- VakkenKies je groepKies je groep
-
Rekenen
-
Taal
-
Begrijpend lezen
-
Engels
-
Toetsen
-
Vreemde talen
-
De wereld
-
Verkeer
-
Tekenen
-
Adaptief rekenen
-
Rekenen
-
Taal
-
Spelling
-
Begrijpend lezen
-
Engels
-
Aardrijkskunde
-
Topografie
-
Geschiedenis
-
Natuur en techniek
-
Toetsen
-
Vreemde talen
-
Muziek
-
Verkeer
-
Tekenen
-
Adaptief rekenen
-
- Groepen
- Toetsen
- Leerkracht
Hoofdzinnen en bijzinnen
Zinsontleding (grammaticale ontleding van zinnen) is een belangrijk onderdeel van het taalonderwijs. Een goed begrip van hoofdzinnen en bijzinnen is essentieel om samengestelde zinnen correct te kunnen ontleden. In het Nederlands is een hoofdzin een zelfstandige (onafhankelijke) zin die op zichzelf kan staan, terwijl een bijzin een afhankelijke zin is die niet zelfstandig kan voorkomen zonder een hoofdzin. In dit artikel leggen we uit wat hoofdzinnen en bijzinnen precies zijn, hoe je ze van elkaar onderscheidt, welke soorten voegwoorden erbij horen, en we bespreken ook de beknopte bijzin. Met duidelijke voorbeelden en tips leer je hoofdzinnen en bijzinnen herkennen en onderscheiden.
Wat is een hoofdzin?
Een hoofdzin is een zin die niet afhankelijk is van een andere zin en daardoor zelfstandig (als losstaande zin) kan voorkomen. In de ontleding is een hoofdzin dus niet een onderdeel van een grotere zin, zoals een bijzin dat wel is. Als een hoofdzin los staat, begint hij met een hoofdletter en eindigt hij met een punt.
In een Nederlandse hoofdzin staat de persoonsvorm meestal op de eerste of tweede plek. Vaak staan het onderwerp en de persoonsvorm dicht bij elkaar, vooral aan het begin van de zin.
Voorbeelden
- Jan gaat naar huis. (onderwerp: Jan, persoonsvorm: gaat)
- Gijs spreekt perfect Engels.
Wat is een bijzin?
Een bijzin is een zin die deel uitmaakt van een samengestelde zin, maar zelf niet zelfstandig kan voorkomen. Een bijzin heeft dus altijd een hoofdzin nodig.
De woordvolgorde in een bijzin is vaak anders dan in een hoofdzin. Bij bijzinnen staat de persoonsvorm meestal later in de zin, vaak aan het eind. Een bijzin wordt bovendien vaak ingeleid door een onderschikkend voegwoord, zoals dat of omdat.
Voorbeelden
- Ik weet dat hij vandaag niet komt.
Hoofdzin: Ik weet. Bijzin: dat hij vandaag niet komt
- Sanne plukt appels van een boom, omdat ze een appeltaart wil bakken.
Hoofdzin: Sanne plukt appels van een boom. Bijzin: omdat ze een appeltaart wil bakken.
Onderschikkende voegwoorden
Omdat een bijzin niet zelfstandig gebruikt kan worden, komt deze altijd voor in samengestelde zinnen, gecombineerd met een hoofdzin. Om deze twee zinnen met elkaar te verbinden, worden onderschikkende voegwoorden gebruikt. Als er een komma gebruikt wordt om een hoofdzin en bijzin van elkaar te scheiden, staat het onderschikkende voegwoord vaak direct achter de komma. Het is niet zo dat er altijd een komma tussen een hoofdzin en bijzin staat. Een voegwoord kan namelijk ook direct tussen de twee zinnen geplaatst worden, zonder tussenkomst van een leesteken. Er zijn heel veel onderschikkende voegwoorden. Voorbeelden van onderschikkende voegwoorden zijn:
- dat, of (kan ook nevenschikkend gebruikt worden)
- omdat, doordat, zodat
- voordat, nadat, terwijl, zodra
- hoewel, tenzij
Voorbeeld:
Alex traint veel, zodat hij later profvoetballer kan worden.
Hoofdzin: Alex traint veel.
Bijzin: hij later profvoetballer kan worden.
De hoofdzin kan niet vervangen worden door één woord, de bijzin wel.
Voorbeeld: Alex traint veel, altijd.
Verschillen tussen hoofdzinnen en bijzinnen
Hoofdzinnen en bijzinnen verschillen op een aantal belangrijke punten van elkaar:
1) Zelfstandigheid
Een hoofdzin kan op zichzelf staan en blijft een complete, grammaticaal correcte zin.
