVS en IEP voldoen aan alle wettelijke verplichtingen. Net als in groep 3 t/m 5 wordt er bij de Cito LVS-toetsen voor groep 6 twee keer per jaar getoetst.

  • Halverwege het schooljaar in januari/februari: de M6 toetsen
    (M staat voor Midden)
  • Aan het einde van het schooljaar in mei/juni: de E6 toetsen
    (E staat voor Eind) 

Wat zijn de ‘leerling in beeld’ (LIB)-toetsen?

De Leerling in Beeld (LIB)-toetsen zijn de vernieuwde versie van de bekende Cito-toetsen. In groep 6 toetst LIB de vakken rekenen, begrijpend lezen en taalverzorging. Deze toetsen helpen scholen om de voortgang van je kind over meerdere jaren te volgen en inzicht te krijgen in wat je kind al beheerst en waar nog kansen voor ontwikkeling liggen.

De LIB-toetsen zijn bedoeld om te meten wat je kind al kan en waar nog ontwikkeling mogelijk is. Daarom bevat de toets ook bewust opgaven die nog niet helemaal binnen de verwachte kennis van je kind vallen (soms zelfs met leerstof die ze nog niet hebben gehad!). De uitslag wordt weergegeven in grafieken, die laten de groei van je kind zien, niet alleen op het moment van toetsing, maar ook de lijn over de afgelopen jaren.

De resultaten van de toets kunnen leraren helpen om gerichte ondersteuning te bieden en te bepalen of extra hulp of verrijking nodig is.

Onderdelen van de Cito-toets (Leerling in Beeld)

De Leerling in Beeld (LIB)-toets in groep 6 is opgebouwd uit verschillende onderdelen die inzicht geven in de vaardigheden en ontwikkeling van je kind. Hieronder vind je een overzicht van de belangrijkste vakken en wat ze meten:

1. Rekenen

Dit onderdeel test kale sommen (bijvoorbeeld 54 + 23) maar ook praktische verhaaltjessommen. De focus ligt op:

  • Rekenvaardigheden: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
  • Verhoudingen en breuken: eerste kennismaking met procenten en breuken.
  • Meetkunde: werken met figuren, lengtes meten en afstanden schatten.
  • Inzicht en probleemoplossend vermogen: toepassen van rekenkennis in praktische situaties.

2. Taalverzorging

Dit onderdeel test:

  • Leestekens: het juiste gebruik van leestekens in zinnen.
  • Niet-werkwoordspelling: spellingregels toepassen.
  • Werkwoordspelling: correcte vervoeging van werkwoorden, deze toets wordt pas aan het eind van groep 6 afgenomen.

3. Begrijpend lezen

Begrijpend lezen is een belangrijk onderdeel dat je kind helpt teksten te begrijpen en juiste conclusies te trekken. Begrijpend lezen wordt ook vaak meegewogen door de leerkracht voor het schooladvies. Er komen verschillende soorten vragen voorbij, zoals tekstopgaven en evaluatie-opgaven, met afwisselende teksten. Vaardigheden die hierbij getoetst worden zijn:

  • Tekstbegrip: de hoofdgedachte van een tekst achterhalen.
  • Conclusies trekken: verbanden leggen en logische conclusies trekken.
  • Informatie verwerken: tabellen, grafieken en schema’s lezen.
  • Zoeken en interpreteren: snel de juiste informatie vinden in naslagwerken of op internet.
  • Samenvatten: de kern van een tekst goed kunnen verwoorden.

4. Technisch lezen: AVI en DMT

Lezen vormt de basis voor alle vakken. Technisch lezen wordt gemeten met twee specifieke testen:

  • AVI: deze toets is een individuele afname, waarbij je kind de tekst op een leeskaart hardop voorleest. De leerkracht of begeleider noteert het tempo en eventuele leesfouten. Na de afname volgt een AVI-leesniveau. Dit geeft aan welke boeken het best passen bij het leesniveau van de leerlingen. 
  • DMT: tijdens de Drie-Minuten-Toets (DMT) leest je kind binnen één minuut zoveel mogelijk losse woorden van drie leeskaarten met oplopende moeilijkheidsgraad. Het aantal goed gelezen woorden in een minuut wordt genoteerd.

Rekenen, taal en lezen vormen het basispakket van de LIB-toetsen dat de meeste scholen gebruiken. Sommige scholen kiezen voor een uitgebreider pakket met extra onderdelen zoals Engels, woordenschat, begrijpend luisteren, sociaal-emotioneel functioneren, en executieve functies.

Wat wordt er getoetst bij spelling in groep 6?

De spellingtoets van Cito bestaat net als in groep 5 uit dictee-opgaven. De leerkracht leest de zin voor, daarna leest de leerkracht één woord uit de zin opnieuw voor: dat is het woord dat de kinderen opschrijven.

In groep 6 wordt getoetst of kinderen woorden kunnen schrijven van twee of meer lettergrepen en komen de eerder geleerde spellingsregels uit groep 4 en 5 nog steeds aan bod. Wel komen er soms meerdere spellingsregels in één woord voor. Bijvoorbeeld in het woord ‘talloze’ (de regel s/z en de categorie open/gesloten lettergreep). Woorden met open/gesloten lettergreep (bomen/bommen) komen regelmatig in dictees van groep 6 voor en vinden veel kinderen lastig.

Nieuwe spellingsregels voor het eerste deel van groep 6 zijn:

Nieuw in eind groep 6 zijn o.a. de volgende categorieën:

  • Woorden met ‘s (bijv. ‘s morgens)
  • Leenwoorden met ‘zj’ geschreven als ge (bijv. Giraf, horloge)

Wat wordt er getoetst bij rekenen in groep 6?

In groep 6 hebben kinderen met twee nieuwe domeinen van rekenen kennisgemaakt. De rekendoelen zoals in mijn blog over LVS-toetsen in groep 5 worden nu met grotere getallen aangeleerd (duizendtallen). En ook het optellen en aftrekken worden grotere sommen: 2015-165= …

Er komen ook nog steeds verhaaltjes sommen voor die steeds moeilijker worden. Bijvoorbeeld: Jarno bezorgt bij 125 huizen reclamefolders. In één pakket zitten 8 folders. Hoeveel folders bezorgd Jarno?

Ook moeten kinderen nu meerdere stappen doorlopen om een opgave op te lossen. Bijvoorbeeld: Het boek heeft 190 bladzijden. Menno is op bladzijde 130. In een uur leest Menno 15 bladzijden. Hoeveel uur heeft Menno nodig om het boek uit te lezen?

Nieuw: verhoudingen

Hierbij leren kinderen om te rekenen met breuken en procenten. Kinderen moeten verhoudingen herkennen, benoemen, schrijven en gebruiken. Bijvoorbeeld: Joep bezorgt 160 kranten, 3 van de 4 kranten bezorgt hij in de Tuinbuurt. Hoeveel kranten bezorgt hij totaal in de tuinbuurt?

Meten en meetkunde

Bij dit onderdeel gaat het om de basiskennis van verschillende grootheden zoals lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, snelheid, tijd, gewicht en geld. Doelen die in groep 6 aan bod komen zijn:

  • Omtrek berekenen van rechthoekige figuren
  • Kiezen van een lengtemaat (mm, cm, dm, m, km) bij een situatie
  • Herleidingen van maten (bijv. van meters naar centimeters)
  • Meetinstrumenten aflezen zoals een maatbeker, weegschaal of liniaal
  • Begrip van gram en kilogram
  • Aangeven of je een vanaf het vooraanzicht, zijaanzicht of bovenaf naar een figuur kijkt
  • Analoge en digitale klok en rekenen met tijdmaten zoals uur, kwartier, minuut en seconde

Nieuw is ook het omgaan met tabellen, diagrammen en grafieken. Daarbij is aandacht voor lezen en interpreteren van gegevens uit tabellen of het lezen van gegevens uit cirkeldiagrammen of staafdiagrammen.

Hoe kan ik mijn kind voorbereiden op de LIB-toets?

Een goede voorbereiding voor de LIB-toets helpt je kind zelfvertrouwen op te bouwen. De toets laat zien wat je kind al kan en waar het nog kan groeien. Hier is een praktische checklist voor een ontspannen en effectieve voorbereiding:

  • Herhaling: Een extra oefening met de vele nieuwe onderwerpen van groep 6 kan soms nét even de boost geven om de lesstof beter te beheersen.
  • Gebruik oefenplatforms zoals Squla: Squla biedt oefeningen voor de LIB-toets waarmee je kind de vraagtypes op eigen niveau kan oefenen. Dit helpt om zich goed voor te bereiden en de stof beter te beheersen. Klik hier om een gratis proefmaand te starten.
  • Oefen met de vraagtypes van de LIB-toets: Laat je kind kennismaken met de soorten vragen die tijdens de toets kunnen komen, zoals rekenen, taalverzorging, en begrijpend lezen. Dit bouwt vertrouwen op en zorgt dat de toets zelf geen verrassing is.
  • Zorg voor zelfvertrouwen: Moedig je kind aan om de toets te zien als een kans om te laten zien wat het kan. Fouten maken is oké; ze helpen juist om te leren. Leg dus geen extra nadruk op het feit dat dit een ‘belangrijk moment’ is.
  • Maak het leuk: Oefenen hoeft niet saai te zijn. Gebruik bijvoorbeeld speelse oefeningen, quizzen of leerzame spellen om het leerproces boeiend te houden.

Moeite met de LVS vraagstelling?

De vraagstelling van de LVS-toets is vaak anders dan de vragen in methodetoetsen die je kind gedurende het jaar krijgt. Om je kind kennis te laten maken met de vraagstelling kunnen er voorbeeldvragen worden geoefend. Bekijk alle oefenstof van Squla in groep 6, inclusief de oefentoetsen, of doe de demo.

Hoe helpt Squla bij de voorbereiding op Cito toetsen?

Squla biedt een rustige, doelgerichte manier om je kind goed voor te bereiden op de LIB-toetsen. Squla maakt het oefenen speels en effectief door:

  • Aansluiting op de schooldoelen: de oefeningen zijn afgestemd op de officiële SLO-leerdoelen van de basisschool, zodat je kind precies oefent wat het nodig heeft voor de toets.
  • Niveau past zich aan: de moeilijkheidsgraad wordt automatisch aangepast op basis van hoe je kind presteert. Zo oefent je kind altijd op het juiste niveau, wat vertrouwen geeft en frustratie voorkomt.
  • Oefenvragen zoals in de toets: Squla biedt vragen die lijken op de vraagstelling van Cito, en IEP toetsen, zodat je kind vertrouwd raakt met het soort vragen dat het kan verwachten.
  • Leren met plezier: dankzij verhalen, quizzen en speelse oefeningen blijft het leerproces leuk en afwisselend, wat de motivatie hoog houdt.

Tot slot: het totaalplaatje van je kind

De Leerling in Beeld-toetsen in groep 6 geven inzicht in de ontwikkeling van je kind, maar een kind is zoveel meer dan alleen een toetsresultaat. Naast rekenen en taal telt ook hoe je kind zich sociaal, creatief en emotioneel ontwikkelt. Een goede voorbereiding kan helpen om met zelfvertrouwen de toets te maken, maar uiteindelijk draait het op school om veel meer dan alleen cijfers.

Leerkrachten kijken naar het totale plaatje: hoe een kind groeit, samenwerkt, doorzet en nieuwe dingen ontdekt. De toetsresultaten zijn slechts één hulpmiddel om te bepalen waar extra ondersteuning of juist verrijking nodig is, maar ze zeggen niet alles over de unieke talenten en kwaliteiten van je kind.

