De voltooide en onvoltooide tijd

Als je kind begint met taal, krijgt hij op den duur te maken met de voltooide en onvoltooide tijd. Naarmate hij in een hogere groep komt, leert hij steeds meer tijden kennen.
Beide categorieën hebben meerdere vormen (in totaal zijn er acht verschillende werkwoordstijden in het Nederlands). Hierdoor weet je kind misschien niet precies hoe hij deze tijden moet toepassen.
Wil je voorkomen dat hij hierbij de fout in gaat? Help je kind dan een handje om de voltooide en onvoltooide tijd onder de knie te krijgen. Op deze pagina lees je alles over beide tijden en kan je kind ook oefenen met de voltooide en onvoltooide tijd.
komt hij vooral in aanraking met de tegenwoordige tijd en de verleden tijd. Naarmate hij in een hogere groep komt, leert hij steeds meer tijden kennen. Zo krijgt je kind op den duur te maken met de voltooide en onvoltooide tijd. Doordat de voltooide en onvoltooide tijd weer verschillende vormen hebben, weet je kind misschien niet precies hoe hij deze tijden toepast. Wil je voorkomen dat hij hierbij de fout in gaat? Help je kind dan een handje om de voltooide en onvoltooide tijd onder de knie te krijgen. Op deze pagina lees je alles over beide tijden en kan je kind oefenen met de voltooide en onvoltooide tijd.

Vormen van werkwoordstijden

Als werkwoorden alleen maar in de voltooide of onvoltooide tijd konden staan, zou het niet zo lastig zijn. Helaas zijn er van beide meer specifieke werkwoordstijden. Je kind krijgt te maken met de onvoltooid tegenwoordige tijd, onvoltooid verleden tijd, voltooid tegenwoordige tijd en voltooid verleden tijd. Hieronder lichten we deze vier tijden kort toe. We gaan daarna ook in op de varianten met de toekomende tijd, zodat jij je kind straks alles over de voltooide en onvoltooide tijd kunt bijbrengen.

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)

Staat een werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd? Dan wordt er een activiteit of toestand uitgedrukt die nog bezig is of op korte termijn plaatsvindt. Enkele voorbeelden van zinnen in de onvoltooid tegenwoordige tijd zijn:

  • Noor eet popcorn tijdens de film.
  • Maikel drukt op de rode knop.
  • Vandaag ben ik jarig.

Onvoltooid verleden tijd (OVT)

Naast de onvoltooid tegenwoordige tijd kan een werkwoord ook in de onvoltooid verleden tijd staan. Wanneer een werkwoord in deze tijd staat, druk je er een activiteit in het verleden mee uit. Kijk maar naar de onderstaande voorbeeldzinnen. Deze staan allemaal in de onvoltooid verleden tijd:

  • Mehmet las een goed boek tijdens zijn vakantie.
  • Hij werkte in de horeca. 
  • Alexander schreef iets op een briefje.

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)

Als een werkwoord in de voltooid tegenwoordige tijd staat, betekent dit dat de activiteit die ermee uitgedrukt wordt al is afgerond. Deze tijd kenmerkt zich doordat er altijd een voltooid deelwoord in de zin staat. Het voltooid deelwoord wordt altijd vergezeld door een hulpwerkwoord. Onderstaande zinnen staan in de voltooid tegenwoordige tijd:

  • Hij heeft vanochtend hard gewerkt. 
  • Mason is geholpen door de dokter. 
  • Ik ben niet naar het feest gegaan. 

Voltooid verleden tijd (VVT)

Net als bij de voltooid tegenwoordige tijd geldt ook voor de voltooid verleden tijd dat de uitgedrukte activiteit al heeft plaatsgevonden. Er staat ook altijd een voltooid deelwoord in combinatie met een hulpwerkwoord in de zin. Het belangrijkste verschil met de voltooid tegenwoordige tijd is dat het hulpwerkwoord bij de voltooid verleden tijd in de verleden tijd staat. Kijk maar eens naar deze voorbeelden:

  • Willem had nog nooit carnaval gevierd. 
  • Hij was hard op zijn knie gevallen. 
  • Sietske en Jasper hadden veel gelachen samen.  

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (OTTT)

Werkwoorden die in de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd staan, drukken een handeling uit die in de toekomst plaatsvindt. Je kind herkent zinnen in deze tijd aan het gebruik van (een vorm van) het hulpwerkwoord zullen. In de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd staat de vorm van “zullen” altijd in de tegenwoordige tijd. De volgende voorbeelden maken dit duidelijk:

  • Tineke zal de cadeautjes voor de kinderen kopen. 
  • Ik zal mijn werk op tijd klaar hebben vanavond.
  • Gerard en Felix zullen het probleem samen wel oplossen. 