Een bijzin kan niet zelfstandig voorkomen; hij hoort bij een hoofdzin.
Voorbeelden:
- Hoofdzin: Hij leest een boek.
- Bijzin (kan niet los): …omdat hij tijd had.
2) Woordvolgorde en plaats van de persoonsvorm
In een hoofdzin staat de persoonsvorm meestal op plek 1 of 2. Het onderwerp en de persoonsvorm staan vaak dicht bij elkaar.
In een bijzin staat de persoonsvorm meestal later in de zin, vaak aan het einde. Daardoor komen er vaak woorden tussen onderwerp en persoonsvorm.
Voorbeelden:
- Hoofdzin: Sanne plukt appels. (persoonsvorm: plukt, staat vroeg)
- Bijzin: …omdat ze een appeltaart wil bakken. (persoonsvorm: wil, staat later)
3) Voegwoorden
Een hoofdzin kan zonder voegwoord voorkomen.
Een bijzin begint vaak met een onderschikkend voegwoord, zoals dat, omdat, terwijl, als, hoewel.
Voorbeeld:
Ik weet dat hij vandaag niet komt.
bijzin: dat hij vandaag niet komt
4) Vervangen door één woord
Een bijzin kun je vaak vervangen door één woord, zonder dat de rest van de zin grammaticaal “stuk” gaat. Dat lukt bij een hoofdzin niet.
Voorbeeld:
Alex traint veel, zodat hij later profvoetballer kan worden.
bijzin vervangen: Alex traint veel, altijd.
(de zin blijft grammaticaal kloppen, ook al verandert de betekenis)
Een hoofdzin is zelfstandig en heeft de persoonsvorm meestal vooraan.
Een bijzin is afhankelijk, begint vaak met een onderschikkend voegwoord en heeft de persoonsvorm meestal later in de zin.
Voegwoorden: nevenschikkend en onderschikkend
Wanneer twee zinnen met elkaar verbonden worden, gebeurt dat vaak met een voegwoord. Er zijn twee soorten voegwoorden: nevenschikkende en onderschikkende. Ze bepalen of je te maken hebt met twee hoofdzinnen of met een hoofdzin en een bijzin.
Nevenschikkende voegwoorden
Nevenschikkende voegwoorden verbinden twee hoofdzinnen. Beide zinnen zijn gelijkwaardig en kunnen zelfstandig bestaan. Dit noemen we een nevenschikking.
Veelgebruikte nevenschikkende voegwoorden zijn: en, maar, of, want, dus.
Soms wordt ook dan wel genoemd. Het voegwoord of kan, afhankelijk van de betekenis, ook onderschikkend zijn.
Voorbeeld
Ik wil gaan wandelen, maar het regent.
- hoofdzin 1: Ik wil gaan wandelen.
- hoofdzin 2: Het regent.
Beide zinnen kunnen los staan en zijn verbonden met het nevenschikkende voegwoord maar. Vaak staat er een komma vóór het voegwoord.
Onderschikkende voegwoorden
Onderschikkende voegwoorden verbinden een bijzin aan een hoofdzin. De bijzin is afhankelijk van de hoofdzin en kan niet zelfstandig voorkomen. Dit heet een onderschikking.
Veelvoorkomende onderschikkende voegwoorden zijn: dat, omdat, als, terwijl, doordat, zodat, voordat, nadat, hoewel, tenzij, wanneer, mits.
Voorbeelden
Hij blijft thuis omdat hij ziek is.
- hoofdzin: Hij blijft thuis.
- bijzin: omdat hij ziek is.
Alex traint veel, zodat hij later profvoetballer kan worden.
- hoofdzin: Alex traint veel.
- bijzin: zodat hij later profvoetballer kan worden.
Als de bijzin vóór de hoofdzin staat, begint de zin met het voegwoord en komt er meestal een komma tussen de bijzin en de hoofdzin:
Omdat hij ziek is, blijft hij thuis.
Kort samengevat
- Nevenschikkend voegwoord → hoofdzin + hoofdzin
- Onderschikkend voegwoord → hoofdzin + bijzin
Door naar het voegwoord te kijken, kun je vaak al bepalen met welk type zin je te maken hebt.
Beknopte bijzin
Naast gewone bijzinnen bestaat er ook de beknopte bijzin. Dit is een bijzin zonder onderwerp en zonder persoonsvorm. In plaats daarvan bevat de zin een deelwoord (zoals lopend, bibberend) of een te + infinitief (te komen, te winnen).