Dit blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel | Bachelor of Education PABO | Master SEN (MSEN) intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Als Intern begeleider is ze onder andere verantwoordelijk voor het analyseren van LVS-toetsen, het begeleiden van leerkrachten bij de toetsafname en het bespreken van toetsen met ouders.

Wat wordt er getoetst bij de LVS-toetsen in groep 5?

Juf Shelby

Groep 5 is een belangrijk jaar waarin kinderen verder bouwen op de basis van rekenen en lezen. Hun ontwikkeling wordt door de leerkracht gevolgd met behulp van toetsen uit het Leerlingvolgsysteem (LVS). Veel scholen nemen in groep 5 de Leerling in Beeld (LIB)-toets af, de vernieuwde versie van de voormalige Cito-toets. Deze toets brengt de voortgang in kaart op vakgebieden zoals rekenen, taalverzorging en begrijpend lezen. In dit blog leg ik uit welke onderdelen worden getoetst en welke voor soort opgaven je kind kan verwachten in groep 5.

Ook interessant:
Wat wordt er getoetst bij de LVS-toetsen in groep 3?
Wat wordt er getoetst bij de LVS-toetsen in groep 4?
Wat wordt er getoetst bij de LVS-toetsen in groep 6?
Wat wordt er getoetst bij de LVS-toetsen in groep 7?

Wanneer worden er toetsen afgenomen in groep 5?

Scholen gebruiken een Leerlingvolgsysteem (LVS) om de ontwikkeling van leerlingen over meerdere jaren te volgen. Dat gebeurt niet alleen met toetsen, maar ook via observaties, gesprekken en natuurlijk het dagelijks werk in de klas.

Veelgebruikte LVS-toetsen in Nederland zijn:

  • Leerling in Beeld (LIB) – Cito

  • Boom LVS

  • IEP (Inzicht Eigen Profiel)

 Net als in groep 3 en groep 4 wordt er in groep 5 twee keer per jaar getoetst.

  • Halverwege het schooljaar in januari/februari: de M5 toetsen
    (M staat voor Midden)
  • Aan het einde van het schooljaar in mei/juni: de E5 toetsen
    (E staat voor Eind)

Wat zijn de ‘Leerling in Beeld’ (LIB) toetsen in groep 5

De Leerling in Beeld (LIB)-toetsen zijn de vernieuwde versie van de bekende Cito-toetsen. Deze toetsen helpen scholen om de voortgang van je kind over meerdere jaren te volgen.

‘Het doel van LVS-toetsen is dan ook niet om een zo hoog mogelijke score te halen, maar om de ontwikkeling van het kind te meten.’ (Cito)

De LIB-toetsen zijn bedoeld om te meten wat je kind al kan en waar nog ontwikkeling mogelijk is. Daarom bevat de toets ook bewust opgaven die nog niet helemaal binnen de verwachte kennis van je kind vallen (er zijn zelfs opgaven over lesstof die ze nog niet gehad hebben). Op deze manier vallen ook kinderen die meer uitdaging nodig hebben op.

De uitslag wordt weergegeven in een grafiek die de groei van je kind laat zien, niet alleen op het moment van toetsing, maar ook de voortgang van de afgelopen jaren. Rekenen, taalverzorging en lezen vormen het basispakket van de LIB-toetsen dat de meeste scholen gebruiken. Sommige scholen kiezen voor een uitgebreider pakket met extra onderdelen zoals Engelswoordenschatbegrijpend luisterensociaal-emotioneel functioneren en executieve functies.

Onderdelen van de Cito-toets (LIB)

De Leerling in Beeld (LIB)-toets in groep 5 is opgebouwd uit verschillende onderdelen die inzicht geven in de vaardigheden en ontwikkeling van je kind. Hieronder vind je een overzicht van de belangrijkste vakken en wat ze meten:

1. Rekenen

Dit onderdeel test zowel ‘kale sommen’ (bijvoorbeeld 17 + 23) als praktische ‘verhaaltjessommen’. Het richt zich op:

  • Rekenvaardigheden: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
  • Verhoudingen: inzicht in verhoudingen.
  • Meetkunde: werken met figuren, lengtes meten en afstanden schatten.
  • Inzicht en probleemoplossend vermogen: toepassen van wiskundige kennis in praktische situaties.

2. Taalverzorging

Dit onderdeel test:

  • Spelling: spelling van woorden volgens de spellingsregels die in groep 5 aangeboden worden.

3. Begrijpend Lezen

Begrijpend lezen is een essentieel onderdeel dat je kind helpt teksten te begrijpen en juiste conclusies te trekken. Er komen verschillende soorten vragen voorbij, zoals tekst-opgaven en evaluatie-opgaven, met afwisselende teksten. Vaardigheden die hierbij getest worden zijn:

  • Tekstbegrip: de hoofdgedachte van een tekst achterhalen.
  • Conclusies trekken: verbanden leggen en logische conclusies trekken.
  • Informatie verwerken: tabellen, grafieken en schema’s lezen.
  • Zoeken en interpreteren: snel de juiste informatie vinden in naslagwerken of op internet.
  • Samenvatten: de kern van een tekst goed kunnen verwoorden.

4. Technisch lezen: AVI en DMT

Lezen vormt de basis voor alle vakken. Ook in groep 5 worden toetsen afgenomen om het leestempo en het leesniveau te bepalen. De resultaten van deze toetsen vormen ook een belangrijke indicatie voor mogelijke leesproblemen of dyslexie. Lees hier meer over de signalering in mijn blog over het signaleren van dyslexie op de basisschool.

Technisch lezen wordt gemeten met twee toetsen:

AVI: deze toets is een individuele afname, waarbij je kind de tekst op een leeskaart hardop voorleest. De leerkracht of begeleider noteert het tempo en eventuele leesfouten. Na de afname volgt een AVI-leesniveau. Dit geeft aan welke boeken het best passen bij het leesniveau van je kind.

DMT: tijdens de Drie-Minuten-Toets (DMT) leest je kind binnen één minuut zoveel mogelijk losse woorden op 3 leeskaarten met oplopende moeilijkheidsgraad. Het aantal goed gelezen woorden in een minuut wordt genoteerd.

 

Wat wordt er bij begrijpend lezen in groep 5 getoetst?

 

Tekstsoorten

In de toetsen begrijpend lezen komen verschillende tekstsoorten en genres aan bod. Met behulp van verschillende typen opgaven worden vaardigheden getoetst die nodig zijn om tot een goed begrip van tekst te komen.

Goede lezers maken gebruik van leesstrategieën, zoals het samenvatten van informatie in de tekst en de inzet van voorkennis over een onderwerp. Deze leesstrategieën zijn in de lessen begrijpend lezen veel aan bod gekomen. De teksten in de toetsen voor groep 5 zijn voor het merendeel verhalende en informatieve teksten. 

Opgaventypen

Er zijn verschillende soorten opgaven waarbij de nadruk ligt op het begrijpen en interpreteren van de tekst:

  • Vragen over de teksten waarbij een vraag gesteld wordt n.a.v. een tekst of deel van een tekst.
  • Openplaatsopgaven waarbij teksten worden aangeboden waaruit zinnen of delen van zinnen zijn weggelaten. De kinderen kiezen vervolgens het alternatief dat het best in de tekst past. Belangrijk is daarbij om zowel vóór als na de invulplaats te lezen.
  • Voorspelopgaven waarbij alleen de titel, een (begin)gedeelte van de tekst en soms een afbeelding wordt weergegeven. De rest van de tekst ontbreekt. Kinderen moeten op basis van de gegeven informatie een vraag beantwoorden waarbij ze een voorspelling moeten doen over de inhoud van de tekst.

Spellingtoetsen groep 5

De spellingtoetsen zijn soms in de vorm van een dictee. De leerkracht leest een zin voor, dan leest de leerkracht uit die zin één woord opnieuw voor: dat is het woord dat de kinderen noteren op het antwoordblad. Bij een digitale afname leest de computer voor. Er zijn echter ook toetsen waarbij kinderen het fout gespelde woord moeten herkennen in een meerkeuzevraag.

Spellingcategorieën in groep 5

De moeilijkheid van woorden t.o.v. de spellingtoets van groep 4 is toegenomen. De woorden in de toetsen van groep 3 en 4 hadden hooguit twee lettergrepen, terwijl de woorden in groep 5 bijna allemaal twee of meer lettergrepen hebben.

In de eerste helft van groep 5 wordt bij de meeste spellingsmethodes veel stof herhaald en komen er bijna geen nieuwe spellingcategorieën aan bod. De kinderen hebben bijvoorbeeld in groep 4 al de spellingsregel van aai/ooi/oei geleerd. Nu in groep 5 komen bij dezelfde regel moeilijkere woorden aan bod zoals: ‘ooievaar’.

In de tweede helft van groep 5 verdiepen kinderen hun spellingkennis. Ze bouwen voort op wat ze in groep 3 en 4 hebben geleerd en krijgen meer regels en uitzonderingen. De belangrijkste spellingscategorieën:

  • Open en gesloten lettergrepen
    lopen – loppen / maken – makken

  • Lange en korte klanken
    maan – man

  • Tweetekenklanken
    aa, ee, oo, uu, ie, oe, eu, ui, ou, au, ei/ij

  • Verkleinwoorden
    -je, -tje, -pje, -kje

  • Samenstellingen
    voetbalveld, klaslokaal

  • Woorden met voor- en achtervoegsels
    be-, ge-, ver-, -heid, -ing

  • Hoofdletters en leestekens
    namen, zinnen, punt, vraagteken

  • Meervoudsvormen
    -en, -’s (bijv. tafels, auto’s)

Rekentoetsen in groep 5

De rekentoetsen bestaan uit verhaaltjessom of een kale som die de leerling zelf leest. Bij de digitale variant kan de leerling de opgaven voor laten lezen door de computer.

Bij sommige opgaven hoort een ondersteunende afbeelding. Er zijn bij de rekentoetsen zowel open als meerkeuze vragen. De toetsen in groep 5 zijn gericht op de onderdelen getallen en meten en meetkunde. De volgende onderdelen komen in groep 5 aan bod:

Getallen en getalrelaties

  • Het begrijpen van de telrij, structuur en relaties van getallen. Bijvoorbeeld weten dat in het getal 63 de 6 niet 6 maar 60 voorstelt.
  • Grotere getallen op de getallenlijn herkennen of kunnen noteren.
  • Tellen met groepjes van 2, 5, 10, 20, 25, 50 en 100.
  • Verder en terug tellen met sprongen van 2, 5, 10, 25, 50 in een getallengebied tot 1000.
  • Hoeveelheden splitsen. Bijvoorbeeld: 350 pennen splitsen in 3 dozen van 100 en 1 doosje van 50 pennen.
  • Vergelijken van getallen. Bijvoorbeeld: Schrijf van klein naar groot op: 1099, 1101, 1001, 1009.
  • Sommen met optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen als ‘kale som’: 800-390=… Of in een context. Bijvoorbeeld: Jarno brengt zand naar de tuin. Hij loopt 14 keer met 2 volle emmers. Hoeveel emmers zand brengt hij naar de tuin?

Meten, tijd en geld

Meten omvat het meten van lengte, oppervlakte, inhoud en gewicht. Het gaat in groep 5 nog om de basiskennis en begrip van de maten. Bijvoorbeeld het aflezen van meetinstrumenten zoals de liniaal.