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (VTTT)

Als een zin in de voltooid tegenwoordige toekomende tijd staat, gaat het om een handeling die in de toekomst voltooid zal zijn. Omdat dit een voltooide tijd is, staat er altijd een voltooid deelwoord in de zin. De vorm van het hulpwerkwoord “zullen” staat bij de voltooid tegenwoordige toekomende tijd in de tegenwoordige tijd. In de praktijk ziet dat er als volgt uit:

  • De musical zal aan het eind van het schooljaar opgevoerd worden. 
  • Na het toernooi zullen de prijzen uitgereikt worden.
  • Hij zal wel heel veel geoefend hebben. 

Onvoltooid verleden toekomende tijd (OVTT)

Staat een zin in de onvoltooid verleden toekomende tijd? Dan druk je een handeling uit die vanuit het verleden in de toekomst plaatsvindt. Net als bij de bovenstaande twee tijden geldt ook hier dat het hulpwerkwoord zullen in de zin staat. Omdat het hier om de verleden tijd van zullen gaat, gebruik je in deze tijdsvorm de verleden tijd van “zullen” (namelijk zou). Benieuwd hoe dit er in de praktijk uitziet? Kijk eens naar de volgende voorbeeldzinnen:

  • Ik zou graag iets willen bestellen.
  • Jill zou hem vandaag bellen.
  • Zij zouden met de trein reizen.

Voltooid verleden toekomende tijd (VVTT)

Een zin kan, naast de onvoltooid verleden toekomende tijd – ook in de voltooid verleden toekomende tijd staan. Je kind herkent deze tijd aan het gebruik van zou (of zouden) in combinatie met hebben of zijn en een voltooid deelwoord. Als een zin in de voltooid verleden toekomende tijd staat, wordt er een handeling uitgedrukt die vanuit het verleden gezien in de toekomst plaats zou vinden. Enkele voorbeelden:

  • We zouden vast en zeker gewonnen hebben. 
  • Ik zou het me niet aangetrokken hebben. 
  • Hij zou nu dokter zijn geweest.

De werkwoordstijden samengevat in een schema

Je weet inmiddels wat de kenmerken van de verschillende werkwoordstijden zijn. Omdat het in totaal om acht verschillende tijden gaat, kan je kind ze gemakkelijk door elkaar halen. Onderstaande twee schema’s (één voor de onvoltooide tijd en één voor de voltooide tijd) maken het een stuk makkelijker om de tijden uit elkaar te houden en te herkennen:

Onvoltooide tijd

Onvoltooid tegenwoordige tijd

Paul fietst naar huis.

Onvoltooid verleden tijd

Paul fietste naar huis.

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd

Paul zal naar huis fietsen.

Onvoltooid verleden toekomende tijd

Paul zou naar huis fietsen.

Voltooide tijd

Voltooid tegenwoordige tijd

Paul is naar huis gefietst.

Voltooid verleden tijd 

Paul was naar huis gefietst. 

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd

Paul zal naar huis zijn gefietst.

Voltooid verleden toekomende tijd

Paul zou naar huis zijn gefietst.

Oefenen met de voltooide en onvoltooide tijd

Haalt je kind de bovenstaande tijden regelmatig door elkaar? Dan is het verstandig om hier extra aandacht aan te besteden. Dit kan onder meer door te oefenen met de voltooide en onvoltooide tijd, zodat het onderscheid duidelijk wordt.

Je kunt op school om extra oefenstof vragen, maar online kan je kind ook spelenderwijs oefenen met deze werkwoordstijden. Op Squla bijvoorbeeld kan hij quizzen en games spelen die helemaal in het teken staan van voltooide en onvoltooide tijd. Typische vragen zijn bijvoorbeeld: “Welke zin staat in de voltooide tijd?” of “In welke tijd staat de zin ‘Wij hebben hem goed geholpen met zijn rekenwerk’?” – waarna je kind moet aangeven of het een voltooide of onvoltooide tijd is.

Na het beantwoorden van iedere vraag volgt een korte uitleg of een leuk weetje. De quizzen en games op Squla worden bovendien ondersteund met audio en video, waardoor leren nog leuker wordt!

FAQ – Voltooide en onvoltooide tijd

Gerelateerde artikelen