Een beknopte bijzin ontstaat doordat het onderwerp wordt weggelaten. Dat kan alleen als het onderwerp van de bijzin hetzelfde is als dat van de hoofdzin.
Voorbeeld
Bibberend van de zenuwen begon Jasmina aan haar toets.
- hoofdzin: Jasmina begon aan haar toets.
- beknopte bijzin: Bibberend van de zenuwen.
Het is duidelijk dat Jasmina degene is die bibbert. Daarom klopt de zin.
Je kunt de beknopte bijzin ook uitschrijven als een gewone bijzin:
Omdat Jasmina van de zenuwen bibberde, begon ze aan haar toets.
Of vervangen door één woord:
Zenuwachtig begon Jasmina aan haar toets.
De hoofdzin zelf kun je niet door één woord vervangen. Dat laat opnieuw het verschil zien tussen hoofdzin en (beknopte) bijzin.
Zo herken je een beknopte bijzin
- geen onderwerp
- geen persoonsvorm
- vaak een vorm als -end (lachend, zingend) of te + werkwoord
- het “verborgen” onderwerp is hetzelfde als dat van de hoofdzin
Hoofd- en bijzinnen in samengestelde zinnen
Een samengestelde zin bevat minimaal twee persoonsvormen. Zo’n zin bestaat uit meerdere deelzinnen. Er zijn verschillende combinaties mogelijk.
Hoofdzin + hoofdzin
Twee gelijkwaardige hoofdzinnen worden verbonden met een nevenschikkend voegwoord.
Voorbeelden
- Rick eet geen fastfood meer, want anders komt hij snel aan.
- Ik ga nu naar huis en ik bel je morgen.
Hoofdzin + bijzin
Een hoofdzin kan worden aangevuld met één of meer bijzinnen. De bijzin geeft extra informatie, zoals een reden, doel, tijd of voorwaarde.
Voorbeelden
- Alex traint veel, zodat hij later profvoetballer kan worden.
- Omdat het hard regende, bleven we binnen.
- Hoewel ik het hem drie keer gevraagd had, was hij het alsnog vergeten.
In complexere zinnen kunnen zelfs meerdere bijzinnen voorkomen:
De docent zegt dat de toets moeilijk was omdat veel leerlingen weinig hadden gestudeerd.
Hier is De docent zegt de hoofdzin en zijn er twee bijzinnen.
|
Soort samengestelde zin |
Voorbeeld |
|
Hoofdzin-hoofdzin |
Rick eet geen fastfood meer, want anders komt hij snel aan. |
|
Hoofdzin-bijzin |
Abigail heeft al een paar dagen koorts, maar voelt zich prima. |
|
Bijzin-hoofdzin |
Hoewel ik het hem drie keer gevraagd had, was hij het alsnog vergeten. |
Oefenen met hoofdzinnen en bijzinnen
Probeer een samengestelde zin op te splitsen:
- Kunnen beide delen los staan zonder aanpassing? Dan zijn het waarschijnlijk twee hoofdzinnen.
- Moet je de woordvolgorde aanpassen om er een goede losse zin van te maken? Dan was dat deel een bijzin.
Ook helpt het om te letten op de plaats van de persoonsvorm en op voegwoorden zoals dat, omdat, hoewel.
Conclusie
Hoofdzinnen en bijzinnen vormen samen de bouwstenen van samengestelde zinnen in het Nederlands. Een hoofdzin is een zelfstandige zin met meestal de persoonsvorm vooraan (subject en persoonsvorm naast elkaar), terwijl een bijzin een afhankelijke zin is met vaak de persoonsvorm achteraan en een onderschikkend voegwoord ervoor. Begrijpen of een zin deel uitmaakt van een andere zin (bijzin) of zelfstandig is (hoofdzin) is cruciaal voor het juist ontleden van zinnen. Let op signaalwoorden (voegwoorden) en de positie van het werkwoord om het verschil te zien.
Door regelmatig te oefenen – bijvoorbeeld door in een tekst de persoonsvormen te zoeken en te bepalen of ze op de tweede plaats (hoofdzin) of aan het eind (bijzin) staan – wordt het steeds makkelijker om hoofdzinnen en bijzinnen te herkennen. Er bestaan tal van online oefeningen en quizzen waarmee je deze vaardigheid kunt trainen. Met een goed inzicht in hoofd- en bijzinnen leg je een sterke basis voor het begrijpen van complexe zinsstructuren en voor foutloos formuleren in het Nederlands.