  • Herleiden van centimeter naar meter en omgekeerd.
  • Bepalen van een aantal dozen op een stapel.
  • Begrip van gram en kilogram en kunnen inschatten welke bij welke situatie de juiste maataanduiding past.
  • Bedenken welk figuur van gegeven puzzelstukjes gemaakt kan worden.
  • Het spiegelbeeld van een figuur aangeven.

Tijd

Geld

  • Totaalbedrag bepalen van munten en biljetten bij elkaar.
  • Gepast betalen met munten en biljetten.
  • Berekenen hoeveel geld je terugkrijgt in een winkel.
  • Munten of biljetten inwisselen tegen andere munten of biljetten. Bijvoorbeeld: Fenne heeft een briefje van 10 euro. Ze wisselt dit in voor munten van 50 cent. Hoeveel munten van 50 cent krijgt ze?

Kennismaken met de vraagstelling op de LVS-toetsen

Doet je kind het op de LVS-toets minder goed dan op de methode-toetsen? Dit kan te maken hebben met het verschil in vraagstelling. Op de LVS-toetsen wordt er vaak meer context en tekst gebruikt in de vraagstelling. Daarnaast wordt in deze toetsen lesstof van een langere periode getoetst en bij een gewone methode-toets vaak alleen maar wat ze in de 3 weken daarvoor hebben geleerd. 

Hoe kan ik mijn kind voorbereiden op de LIB-toets?

Wil je je kind op een ontspannen manier laten wennen aan deze vraagstelling, dan kan extra oefening helpend zijn. Een voorbereiding voor de LIB-toets kan je kind helpen om zelfvertrouwen op te bouwen. Bekijk alle oefenstof van Squla in groep 5 of doe de demo. Hier is een praktische checklist voor een ontspannen en effectieve voorbereiding:

  • Herhaling: Een extra herhaling van de vele nieuwe onderwerpen van groep 5 kan soms nét even de boost geven om de lesstof goed te beheersen.
  • Gebruik oefenplatforms zoals Squla: Squla biedt oefeningen voor de LIB-toets waarmee je kind de vraagtypes op eigen niveau kan oefenen. Dit helpt om zich goed voor te bereiden en de stof beter te beheersen.
  • Oefen met de vraagtypes van de LIB-toets: Laat je kind kennismaken met de soorten vragen die tijdens de toets kunnen komen. Dit bouwt vertrouwen op en zorgt dat de toets zelf geen verrassing is.
  • Zorg voor zelfvertrouwen: Moedig je kind aan om de toets te zien als een kans om te laten zien wat het kan. Fouten maken is oké; ze helpen juist om te leren. Leg dus geen extra nadruk dat dit een ‘belangrijk moment’ is.
  • Maak het leuk: Oefenen hoeft niet saai te zijn. Gebruik bijvoorbeeld speelse oefeningen, quizzen of leerzame spellen om het leerproces boeiend te houden.

Hoe helpt Squla bij de voorbereiding op LIB toetsen?

Squla biedt een rustige, doelgerichte manier om je kind goed voor te bereiden op de LIB-toetsen. Met Squla kan je kind zelf kiezen welk onderdeel hij gaat oefenen. Heeft je kind moeite met rekenen, spelling of begrijpend lezen? Met de leerzame games en quizzen kan er spelenderwijs worden geoefend met de vragen die lijken op de echte LVS-toets. Squla maakt het oefenen toegankelijk en effectief door:

  • Aansluiting op de schooldoelen: de oefeningen zijn afgestemd op de officiële SLO-leerdoelen van de basisschool, zodat je kind precies oefent wat het nodig heeft voor de toets.
  • Niveau past zich aan: de moeilijkheidsgraad wordt automatisch aangepast op basis van hoe je kind presteert. Zo oefent je kind altijd op het juiste niveau, wat vertrouwen geeft en frustratie voorkomt.
  • Oefen vragen zoals in de toets: Squla biedt vragen die lijken op de vraagstelling van Cito en IEP toetsen, zodat je kind vertrouwd raakt met het soort vragen dat het kan verwachten.
  • Leren met plezier: dankzij verhalen, quizzen en speelse oefeningen blijft het leerproces leuk en afwisselend, wat de motivatie hoog houdt.

Klaar om te oefenen? Klik hier voor een gratis proefaccount

Tot slot: het totaalplaatje van je kind

De Leerling in Beeld-toetsen in groep 5 geven inzicht in de ontwikkeling van je kind, maar een kind is zoveel meer dan alleen een toetsresultaat. Naast rekenen en taal telt ook hoe je kind zich sociaal, creatief en emotioneel ontwikkelt. Een goede voorbereiding kan helpen om met zelfvertrouwen de toets te maken, maar uiteindelijk draait het op school om veel meer dan alleen cijfers. Leerkrachten kijken naar het totale plaatje: hoe een kind groeit, samenwerkt, doorzet en nieuwe dingen ontdekt. De toetsresultaten zijn slechts één hulpmiddel om te bepalen waar extra ondersteuning of juist verrijking nodig is, maar ze zeggen niet alles over de unieke talenten en kwaliteiten van je kind.

Dit blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel | Bachelor of Education PABO | Master SEN (MSEN) intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Als Intern begeleider was ze onder andere verantwoordelijk voor het analyseren van LVS-toetsen, het begeleiden van leerkrachten bij de toetsafname en het bespreken van toetsen met ouders.

Wat wordt er getoetst bij de LVS- toetsen in groep 4?

Juf Shelby

Groep 4 is een belangrijk schooljaar. Waar in groep 3 de basis wordt gelegd, gaan kinderen in groep 4 die basis verder uitbouwen. Ze lezen steeds zelfstandiger, rekenen met grotere getallen en leren teksten beter begrijpen. Om deze ontwikkeling goed te volgen, maken kinderen in groep 4 verschillende LVS-toetsen.

In dit blog leg ik je uit welke toetsen er in groep 4 worden afgenomen, wat deze toetsen meten en hoe je je kind op een rustige en helpende manier kunt ondersteunen.

Om de ontwikkeling te volgen wordt je kind in groep 4 getoetst. Deze resultaten worden ook vergeleken met de toetsen van groep 3. In dit blog lees je wat er zoal aan bod komt in de toetsen van groep 4 en hoe de opgaven samengesteld zijn. (meer…)

Wat wordt er getoetst bij de LVS-toetsen in groep 3?

Juf Shelby

Groep 3 is een bijzonder jaar. Het jaar waarin je kind rond de kerst ineens korte zinnen kan lezen, ineens dingen bij elkaar kan optellen en je kind grote sprongen maakt in zijn ontwikkeling. Tegelijk roept dit schooljaar bij veel ouders vragen op: welke toetsen krijgt mijn kind eigenlijk? Wat meten die LVS-toetsen precies? En hoe serieus moet ik die uitslagen nemen?

In groep 3 heeft je kind in korte tijd veel geleerd, zowel bij lezen als bij rekenen. Scholen gebruiken een leerlingvolgsysteem (LVS) om de ontwikkeling van kinderen over meerdere jaren te volgen. Dat gebeurt niet alleen met toetsen, maar ook met observaties, gesprekken en dagelijkse lesmomenten.

Veelgebruikte LVS-systemen in Nederland zijn:

  • LIB (Leerling In Beeld) van Cito
  • Boom LVS
  • IEP toetsen (Inzicht Eigen Profiel)

Binnen deze systemen worden toetsen afgenomen, zodat leerkrachten kunnen zien:

  • waar een kind staat,
  • hoe de groei verloopt,
  • en welke extra ondersteuning of meer uitdaging nodig is.

👉 Belangrijk om te weten: toetsen zijn hulpmiddelen, geen doel om zo perfect mogelijk te maken. Er ligt gelukkig bij toetsaanbieders steeds vaker de focus op niet alleen de leerprestaties maar ook het welbevinden van je kind. Toetsen geven een score, maar vertellen nooit het hele verhaal van jouw kind.

Cito Leerling in Beeld (LIB)

Cito spreekt tegenwoordig niet meer alleen over “Cito-toetsen”, maar over Leerling in Beeld. Dit is een compleet toetssysteem waarin:

  • cognitieve ontwikkeling,
  • groei (vaardigheidsscores),
  • én sociaal-emotioneel functioneren
    samenkomen.

Veel scholen werken inmiddels met digitaal adaptieve toetsen. Dat betekent dat de toets zich aanpast aan het niveau van het kind: gaat het goed, dan worden de vragen iets moeilijker; is het lastig, dan worden ze eenvoudiger. Zo ontstaat een betrouwbaarder beeld zonder onnodige frustratie voor je kind.

Boom toetsen groep 3

Een andere aanbieder van toetsen is Boom LVS. Dit bestaat uit volgtoetsen voor de kernvaardigheden rekenen-wiskunde, begrijpend lezen en spelling, en de technische vaardigheden hoofdrekenen en technisch lezen.

Het Boom LVS is continu genormeerd. Dat betekent dat er geen vaste toetsmomenten zijn voorgeschreven. De leerkracht kiest niet alleen het best passende toetsmoment, maar ook de toets die het best past bij het niveau van de leerlingen. Boom adviseert 1x per jaar te toetsen, maar indien nodig zijn er mogelijkheden voor een extra afname. De LIB toetsen zijn overigens ook in andere periodes af te nemen dan de adviesperiodes. 

‘Door de toetsen af te nemen, die je inzicht geven in de aanleg en leerpotentie, de motivatie of de leeraanpak van het kind, kun je als school de verwachtingen die je hebt afzetten tegen de leeropbrengsten. Zo krijg je helder of je uit het kind haalt wat erin zit, en weet je wat je kunt doen om het aanbod verder aan te scherpen of andere accenten te leggen.’
Boom, informatiebrochure)

(meer…)

Alles over de LVS Cito-LIB-toetsen 2026

Juf Shelby

Toetsweken… voor veel ouders en kinderen voelt het als een spannende periode.
Toch zijn de LIB-toetsen van Cito helemaal niet bedoeld om kinderen “af te rekenen”, maar juist om hun groei in beeld te brengen. In deze blog leg ik je stap voor stap uit wat deze toetsen meten, wat begrippen zoals vaardigheidsscore, functioneringsniveau en referentieniveaus betekenen én waarom één lagere score echt geen reden is voor paniek.

Wat is het Leerlingvolgsysteem (LVS) eigenlijk?

Alle basisscholen zijn verplicht om de ontwikkeling van leerlingen te volgen. Veel scholen gebruiken hiervoor Leerling in Beeld (LIB) van Cito.
Deze toetsen:

  • volgen de voortgang van je kind
  • laten zien waar extra uitleg of juist extra uitdaging nodig is
  • helpen scholen om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren

Cito kijkt bij groei niet naar het landelijk gemiddelde, maar vergelijkt je kind met leerlingen van een vergelijkbaar niveau. Dat geeft een eerlijker beeld. Met de toetsen van het Leerlingvolgsysteem (LVS) volg je de gehele basisschooltijd de vorderingen van je kind.

Volgens Cito (2025) draait het bij Leerling in Beeld (LIB) om de groei van elk kind. In de rapportages is in één oogopslag te zien of de persoonlijke groei naar verwachting is, of juist boven of onder verwachting.
Voor scholen is het volgen van de resultaten belangrijk om de ontwikkeling per leergebied en per groep te analyseren. De rapportages helpen scholen om gericht te sturen op onderwijskwaliteit.

Welke LIB-toetsen worden afgenomen?

Scholen zijn verplicht om de vorderingen van leerlingen jaarlijks te volgen. Dit kan met LIB toetsen van Cito, maar ook met die van andere aanbieders zoals BOOM of IEP. Scholen bepalen zelf welke toetsen ze afnemen. Per leerjaar kan dit verschillen. De meest gebruikte LIB toetsen zijn:

Taal en lezen:

  • Spelling (groep 3 t/m 8)
    Werkwoordspelling en leestekens: een dictee over de spelling van werkwoorden in de tegenwoordige en verleden tijd voor groep 6, 7 en 8.
  • DMT: dit is een leestoets om in 1 minuut zoveel mogelijk woordjes op tempo te lezen. Er worden drie kaarten met woordrijtjes afgenomen, vandaar de naam drie-minuut-toets. De DMT toets wordt vaak gebruikt als meetinstrument bij vermoedens van dyslexie. Kinderen met leesproblemen hebben namelijk veel moeite met het lezen van losse woorden zonder de context van een zin.
  • AVI: dit is een leestoets met teksten/verhaaltjes die binnen een bepaalde tijd en een maximum aantal fouten gelezen moet worden. Hierna zijn kinderen in te delen op leesniveau, bijvoorbeeld: AVI M3 (midden groep 3). Hierna kun je ook gericht boekjes kiezen op het leesniveau. Of oefenen met het lezen van één AVI niveau hoger.
  • Begrijpend lezen: deze leestoets heeft vragen over de inhoud van diverse soorten teksten (gericht op het begrip van teksten) voor eind groep 3 t/m 8.

Rekenen en Wiskunde

Optionele toetsen:

  • Rekenen basisbewerkingen (hoofdrekenen)
  • Woordenschat
  • Engels
  • Begrijpend luisteren
  • Sociaal-emotioneel functioneren

Afnamemomenten

Er zijn twee of drie toetsmomenten in een schooljaar. Zo kan de leerkracht goed zien hoe de groei verloopt door het jaar heen. De afkortingen geven het moment van toetsafname weer:

  • B = Begin schooljaar: oktober (meestal alleen in groep 8 als extra ondersteuning voor het schooladvies)
  • M = Midden van het schooljaar (jan-feb)
  • E = Einde van het schooljaar (mei-jun)

Hoe werkt de toetsscore?

Een score zoals 35 van de 40 goed zegt weinig. Daarom zet Cito ruwe scores om naar een genormeerde score:

  • I of A-score: hoogste 20% van de leerlingen
  • V of E-score: laagste 20% van de leerlingen

A t/m E en I t/m V

Alle Cito-toetsen zijn landelijk genormeerd. Deze normen zijn bedoeld om de vaardigheid van kinderen te vergelijken met die van andere leerlingen in Nederland in dezelfde jaargroep. Deze score kan op 2 manieren ingedeeld worden.

Als een kind bijvoorbeeld aan het eind van groep 4 op de toets Spelling het vaardigheidsniveau A of I behaalt, dan betekent dit dat deze leerling op dat tijdstip tot de 20% hoogst scorende leerlingen behoort.

Vaardigheidsscore (VS)

De vaardigheidsscore toont de ontwikkeling van je kind over meerdere toetsmomenten.

Waarom is dit belangrijk?

  • Toetsen verschillen in inhoud en moeilijkheid.
  • Daardoor kun je “aantal goed” niet vergelijken tussen toetsmomenten.

Met de VS kan dat wél.

Voorbeeld:

  • Spelling M4: VS = 65
  • Spelling E4: VS = 72
    → je ziet een duidelijke groei.

Een A-I score zegt hoe je kind scoort in vergelijking met het landelijk gemiddelde van leeftijdsgenootjes. Maar het is veel interessanter om te zien hoe je kind ten opzichte van zichzelf gegroeid is. En laat dat nu precies zijn wat je als ouder en leerkracht wilt weten! In het leerlingprofiel zie je de vorderingen die jouw kind gemaakt heeft in een grafiek, eigenlijk veel mooier dan alleen een getalletje toch?

Persoonlijke groei in een grafiek

Het leerlingrapport van de LIB toetsen is volgens Cito op groei gericht, minder op alleen leerprestaties. Je ziet direct of de groei naar verwachting is, of juist boven of beneden verwachting. De leerkracht krijgt rapportages op diverse niveaus:

  • Leerlingniveau: van ieder kind individueel (deze rapportage krijg je als ouder ook te zien)
  • Groepsniveau: alle scores van de hele groep bij elkaar (geeft de leerkracht inzicht wat er in de groep aan leerkansen liggen)
  • Schoolniveau: geeft de IB-er/KC-er, directie en bestuur inzicht in wat er aan onderwijskwaliteit schoolbreed verbeterd kan worden.

Functioneringsniveau (FN)

Het functioneringsniveau (FN) geeft aan met welk gemiddelde leerjaar de vaardigheidsscore van je kind te vergelijken is. Een FN M4 betekent dat het kind functioneert op midden groep 4-niveau. Dit is een indicatie, geen oordeel. Een FN onder of boven het jaargroepniveau betekent vooral dat de leerkracht weet hoe hij of zij het onderwijs kan afstemmen.

Referentieniveaus (groep 6–8): 1F, 1S en 2F uitgelegd

Vanaf eind groep 6 laat Cito zien welke referentieniveaus je kind behaalt op taal en rekenen. Scholen gebruiken deze referentieniveaus om te bepalen of een leerling op koers ligt voor het voortgezet onderwijs en om gerichte ondersteuning te bieden indien nodig. In het basisonderwijs zijn de belangrijkste niveaus:

  • 1F – Fundamentniveau (basis die elke leerling aan het einde van groep 8 nodig heeft)
  • 1S – Streefniveau (iets hoger; passend voor veel leerlingen)
  • 2F – Streefniveau taal voor leerlingen die richting vmbo-tl/havo/vwo gaan
  • 3F/4F – Deze worden pas in het voortgezet onderwijs gemeten

Belangrijk om te weten is dat er vanaf groep 3 al wordt begonnen met het werken aan de doelen om uiteindelijk het 1F-niveau te behalen. Deze doelen bereiden leerlingen stap voor stap voor op het behalen van de 1F-doelen. In de praktijk behalen bijna alle leerlingen dit niveau voor het verlaten van de basisschool. Daarom wordt er in het basisonderwijs ook gewerkt aan hogere referentieniveaus. Voor taal is dat niveau 2F en voor rekenen niveau 1S. Dit worden ook wel streefdoelen genoemd, omdat ze voor alle leerlingen nagestreefd worden, maar niet door iedereen worden behaald aan het einde van het basisonderwijs. Lees meer over referentieniveaus in mijn blog: Wat zeggen de referentieniveaus 1F, 1S en 2F over je kind? Juf Shelby legt het uit

Help, een lage score! Wat nu?

Eén lage score zegt niet dat je kind het niet kan of dat er iets “mis” is.

Toetsen:

  • zijn momentopnames
  • meten nooit álles wat een kind kan
  • zijn slechts één van de vele bronnen die de leerkracht gebruikt

De juf of meester kijkt naar:

  • werkhouding
  • inzet
  • zelfstandigheid
  • leerstrategieën
  • sociale ontwikkeling
  • én toetsresultaten

Een Cito-score bepaalt nooit alleen het niveau of schooladvies. Een toets is geen afrekeninstrument. Maak je dus niet te veel zorgen over één lagere score. Het belangrijkste is dat je kind zich blijft ontwikkelen. Leg er dus niet al te veel prestatiedruk op. Een toets laat de verbeterpunten van je kind zien, maar ook wat juist zijn of haar sterke kanten per vakgebied zijn. Zodat je kind extra ondersteund of extra uitgedaagd kan worden. Het resultaat van een toets is dan ook echt niet allesbepalend. De juf of meester ziet veel meer van je kind in de dagelijkse omgang en baseert zijn oordeel niet alleen op toetsscores. Geen stress dus van een lage score!

Oefenen voor de Cito-toets, do or don’t?

Cito zelf geeft aan:
Oefenen mag, maar niet om hogere scores te behalen. Wel om vertrouwd te raken met vraagsoorten.”

Oefenen voor de toets is in principe niet nodig, omdat de toets bedoeld is om objectief te meten wat je kind kan. Wel kan het helpen om vertrouwd te raken met de vraagstelling, omdat LVS-toetsen anders geformuleerd zijn dan methodetoetsen. In de les of thuis oefenen met de belangrijkste lesstof van dat leerjaar, kan dan ook zinvol zijn. Wil je weten wat er per leerjaar getoetst wordt? Lees dan mijn blogs over wat er per groep getoetst wordt.

Oefenen met de vraagstelling

Wat dus vooral helpend kan zijn is het kennismaken met de vraagstelling in Cito-toetsen door bijvoorbeeld te oefenen met de Cito-voorbereidingen van Squla. Toetsen maken namelijk vaak gebruik van meerkeuze vragen, wat kinderen bij het dagelijks rekenen niet zo gewend zijn. Het is dan goed om voor te bereiden hoe je omgaat met dat soort vragen.

Heeft je kind moeite met de LVS-toetsen? Dat is niet zo gek. Methodetoetsen sluiten vaak aan op de stof waarmee je kind in de weken daarvoor geoefend heeft. LVS-toetsen gaan over leerstof van een langere periode en dat kan best verwarrend zijn. Op Squla oefent je kind met de lessstof van het desbetreffende schooljaar zodat hij of zij niet verrast wordt op het toetsmoment.

Speciale aanpassingen

Ouders vragen regelmatig of er aanpassingen mogelijk zijn voor kinderen met bijvoorbeeld dyslexie, TOS of een visuele of auditieve beperking. De school bepaalt zelf welke versie van de toets wordt ingezet. De ondersteuning verschilt tussen de papieren en digitale versie. In de digitale toets is er bijvoorbeeld audio-ondersteuning, ook bij leesteksten. Daarnaast zijn de volgende aangepaste versies beschikbaar:

  • zwart-witversie (ook met audio te gebruiken, alleen op papier)
  • vergrote zwart-witversie (ook met audio te gebruiken, alleen op papier)
  • verklankte versie (zowel op papier als digitaal)

Wil je weten welke aanpassing het beste bij jouw kind past? Bespreek dit met de school.

Geen stress!

Toetsen zijn dus bedoeld om de ontwikkeling van je kind in beeld te brengen en zijn echt niet allesbepalend. Het laat de groei van je kind zien, maar blijft ook een momentopname. Leg er dus niet te veel druk op. Focus vooral op het proces (de inzet van je kind) in plaats van op het resultaat. Heel veel succes deze toetsperiode!

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel – Juf Shelby | Bachelor of Education PABO | Master SEN (MSEN) intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs.

Geraadpleegde bronnen:
Cito leerlingprofiel

Wat zeggen de referentieniveaus 1F, 1S en 2F over je kind? Juf Shelby legt het uit

Juf Shelby

In deze blog neem ik je mee in wat referentieniveaus zijn, bij welke toetsen ze worden weergegeven en hoe je deze uitslagen kunt interpreteren zonder onnodige zorgen. Vooral wanneer er termen voorbij komen die je niet dagelijks gebruikt: 1F, 1S, 2F… Wat betekent dat allemaal? Waar zie je het terug? En vooral: wat zegt het over je kind?

Wat zijn referentieniveaus?

Referentieniveaus zijn landelijke afspraken over de basisvaardigheden die kinderen aan het einde van hun schoolloopbaan moeten beheersen op het gebied van taal en rekenen. In de wet staat dat alle toetsaanbieders van de eindtoets de referentieniveaus moeten meten.

Ze zijn bedoeld om duidelijkheid te geven: wat moet een kind minimaal kunnen (fundamentniveau) en welk niveau streeft het onderwijs na (streefniveau).

We werken in het basisonderwijs met:

  • 1F – fundamentniveau (basis die elke leerling aan het einde van groep 8 nodig heeft)
  • 1S – streefniveau (iets hoger; passend voor veel leerlingen)
  • 2F – streefniveau taal voor leerlingen die richting vmbo-tl/havo/vwo gaan
  • 3F/4F – deze worden pas in het voortgezet onderwijs gemeten

Een referentieniveau zegt iets over wat een kind op dit moment laat zien, niet over zijn of haar volledige potentie.

1F is dus het fundamentele niveau voor taal en rekenen dat (bijna) alle kinderen aan het einde van de basisschool zouden moeten beheersen voordat ze naar het voortgezet onderwijs gaan.

Waar zie je referentieniveaus terug?

De school kiest zelf welke toetsaanbieder ze gebruiken om de ontwikkeling te volgen. Bekende toetsaanbieders zijn: Cito Leerling in Beeld, BOOM, Route-8, DIA-toetsen, AMN en IEP. Deze toetsen meten in de middenbouw en bovenbouw of een kind richting het 1F doel groeit.

Je ziet dus niet: “je kind is nu 1F”
maar wel:

  • Is het op weg naar 1F?
  • Ontwikkelt het boven verwachting (richting 1S/2F)?
  • Ontwikkelt het onder niveau en is extra ondersteuning nodig?

IEP geeft in het LVS (Leerlingvolgsysteem) per onderdeel aan of een leerling “toewerkt naar 1F” of naar een hoger niveau. Cito laat in Leerling in Beeld zien hoe de groeilijn zich verhoudt tot de 1F-groeilijn in een grafiek.

1. Cito – Leerling in Beeld (LVS)

Cito geeft binnen het leerlingvolgsysteem aan waar een kind staat ten opzichte van de referentieniveaus.

  • In rapportages op leerling-, groeps- en schoolniveau zie je de groei en hoe die zich verhoudt tot de landelijke normen.
  • De referentieniveaus worden vanaf eind groep 6 zichtbaar in de “Leerling in Beeld” toetsen.
  • Je ziet bijvoorbeeld:
    “Je kind beheerst nu 1F voor lezen” of
    “Het werkt toe naar 2F voor taalverzorging”.

Voor jou als ouder geeft dit inzicht in:

  • Hoe je kind zich ontwikkelt,
  • Of de basis voldoende stevig is,
  • En waar mogelijk extra aandacht nodig is.

2. IEP-toetsen (Bureau ICE)

Ook de IEP Doorstroomtoets en het IEP-LVS werken met referentieniveaus.

Bij de IEP-toetsen zijn voor het einde van groep 8 belangrijk:

  • Taal: 1F en 2F
  • Rekenen: 1F en 1S

De IEP-uitslag laat direct zien welk niveau je kind heeft gehaald. Dit wordt vervolgens gebruikt bij het schooladvies, maar het advies is altijd een combinatie van toetsen, observaties, werkhouding en ontwikkeling.

Wat zegt een referentieniveau over je kind?

1. Het geeft aan waar je kind staat in de leerlijn

Een kind dat 1F beheerst, heeft de basisbeginselen van rekenen of taal voldoende onder de knie. Een kind dat 1S of 2F haalt, zit daarboven en kan vaak meer uitdaging aan.

2. Het is géén etiket of eindstation

Een referentieniveau is een momentopname. Het zegt niets over motivatie, werkhouding, creativiteit, doorzettingsvermogen of de groei die gaat komen. Veel kinderen maken groeisprongen met name in de bovenbouw.

3. Het helpt de school om passend onderwijs te bieden

De leerkracht gebruikt deze informatie om:

  • Te bepalen welke instructie een kind nodig heeft,
  • Te zien of er extra ondersteuning nodig is,
  • En samen met jou te bespreken waar je kind naartoe kan groeien.

4. Het zegt niets over wie je kind ís

Referentieniveaus zijn een waardevol hulpmiddel om te zien hoe een kind zich ontwikkelt in taal en rekenen. Maar een toets vertelt nooit het hele verhaal. Een referentieniveau zegt iets over vaardigheden, niet over waarde.

Een kind kan super goed zijn in begrijpend luisteren, samenwerken, creatief denken, bouwen, tekenen, sporten, of sociaal contact, allemaal dingen die niet met een opgavenboekje te toetsen zijn.

Hoe interpreteer je de uitslag als ouder?

  • Onder 1F?
    Dat betekent dat de basis nog niet stevig genoeg is. De school kijkt dan wat er nodig is aan extra begeleiding.
  • 1F behaald?
    Je kind beheerst de basis. Dat is prima en passend voor veel leerlingen.
  • 1S of 2F?
    Je kind laat zien dat het bovengemiddeld presteert op dat onderdeel. Dit is een hoger niveau, bedoeld voor kinderen die doorstromen naar voornamelijk de havo of het vwo. 
  • Verschillen tussen de vakken?
    Dat is normaal. Het ene kind is sterker in taal en het andere in rekenen.
  • Dalingen of stijgingen?
    Bekijk altijd de groei over langere tijd. Eén mindere toets zegt vaak heel weinig.

Wat kun je als ouder doen?

  • Praat met je kind over wat het al wel kan.
  • Vraag op school naar wat de score betekent in de dagelijkse lessen.
  • Focus op groei, niet op het niveau alleen.
  • Ondersteun spelenderwijs thuis met lezen, rekenen en woordenschat. Met Squla kun je heel doelgericht op bepaalde onderwerpen oefenen van taal of rekenen.
  • Vraag gerust om extra uitleg of een vervolggesprek als de uitslag je onzeker maakt.

Taal en rekenen oefenen met Squla: doelgericht en leuk

Een fijne manier om thuis gericht aan de slag te gaan met taal en rekenen is door gebruik te maken van Squla. Belangrijke kenmerken:

  • Doelgericht oefenen: In de bovenbouw (groepen 6 t/m 8) stelt Squla dagelijks een leerpad samen waarmee je kind werkt aan een helder doel.
  • Adaptief niveau: Het oefenmateriaal past zich aan het niveau van je kind aan: is iets te moeilijk, dan wordt het iets eenvoudiger; gaat het goed, dan komt er uitdaging bij.
  • Verloop naar toetsen: Voor groep 8 is er specifiek materiaal om bekend te raken met het type vragen dat voorkomt bij de eindtoetsen.
  • Motivatie + plezier: Omdat de oefeningen zijn vormgegeven als spel of quiz, blijft je kind vaak gemotiveerder.

Het kind achter het cijfer

Als juf zag ik het vaak: Kinderen groeien vaak met sprongen, bloeien op door vertrouwen en leren het meest wanneer ze zich gezien voelen en lekker in hun vel zitten. Ook per leerjaar kunnen er grote verschillen zijn. Waar sommige kinderen in groep 6 nog lang niet op weg lijken te zijn naar 1F, werd het vaak in groep 8 ruim behaald. Blijf vooral kijken naar je kind in zijn totaliteit, jouw kind met zijn talenten, zijn inzet en zijn unieke manier van leren.

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht, intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO verdiepte ze zich in gedrag en begeleiding met de Master SEN (Special Educational Needs). Vanuit haar ervaring in de klas én als moeder van Fayenn (6) en Mace (3), schrijft ze onder de naam ‘Juf Shelby‘ over opvoeding, onderwijs en gedrag.

Juf Shelby over rust, duidelijkheid en opvoeden zonder Sinterklaas-dreigementen.

Juf Shelby

Als juf vond ik de Sinterklaastijd altijd geweldig in de klas: zingende kinderen, rekenen met pepernoten en de mooiste verhalen over daken, kwijtgeraakte boeken en paarden. Maar eerlijk? Ik merkte óók vaak veel onrust in de klas. December brengt drukte, spanning en kinderen die sneller in tranen zijn. Nu ik zelf moeder ben van een peuter en een kleuter (3 en 6 jaar), zit ik er opnieuw middenin: maar dan vanaf de ouderkant. En dat roept een belangrijke vraag op: hoe help je je kind om deze periode leuk te vinden, zonder dat de spanning te groot wordt? En waarom kies ik er bewust voor om niet te dreigen met Sinterklaas?

Duidelijkheid: vertel je kind exact wat het kan verwachten

Voor kinderen is november en december een onzekere tijd. Er gebeurt van alles waarvan ze niet precies weten hoe het werkt. Juist dan is jouw voorspelbaarheid zo belangrijk!

Wat helpt?

  • Een aftelkalender ophangen: visueel, duidelijk, overzichtelijk.
  • Samen aangeven op de aftelkalender wanneer de schoen gezet mag worden.
  • Noteren welke dag pakjesavond is.
  • Noteren wanneer Sinterklaas ergens te zien is, zoals op school of bij een vereniging.

Maar vertel ook hoe het gaat verlopen. Bijvoorbeeld:
“Vanavond zetten we de schoen. We zingen een paar liedjes. Jij legt je tekening klaar voor Sinterklaas of een wortel voor Ozosnel. Dan gaan we slapen en morgenochtend kijken we samen wat erin zit.”
Laat het daarbij. Geen spannende toevoegingen zoals: “Misschien loopt hij vannacht wel door ons huis…” of “Misschien zit er wél… of géén cadeautje in je schoen, we zullen zien…”
Kinderen hebben niet méér spanning nodig: ze hebben jouw rust en voorspelbaarheid nodig.

MIJN TIP: op de website van Zwijsen kun je gratis aftelkalenders downloaden van veelgebruikte lesmethodes van school.

Waarom ik nooit dreig met: ‘anders krijg je geen cadeautjes’

Het klinkt soms als een snelle manier om gedrag te sturen:
“Als je nu niet luistert, dan ziet Sinterklaas dat. En krijg je geen cadeautjes.”
Ik denk dat we dit zelf ook vaak vroeger hoorden als kind… Maar wat doet zo’n opmerking eigenlijk?
1. Het vergroot de spanning.
Je kind gaat zich afvragen: Ben ik wel lief genoeg geweest? Heeft Sinterklaas gezien dat ik niet luisterde? En die vraag kan héél groot voelen voor jonge kinderen en vooral de druk verhogen.
2. Het creëert het gevoel dat er altijd iemand meekijkt.
En dat kan angst geven, ook ’s nachts. Niemand is de ‘hele dag’ perfect en lief. En dat hoort ook zo!
3. Het ondermijnt jouw eigen gezag als ouder.
Je leert je kind: niet mama/papa, maar Sinterklaas bepaalt wat wel of niet mag. En na 5 december werkt het niet meer 😉


Daarnaast blijkt uit ontwikkelingspsychologisch onderzoek dat dreigen vrijwel altijd leidt tot korte-termijngehoorzaamheid, maar niet tot langdurig beter gedrag. Dreigen veroorzaakt stress, en gestreste kinderen luisteren juist mínder goed.

Ik merkte zelf:
Wanneer ik de neiging voel om met Sinterklaas te dreigen, zegt dat eigenlijk iets over míjn machteloosheid in dat moment. Niet over het gedrag van mijn kind.
Het helpt me dan om even stil te staan: Wat heeft mijn kind nú nodig? Rust? Aandacht? Begrenzing? Een keuze? En meestal is dat effectiever dan welk dreigement dan ook. Daarnaast werkt dit trucje van dreigen maar tot 5 december… daarna niet meer. Daarna zul je toch op een andere manier ervoor moeten zorgen dat je kind luistert.. waarom zou je het niet meteen zo aanpakken?

Plan niet te veel activiteiten

In november en december zijn er veel leuke Sinterklaasactiviteiten, maar hoe leuk ook; het zijn allemaal prikkels.

Ga je overal heen? Dan is er élke dag iets nieuws om over na te denken, om van te dromen, of… om je druk over te maken.

Kies liever:

  • Eén intocht (school of dorp)
  • Eén of twee momenten om de Sint van dichtbij te zien
  • En verder ook bewust wat meer rustdagen

Dagen waarop je gewoon thuis bent, waar je kind kan spelen met het schoencadeautje van de avond ervoor en kan ontladen. Meer rust = minder spanning.

MIJN TIP: Ga juist in november of op de dag van pakjesavond extra naar buiten: frisse lucht, bewegen en spelen in het bos verlagen de spanning die kinderen opbouwen.

Kies bewust wat je kind ziet (en wánneer)

Het Sinterklaasjournaal is prachtig gemaakt, maar vaak ook best spannend. Zeker voor peuters en gevoelige kleuters.

Vraag je eens af:

  • Wanneer kijk je?
    Vlak voor bedtijd kijken kan zorgen voor ‘piekeren’ voor het slapen gaan.
    Misschien werkt het voor jouw kind beter om in de ochtend of middag te kijken.
  • Kijk je zelf mee?
    Door simpelweg naast je kind te zitten, geef je veiligheid.
    Je ziet meteen wat binnenkomt en waar je over kunt praten.

Voor de allerkleinsten (2-4 jaar) zijn luchtige alternatieven soms fijner:

  • Filmpjes van alleen de liedjes van de “Club van Sinterklaas”. De gewone afleveringen van de “Club van Sinterklaas” zijn vaak te spannend voor peuters. Videoland heeft ook korte, rustige mini-clips en liedjes die wél geschikt zijn.
  • Korte, vrolijke filmpjes (Juf Roos, Mini-disco Sinterklaasliedjes)
  • Simpele korte verhaaltjes zonder grote verhaallijn. (Nijntje Sinterklaasverhaaltjes)

Als je kind bang is voor Sinterklaas of de pieten

Dit is heel normaal. Echt! Vooral 2- en 3-jarigen vinden het overweldigend: harde muziek, grote mensen in kostuums, drukte en onbekende situaties. Mijn zoontje Mace (3) zei laatst:
“Mama, ik vind de pietjes wel leuk, Sinterklaas niet.”
Prima. Ik benoemde het alleen:
Ik: “Vind je Sinterklaas misschien een beetje spannend?”
Mace: “ja”
Ik: “Dat begrijp ik, zal ik bij jou blijven dan kijken we samen”

Meer hoeft niet. Dwing je kind niet om op schoot te gaan, op de foto of om een hand te geven. Nee = nee. Volgend jaar is je kind weer een jaar ouder en dat scheelt vaak enorm. Heb jij een enthousiast kind die meteen op schoot springt? Ook goed! Laat ieder kind zijn eigen tempo volgen.

Niet te veel nadruk op de nachtelijke spanning

Voor kinderen is het idee dat iemand ’s nachts het huis binnenkomt best gek. En soms zelfs eng. Probeer daar dus ook niet te veel op te focussen in je taalgebruik.
Dus liever:
“Morgenvroeg gaan we samen kijken wat er voor cadeautje in je schoen ligt.”
Dan:
“Goed luisteren vannacht hè… Misschien hoor je de pieten wel sluipen!”
Neutraal blijven helpt spanning verminderen.

Samen kijken wat er in de schoen zit

Wij kiezen er thuis bewust voor dat we met z’n allen tegelijk naar beneden gaan als de schoenen gezet zijn en spreken af dat we wachten tot iedereen wakker is. Dit vertellen we al de avond vooraf. Hierdoor heeft niemand spanning of slapeloosheid.

Nog meer tips voor een ontspannen Sinterklaasperiode

→ Beperk de hoeveelheid cadeautjes
Een klein cadeautje in de schoen is écht genoeg. Te veel geeft prikkels én verwachtingen. Door vooraf ook te vertellen dat schoenkadootjes klein zijn en in je schoen passen is dit voor je kind meteen duidelijk.

→ Bewaak je basisroutines
Gezond eten, slapen, rust: dit zijn de dingen die kinderen zó nodig hebben in drukke tijden. In deze periode krijgen kinderen vaak nét wat meer suiker binnen… van pepernoten tot chocolaatjes en traktaties op school. Helemaal prima, maar wees je ervan bewust dat veel suikers bij sommige kinderen kunnen zorgen voor nóg meer drukte, pieken en dalen in energie en soms zelfs extra emoties.

→ Praat over gevoelens
Bang zijn, blij zijn, zenuwachtig zijn, alles mag er zijn. Je hoeft het niet ‘weg’ te praten; je mag het alleen maar samen dragen. Dus niet “Nee joh.. Je hoeft niet bang te zijn voor Sinterklaas“. Maar: ik ben bij je.

→ Maak een “uitblaasmoment” na school
Thuis komen, iets drinken, 15 minuten vrij spelen. Pas daarna praten over de dag. Veel kinderen hebben even extra ontprikkeltijd nodig deze weken.

→ Lees herkenbare boekjes
Boekjes over spanning of over Sinterklaas zijn vaak een fijne kapstok voor gesprekjes.

Een Sinterklaastijd vol rust, warmte en veiligheid

Sinterklaas hoort een warme en gezellige tijd te zijn, geen stressvolle.
Door voorspelbaarheid te bieden, rust in te bouwen en niet te dreigen, help je je kind om deze periode écht te genieten. Kinderen hoeven naar mijn idee niet “lief genoeg” te zijn. Ze hoeven alleen maar zichzelf te zijn.

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht, intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO verdiepte ze zich in gedrag en begeleiding met de Master SEN (Special Educational Needs). Vanuit haar ervaring in de klas én als moeder van Fayenn (6) en Mace (3), schrijft ze onder de naam ‘Juf Shelby‘ over opvoeding, onderwijs en gedrag.

Niet streng, wel duidelijk. Juf Shelby over liefdevol opvoeden met kaders

Juf Shelby

Als juf (én moeder) moest ik het écht leren: grenzen stellen. In het begin vond ik het moeilijk om streng te zijn, ik wilde dat kinderen me aardig vonden. Totdat ik mezelf leerde afvragen: wil ik dit gedrag dertig keer in de klas? Zo niet, dan moet ik het nú begrenzen!
Toch geloof ik als ouder en leerkracht niet in straffen of dreigen als basis. Kinderen leren vooral door positieve verwachtingen, complimenten en stimulering van gewenst gedrag. Maar duidelijke grenzen geven wel veiligheid en zijn soms zeker nodig. Opvoeden is dus niet zwart-wit, het is de ene keer meebewegen en soms ook duidelijk afbakenen.

Waarom grenzen zo belangrijk zijn

Grenzen geven duidelijkheid. En duidelijkheid geeft rust. Opvoedkundige Els Vandingenen beschrijft dat liefdevolle grenzen kinderen niet beperken, maar juist veiligheid en houvast bieden. Door consequent te zijn en duidelijk aan te geven wat wel en niet kan, weten kinderen waar ze aan toe zijn en dat zorgt voor rust, vertrouwen en verbondenheid (Vandingenen, 2021).

Grenzen kinderen helpen om de wereld te begrijpen: wat mag wel, wat mag niet, en waarom.‘ – Juf Shelby

Grenzen stellen is niet streng zijn om het straffen. Kinderen moeten leren dat niet alles kan, en dat hun gedrag gevolgen heeft. Dat is jouw taak als opvoeder. Toch vinden veel ouders dit moeilijk: we willen graag aardig gevonden worden en de ‘leuke ouder’ zijn.
Maar denk eens terug aan je leerkrachten van vroeger. Vaak waren de ‘goede juffen en meesters’ niet de soepelste, maar de duidelijkste. Ze waren streng maar rechtvaardig, kwamen afspraken na en boden veiligheid. In klassen waar alles mocht, ontstond juist onrust.
Dat geldt ook thuis. Onze kinderen hebben niet de liefste ouder nodig, maar de duidelijkste. Dus zeg niet te vaak “misschien” of “straks” ; dat schept verwarring. Zeg de dingen duidelijk: “Nee, dit mag niet.” Dat klinkt eenvoudig, maar het geeft helderheid en vertrouwen.

Ouder-Hack: Grenzen stellen zonder het woordje ‘nee’ te gebruiken

Grenzen stellen hoeft niet hard of negatief te klinken. Soms kun je het positief verwoorden, vanuit een ‘ja‘. Dat roept veel minder discussie of weerwoord op dan een ‘nee’.
Bijvoorbeeld: “Ja… ik snap dat je nog wilt spelen, het is ook leuk hier. Je mag nog één ding kiezen en dan gaan we naar huis.” Zo blijf je vriendelijk, maar toch héél duidelijk.

In het boek “Jagen, verzamelen, opvoeden” beschrijft auteur Michaeleen Doucleff (2021) hoe Inuit-ouders hun kinderen corrigeren zonder te schreeuwen of te straffen. Ze gebruiken gezichtsuitdrukkingen en mimiek om gedrag bij te sturen. Een afkeurende blik zegt genoeg en roept geen discussie op. Dat laat zien dat grenzen ook zacht en liefdevol kunnen zijn, zolang je consequent blijft.

Benoem wat je wél wilt zien

Tijdens mijn master SEN-opleiding tot Gedragsspecialist leerde ik veel over oplossingsgericht werken, geïnspireerd door Insoo Kim Berg. Zij zei ooit: “Praat minder over problemen, en meer over wat werkt.” (Berg & De Jong, 2013)

In een klas met veel negatief gedrag probeerde ik eens iets anders: ik observeerde een hele dag lang alleen wat goed ging en schreef dat allemaal op. Aan het eind van de dag las ik dat voor: “Tessa hielp haar buurman met rekenen. Nick werkte geconcentreerd ondanks het lawaai.”
Non-verbaal liet ik die dag zien dat ik alleen op de positieve dingen lette. En dat werkte! De sfeer veranderde direct. De kinderen straalden en werden gefocust om nog meer ‘goed gedrag’ te laten zien toen ze doorhadden dat ik juist die dingen opschreef.

Ook thuis kun je dit toepassen. Benoem niet alleen wat je níet wilt, maar juist wat je wél verwacht. Nog beter: laat je kind het zelf zeggen.
“We gaan straks naar de kerk, weet jij hoe we daar doen?”
Je zult verbaasd zijn hoe goed kinderen zelf kunnen verwoorden welk gedrag passend is. En wat ze zelf zeggen, zullen ze eerder naleven.

Je wordt niet de leukste ouder als alles mag

We willen graag leuk gevonden worden. Maar opvoeden is geen wedstrijd in ‘de leukste ouder zijn’. Kinderen hebben duidelijkheid nodig, want dat geeft veiligheid. Wanneer de ene dag iets wel mag en de volgende niet, worden ze onzeker.

Ik zie dit vaak terug bij gescheiden ouders. Uit liefde of schuldgevoel wordt er soms meer toegestaan: “Ik wil het gezellig houden, ze zijn toch maar een paar dagen hier.”
Begrijpelijk, maar niet helpend. Kinderen leren snel de verschillen tussen ouders uit te spelen. Beter is om vanuit rust en consequentie te handelen. Duidelijkheid is een vorm van liefde.

Choose your battles

Grenzen stellen betekent niet dat je alles moet corrigeren. Soms is het ook goed om iets even te laten gaan. Niet elk slordig woordje of zuchtje hoeft een discussie te worden. Vraag jezelf af: is dit het waard om mijn energie aan te besteden?

En let op je eigen “emmertje”. Als je al moe bent of gestrest, schiet je sneller uit je slof. Op de Pabo leerde ik ooit: word boos vóórdat je woest bent.
Zeg dus rustig wat je grens is, voordat je emmer overloopt. Want als je zelf kalm blijft, leert je kind dat grenzen duidelijk én liefdevol kunnen zijn. En soms betekent het ook wel eens dat je een klein dingetje even laat gaan.

Grenzen stellen is ook liefde tonen

Grenzen stellen is niet de tegenhanger van liefde, het ís een vorm van liefde. Je zegt met elke grens eigenlijk: ik geef om jou, en ik zorg dat jij je veilig kunt ontwikkelen.
Wees duidelijk, blijf warm en soms: choose your battles.
Dan groeit je kind niet alleen op met regels, maar vooral met richting.

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht, intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO verdiepte ze zich in gedrag en begeleiding met de Master SEN (Special Educational Needs). Vanuit haar ervaring in de klas én als moeder van Fayenn (6) en Mace (3), schrijft ze onder de naam ‘Juf Shelby‘ over opvoeding, onderwijs en gedrag.

Geraadpleegde bronnen:
Berg, I. K., & De Jong, P. (2013). De kracht van oplossingen: Handboek oplossingsgericht werken (4e druk). Pearson Benelux.

Doucleff, M. (2021). Jagen, verzamelen, opvoeden: wat we kunnen leren van traditionele opvoeding. Spectrum.

Vandingenen, E. (2021). Liefdevol grenzen stellen aan je kind. Uitgeverij De Kler.

Uit eten met jonge kinderen: zo lukt het wél!

Juf Shelby

Uit eten met jonge kinderen, het klinkt voor veel ouders als een uitdaging. Toch neem ik mijn kinderen al sinds ze baby zijn regelmatig mee uit eten. Niet omdat dat altijd makkelijk was, maar omdat we het belangrijk vonden dat ze leerden hoe gezellig samen eten kan zijn, ook buiten de deur. Inmiddels zijn ze 3 en 6 jaar oud en genieten we echt van zulke momenten. Maar ik weet dat het voor veel ouders een drempel is: wat als ze alles bij elkaar huilen? In deze blog deel ik hoe wij het aanpakten, wat er misging (want ja, dat gebeurde ook!) en wat juist héél goed werkte.

Uit eten met een baby

De eerste keer met een baby naar een restaurant vond ik best spannend. Wat als ze zou huilen, of alles bij elkaar krijsen? Mijn man was gelukkig de nuchtere factor. Zijn motto: “Dan rekenen we af en gaan we weer.” En dat hielp mij enorm om er ook nuchter over te denken (zelfs als ze wél ging huilen).

Met een baby draait alles om timing. Voor ons werkte het goed om vlak na een voeding te eten of bijvoorbeeld precies nog de flesvoeding in het restaurant te geven. Dan was ze tevreden en viel ze vaak heerlijk in slaap in de kinderwagen. Niet net vóór een voeding, want dan slapen ze licht en zijn ze sneller onrustig. Soms liepen we eerst een rondje zodat ze alvast een dutje deed in de wagen, en daarna konden wij rustig eten. En ja, er zijn avonden geweest dat we eerder moesten afrekenen, maar die keren kan ik op één hand tellen. Meestal ging het verrassend goed. Door het regelmatig te doen, raakten onze baby’s gewend aan geluid, mensen en prikkels. En leerde vooral ik als moeder om er relaxed in te staan.

Met een dreumes uit eten

Als je vaker uit eten gaat met jonge kinderen, ontdek je al snel dat elke fase: baby, dreumes en peuter zijn eigen uitdagingen heeft. Zodra ze konden zitten, werd uit eten gaan een stuk gezelliger. Er is zoveel te zien voor een dreumes! We bestelden vaak een broodmandje vooraf, zodat ze lekker konden mee-eten. Ook nam ik altijd zelf iets te eten mee (want voor dreumesen staat er meestal niet echt iets op de menukaart) een potje of zelfgemaakt hapje dat ze in het restaurant konden eten. Het is helemaal niet raar als je vraagt om dat even in de keuken te laten opwarmen.

Op tijd eten voorkomt een hoop gedoe

Mijn gouden tip is vroeg reserveren, bijvoorbeeld rond 16:30. Dan is het nog rustig en komt het eten sneller. Terwijl wij wachtten, kreeg onze dreumes zijn eigen potje en wanneer ons eten er dan was at ze wat hapjes mee om te proeven van ons bord. Zo had ze wat te doen tijdens het wachten (en wij op dat moment de aandacht om hapjes te geven) en terwijl wij aten leerde ze nieuwe gerechtjes proeven.

Speelgoed is in deze fase een redder in nood. Dingen die niet op de grond vallen of herrie maken zijn handig: speelgoed met zuignappen, plastic ringen om iets vast te maken aan de buggy, stoffen speelblokjes of een knisperboekje. Zo had ze altijd iets te doen, ook als het wachten wat langer duurde. (oké.. toegeven: mama had ook vaak genoeg speelgoed om steeds op te rapen van de grond, maar dat geeft niet… ze zat er rustig bij aan tafel).

Met een peuter uit eten

Peuters en stilzitten… dat is niet altijd de beste combinatie 😉. Daarom deden we vaak eerst iets actiefs, zoals wandelen of even naar het bos. Soms kozen we voor een lunch in plaats van diner, vaak net wat relaxter qua energie en prikkels.

Scherm uit, gesprek aan

Aan tafel zorgde ik voor entertainment zonder scherm. Geen tablet, maar leuke dingen zoals waterkleurboekjes, een klein doosje klei, krasboekjes, duplo of een uitwisbaar tekenbord. Waarom geen scherm? Omdat samen eten voor mij iets sociaals is. Je kijkt elkaar aan, praat, lacht en dat verdwijnt als iedereen achter een scherm zit. Bovendien zorgt schermtijd tijdens het eten ervoor dat kinderen minder bewust eten en niet goed voelen wanneer ze vol zitten.

Bij ons is het daarom een vaste regel: geen scherm tijdens het eten. Ook niet in de lastige peuterfase waarin ze niets wilden eten (en geloof me, die hebben we zéker gehad!). Uiteindelijk gaan ze écht wel eten, zonder trucjes, liedjes of schermen. De sleutel voor mij was loslaten en me niet druk maken als ze een periode wat minder eten. Hoe meer ik er ‘bovenop’ zat, hoe meer ‘spel’ en ‘drama’ ze er van maakten om niet te eten.

Betrek je kind als een volwaardig tafelgenoot

Vanaf het moment dat ze konden praten, betrok ik mijn kinderen bij de routines in het restaurant. Ze mochten zelf hun eten bestellen, ‘dankjewel’ zeggen tegen de ober, en dingen vragen. Als het onverstaanbaar was, herhaalde ik het even, maar het belangrijkste was dat ze het zelf probeerden.

Zelfstandig worden begint met kleine momenten

Nu onze kinderen kleuters zijn, durven ze hun pannenkoek of pasta netjes zelf te bestellen, met trots en een glimlach. En dat is zó leuk om te zien! Het maakt uit eten gaan niet alleen gezellig, maar ook leerzaam. Ook nu ze ouder zijn probeer ik ze veel autonomie te geven, zelf kiezen wat ze willen eten (oké soms een keuze uit 3 dingen die ik vooraf aangeef als we meerdere avonden kipnuggets met frietjes op vakantie op hebben). Maar denk ook eens aan zelfstandig naar de wc lopen in het restaurant, want ook van die kleine dingen ‘zelf regelen’ worden kinderen juist heel zelfstandig en trots.

Restaurants met speelmogelijkheden

We hebben niet altijd gekozen voor restaurants met speeltoestellen of kinderhoeken. Natuurlijk zijn die leuk, maar het was voor ons geen voorwaarde. Doordat we altijd zelf iets meenamen om aan tafel te doen, leerden onze kinderen dat uit eten betekent: aan tafel samen zijn.

We reserveren nog steeds wel vroeg, kiezen restaurants waar het eten niet te lang op zich laat wachten en zorgen dat ze niet oververmoeid of té hongerig zijn. Soms geven we thuis al een klein tussendoortje. En dat broodmandje met Aioli? Nog steeds favoriet een een leuke bezigheid aan tafel: tegenwoordig smeren de kinderen onze broodjes met kruidenboter en delen deze uit met trots.

Jouw rust is de spiegel van je kind

Het belangrijkste inzicht dat ik heb geleerd: jouw rust is de spiegel van je kind.
Ik was vroeger bang dat anderen zich zouden ergeren als mijn kinderen lawaai maakten. Mijn man bleef altijd kalm en zei: “Als het niet gaat, dan zijn we zo weer thuis.” Dat hielp mij enorm.

Want ja, het gaat wel eens mis. Op Ibiza gooide mijn jongste in een ‘fancy restaurant’ ooit een stuk sla op de tafel van de mensen naast ons… oeps! We hebben snel afgerekend, gelachen en ervan geleerd. Die momenten horen erbij. Hoe relaxter jij blijft, hoe meer je kind dat voelt. En uiteindelijk wordt uit eten gaan iets waar het hele gezin van geniet.

Checklist: uit eten met jonge kinderen

  • Kies bewust het tijdstip: Reserveer vroeg (bijv. rond 16:30–17:00) of ga lunchen: dan is het rustiger in het restaurant, minder druk in de keuken en is je kind minder snel oververmoeid of hongerig.
  • Geef een klein hapje vooraf: Laat je kind vóór het restaurant al iets kleins eten: wat rauwkost, fruit of een tussendoortje zorgt dat je kind niet té hongerig (lees: prikkelbaar) aan tafel zit.
  • Bekijk het kindermenu of de kaart vooraf: Zo weet je of er iets geschikt is en kun je samen het gerecht kiezen, wat het kiezen eenvoudiger maakt in het restaurant (voorkomt discussie aan tafel).
  • Neem zelf eten mee: Zeker met baby’s of dreumesen: hun potje, fles of ander vertrouwd hapje dat je even laat opwarmen is handig. Rozijntjes zijn ook goud waard; het duurt lekker lang om deze op te peuzelen tijdens het wachten.
  • Zorg voor vermaak aan tafel (zonder scherm): Kleurboekjes, duplo, tekenborden: ideaal om even aan tafel rustig te blijven terwijl het eten komt.
  • Beperk de duur aan tafel: Kleine kinderen hebben moeite met lang stilzitten. Beperk de tijd: bestel alleen een hoofdgerecht en eventueel toetje als het goed loopt. Beloof het toetje niet vooraf, want blijkt alles uit te lopen of is je kind onrustig; dan is het verstandiger om snel af te rekenen, anders heb je nog deze belofte na te komen. En dan zul je nét zien dat de keuken er lang over doet om de toetjes uit te serveren…
  • Betrek je kind: Laat hem/haar iets kiezen van de kaart, zelf bestellen of de ober vriendelijk aanspreken. Zo voelt je kind zich onderdeel van het gezelschap.
  • Blijf rustig en flexibel: dingen kunnen anders lopen dan gepland: een glas valt, de wachttijd is langer, je kind wordt onrustig. Jouw rust helpt het hele etentje positief te houden. Eventjes een rondje lopen naar de wc helpt ook om daarna weer rustig te kunnen zitten.
  • Kies een kindvriendelijke omgeving: Een restaurant met kinderstoelen/hoekjes is fijn, maar niet noodzakelijk als je zelf speelgoed meeneemt of hierop voorbereid bent. Een restaurant waar meer gezinnen komen, gaf mij meestal minder schaamte (en meer rust) als er toch herrie was of een glas omviel.. andere ouders snappen het immers 😉
  • Laat het gebeuren en geniet samen: Het gaat niet alleen om eten, maar om samen zijn. Laat de perfectie los. En bedenk je… als het niet gaat; snel afrekenen en naar huis.

Uit eten met jonge kinderen hoeft geen stressvolle onderneming te zijn. Met een beetje voorbereiding, genoeg speelgoed, de juiste timing en door vooral zelf relaxed te zijn, kan het juist één van de leukste gezinsmomenten worden.

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht, intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO verdiepte ze zich in gedrag en begeleiding met de Master SEN (Special Educational Needs). Vanuit haar ervaring in de klas én als moeder van Fayenn (6) en Mace (3), schrijft ze onder de naam ‘Juf Shelby‘ over opvoeding, onderwijs en gedrag.

Wat als je kind geen klik heeft met de leerkracht?

Juf Shelby

Je kind komt boos uit school: “De juf is oneerlijk!” of “De meester luistert nooit!”
Jij voelt het direct in je buik, want als je kind niet blij is op school, wil je dat het opgelost wordt. Maar wat doe je als je kind geen klik heeft met de leerkracht? In deze blog lees je hoe je met het voeren van gesprekken het schooljaar positief kunt doorlopen, ook als jij en je kind niet direct een klik voelen met de juf of meester.

Niet iedere leerkracht is even ‘leuk’

In acht basisschooljaren is de kans groot dat er eens een jaar tussen zit waarin het wat minder klikt tussen je kind en de leerkracht. En dat is eigenlijk heel normaal. Maar dat is ook iets wat je kind in zijn verdere leven kan tegenkomen. Je kind mag leren dat niet iedereen hetzelfde is, en dat dat oké is.

Ook als volwassene werk je zelf ook met mensen waarmee het contact vanzelf loopt en met anderen bij wie dat wat stroever gaat of heb je collega’s waar je je aan irriteert. Vertel gerust dat jij ook mensen kent die je lastig vindt, en dat het prima is om elkaar niet altijd even aardig te vinden. Je hoeft niet met iedereen dikke vrienden te zijn, maar ‘gewoon’ omgaan met elkaar is soms voldoende.

Welke ‘stempel’ geef jij de leerkracht?

Vaak wordt er al vooraf over een leerkracht door ouders onderling gesproken op het schoolplein of thuis aan de eettafel. De ene leerkracht staat te boek als ‘streng’, de ander als ‘lief’. En wellicht heb je zelf al een minder positief beeld bij de leerkracht. Probeer te voorkomen dat je negatieve opmerkingen over de leerkracht maakt waar je kind bij is. Kinderen nemen dit mee in hun beeldvorming. Laat ze liever zelf ontdekken wie de juf of meester is, zonder jouw oordeel vooraf.

Kinderen spiegelen vaak wat ze bij hun ouders voelen. Als jij zichtbaar vertrouwen houdt in de leerkracht, voelt je kind zich veiliger om dat ook te doen. Kinderen voelen niet alleen wat jij zegt, maar vooral hoe jij kijkt en reageert. Laat merken dat je gelooft in samenwerking en dat problemen bespreekbaar zijn.
Je geeft zo een krachtige boodschap: “Ik vertrouw erop dat jullie dit samen kunnen oplossen.”

Hoe reageer je als ouder? Meepraten of niet?

Je kind komt emotioneel en verongelijkt thuis over iets wat de leerkracht heeft gedaan of gezegd. Natuurlijk doet het pijn in je ‘moederhart’ als je kind verdriet heeft of boos is. Maar probeer eerst zonder oordeel te luisteren naar wat je kind zegt. Kun je bepaalde dingen relativeren? En wat is er precies gebeurd? Probeer je eigen emoties even te parkeren, luister en probeer samen te vatten wat je kind zegt. Door eerst te luisteren en samen te begrijpen, voelt je kind zich serieus genomen en dat alleen al helpt vaak meer dan direct in actie schieten.

TIP: Teken samen de gebeurtenis na in een stripverhaal of tekening. Voor sommige kinderen is het makkelijker om te tekenen wat er gebeurde en hierdoor zie jij de verbanden beter en kun je achterhalen wat eraan vooraf ging.

Je kind voorbereiden op een eigen gesprek

Voordat je als ouder zelf het gesprek met de leerkracht aangaat, is het waardevol om eerst je kind te helpen dit zélf te proberen. Daarmee leert het dat problemen bespreekbaar zijn en dat je samen vaak verder komt.

Bespreek thuis hoe zo’n gesprek eruit kan zien. Vraag: “Wat zou jij willen zeggen tegen de juf of meester?” of “Wat zou kunnen helpen om het fijner te maken in de klas?” Oefen eventueel samen wat je kind kan zeggen of vragen of schrijf dit samen op. Zo geef je het woorden voor gevoelens die soms nog moeilijk zijn uit te drukken.

Door je kind op deze manier voor te bereiden, geef je het het vertrouwen dat het zelf invloed heeft op de situatie. En lukt het niet in één keer? Dan kun je daarna altijd nog samen met de leerkracht in gesprek gaan, maar de eerste stap komt van je kind zelf. Dat stimuleert eigenaarschap en communicatievaardigheden.

TIP: Visualiseer samen de ideale schooldag. Stel je voor.. er gebeurt een ‘wonder’ en ineens is het heel fijn in de klas met de leerkracht: hoe kom je binnen, wat zeg je tegen de juf of meester, hoe reageert hij/zij op jou? Wat helpt je om te starten met je werkje? Beschrijf deze ideale droomsituatie zo concreet mogelijk. Hierdoor focus je op wat er concreet nodig is van beide partijen voor verandering.

Wat je aandacht geeft, dat groeit

Blijf jij je kind bevestigen in wat de leerkracht fout, vervelend of verkeerd doet, dan groeit de negatieve kijk van je kind op de leerkracht. Door te focussen op het negatieve, maak je dat alleen maar groter. Daarnaast kan deze negatieve blik een reactie geven in de klas. Je kind gaat namelijk steeds negatiever naar school, vertoont negatiever gedrag en ook de leerkracht zal je kind vaker corrigeren op zijn gedrag. Een vicieuze cirkel.

“Wat helpt wél? Focussen op wat wél goed gaat” – juf Shelby

Je kind zit het hele schooljaar in deze klas, dus het wordt een heel negatief jaar als je blijft focussen op wat er allemaal ‘mis’ is. Help je kind door ook te bespreken wat er wél goed gaat. En vraag wat je kind juist wél graag zou willen. Vragen die je kunt stellen zijn:

  1. Welke dingen gaan er wel goed? (Of een klein beetje goed?)
  2. Wat ging er vandaag beter dan gisteren?
  3. Welke dingen vind je wel leuk op school? (Waarom? En hoe doe jij dan? Hoe doet de juf of meester?)
  4. Wat kan de juf of meester goed?
  5. Welk cijfer van 0-10 geef je school nu? En wat zou er moeten veranderen om een punt hoger te geven? (Hiermee focus je op een oplossing)

    Zo help je je kind richting denken in oplossingen in plaats van in problemen.

Zelf bespreken met de leerkracht? Ja of nee?

Is het nu wel of niet verstandig om dit als ouder te bespreken met de juf of meester? Dat hangt natuurlijk ook van de situatie af. Probeer eerst helder te krijgen wat je kind precies onprettig vindt in de klas en verzamel concrete voorbeelden. Als je zelf ook niet verwijtend, maar oplossingsgericht het gesprek met de leerkracht aan gaat, kunnen jullie vast samen tot oplossingen komen.

“Mijn kind ervaart het niet altijd fijn in de klas en ik wil graag samen kijken hoe we dat kunnen verminderen. Mijn kind en ik hebben samen ook nagedacht wat hij anders zou kunnen doen en wat hij nodig denkt te hebben.”

En is je kind al in de midden- of bovenbouw dan zou je kunnen overleggen of je kind ook bij een vervolggesprek kan zijn om samen uit te leggen wat je kind als minder prettig ervaart (ook dit eerst samen voorbereiden, want dit kan heel spannend zijn voor je kind).

Zo bespreek je zorgen met de leerkracht zonder dat het een verwijt wordt

Soms is het lastig om het gesprek aan te gaan met de leerkracht. Vooral als het langere tijd niet goed loopt, kan de irritatie ook aan de kant van de leerkracht zijn ontstaan (we zijn allemaal mensen). Of wellicht wordt je gesprek als kritiek opgepakt. Als je zegt dat jouw kind iets als zodanig ervaart, dan laat je in het midden in hoeverre de juf (of meester) iets verkeerd doet, of het kind de kritiek onterecht opvat. Doe dus ook geen uitspraak in hoeverre de leerkracht of jouw kind gelijk heeft.

Ga uit van de situatie: Jouw kind ervaart dit zo, dat is niet wenselijk voor het kind, de sfeer in de klas én de leerkracht, dus hoe kunnen we dat veranderen (juf haar deel, thuis een deel). Hierdoor zet je in op harmonie tussen leerkracht, kind en de klas als doel. Het gaat dan niet om ‘wie heeft er gelijk’ of ‘wie is slachtoffer’ (en met stilzwijgend als ondertoon dat er dan ook een dader is) of wiens schuld het is. Maar je zoekt samen naar oplossingen.

Wanneer zoek je hulp bij de directeur of IB-er?

Stap één is altijd eerst proberen het gesprek als ouder met de leerkracht te voeren, want daar ligt de verandering en de oplossing. Het kan natuurlijk zijn dat zowel jij als je kind ondanks alle pogingen tot gesprek ontevreden blijven over dingen die in de klas gebeuren. Dan kun je een gesprek aanvragen met de intern begeleider of de directeur erbij. Soms kan het heel helpend zijn dat er een derde persoon meedenkt in het gesprek tussen jou en de leerkracht en kan meedenken over oplossingen en gemaakte afspraken helpen bewaken.

Toch worden kinderen zelden van groep gewisseld enkel vanwege een ‘gebrekkige klik’.
Het is vaak waardevoller om samen te kijken hoe jullie het schooljaar draaglijk en leerzaam kunnen maken. En ja… soms is dat ook het jaar uitzitten.

Leren van verschil: een waardevolle levensles

Elke relatie vraagt even tijd om te groeien, ook die tussen kind en leerkracht. En soms haal je onbewust nét die irritatie bij elkaar naar boven.
Door vertrouwen te houden, te luisteren en positief te blijven, geef je je kind een waardevolle levensles:

Het is oké als het niet vanzelf klikt: het gaat erom hoe je samen verdergaat.

Deze blog is geschreven door Shelby Vos-van Andel, leerkracht, intern begeleider en gedragsspecialist in het basisonderwijs. Na het afronden van de PABO verdiepte ze zich in gedrag en begeleiding met de Master (S)EN (Special Educational Needs). Vanuit haar ervaring in de klas én als moeder van Fayenn (6) en Mace (3), schrijft ze onder de naam ‘Juf Shelby‘ over opvoeding, onderwijs en gedrag.