Zinsontleden en redekundig ontleden

Carlijn


Om goed te kunnen spellen, is het noodzakelijk dat je kind zinnen kan ontleden. Dit gebeurt volgens een vaste volgorde. Deze volgorde moet aangehouden worden, omdat er anders geen volgende stap genomen kan worden. We noemen het ontleden volgens een vaste volgorde ‘redekundig ontleden’.

Redekundig ontleden is niet alleen belangrijk op bij het vak Taal op de basisschool, maar ook op de middelbare school. Daar wordt het zelfs bij het vak Nederlands nog op de proefwerken gevraagd. Laten we eerlijk zijn: bij de meeste ouders is het ontleden ook al een tijdje geleden. De kennis ervan is weggezakt. Daarom een kleine opfriscursus en tips voor ouders om je kind te leren zinsontleden.

De persoonsvorm vinden

Het is goed te onthouden dat de persoonsvorm altijd een werkwoord is. Je kunt je kind dit uitleggen als dat dit altijd iets is wat je kunt doen. De persoonsvorm wordt vaak gevonden door de zin vragend te maken, maar dit biedt niet altijd uitkomst.

In het voorbeeld ‘Anna eet een appel’ kan het kind vragen: ‘Eet Anna een appel’? Het is meteen duidelijk dat ‘Eet’ hier de persoonsvorm is. Als de zin zou zijn: ‘Wanneer eet Anna een appel?’ is het niet mogelijk om de zin vragend te maken, omdat deze al vragend is. ‘Wanneer’ is niet de persoonsvorm. Dat houdt in dat de zin in een andere tijd gezet moet worden.

‘Wanneer eet Anna een appel?’ wordt dan: ‘Wanneer at Anna een appel?’. Duidelijk is dat ‘eet’ hier veranderd in ‘at’ en dit dus de persoonsvorm is. Het is goed om te onthouden dat de persoonsvorm altijd een werkwoord is.

Een andere manier (die iets minder vaak gebruikt wordt) is door met meervouden te werken: ‘Ik voetbal twee dagen in de week’ wordt ‘Wij voetballen twee dagen in de week’. ‘Voetballen’ is in deze dus de persoonsvorm. Door je kind deze manieren aan te leren, gaat het vinden van de persoonsvorm bijna nooit meer mis. Dit is noodzakelijk voor de andere onderdelen van het redekundig ontleden.

Zinsdelen gebruiken

Als de persoonsvorm eenmaal gevonden is, kan de zin worden opgesplitst in zinsdelen. Hiervoor gebruiken we de ‘zinsdeelproef’. In het voorbeeld ‘Dennis en Daniel gaan morgen spelen’ is ‘gaan’ de persoonsvorm, want men kan vragen: ‘Gaan Dennis en Daniel morgen spelen?’

Je zoon of dochter kan nu een proef doen door alles links en rechts van gaan te wisselen. ‘Dennis en Daniel’ staat bijvoorbeeld links van ‘gaan’ en is een zinsdeel. Wissel deze maar eens om: ‘Morgen gaan Dennis en Daniel spelen’ en ‘Spelen gaan Dennis en Daniel morgen’. Nu duidelijk is welke delen bij elkaar horen, kunnen er streepjes in de zin gezet worden. Hiermee kunnen we de zin ontleden.

Het werkwoordelijk gezegde vinden

Wat later op de basisschool wordt geleerd het werkwoordelijk gezegde te vinden. Dit is een moeilijk begrip, want voor de meeste volwassenen is het ook al weer even denken wat dit inhoudt. Kort gezegd is het een samenvoegsel van alle werkwoorden in de zin.

In de zin ‘Gisteren heb ik gevoetbald’ zitten twee werkwoorden: ‘heb’ van ‘hebben’ en ‘gevoetbald’ van ‘voetballen’. Door deze samen te voegen vinden we het werkwoordelijk gezegde: ‘heb gevoetbald’. Dat is de hele truc van het werkwoordelijk gezegde.

Het onderwerp vinden

Het onderwerp kan het makkelijkst gevonden worden door te vragen: ‘Wie of wat + persoonsvorm?’ Hierbij is het dus ook weer van belang dat je kind de persoonsvorm al goed onder de knie heeft.

Bij de zin: ‘Bart gaat morgen naar de Efteling’ kan je kind vragen: ‘Wie gaat morgen?’ (of met het hele zinsdeel: ‘Wie of wat gaat morgen naar de Efteling?). Het antwoord is ‘Bart’. Daarom is ‘Bart’ het onderwerp in deze zin.

Lijdend voorwerp vinden

Als je kind in een zin het werkwoordelijk gezegde heeft gevonden, kan hij of zij aan de slag met het lijdend voorwerp. Leg uit dat het ‘lijdend voorwerp’ zo heet, omdat deze het werkwoordelijk gezegde ondergaat. Het is goed om te weten dat er niet altijd een lijdend voorwerp in een zin hoeft te staan.

Onthoud dat een lijdend voorwerp wordt gevonden aan de hand van de vraag: ‘Wie of wat + persoonsvorm + onderwerp + andere werkwoorden?’ Bij de zin ‘Anna eet een appel’ is de vraag dus: ‘Wat eet Anna?’ Het antwoord is: ‘een appel’. ‘Een appel’ is dan het lijdend voorwerp’

Meewerkend voorwerp vinden

Het meewerkend voorwerp is het antwoord op de vraag: ‘Aan/voor wie + persoonsvorm + onderwerp + andere werkwoorden’. Bij de zin: ‘De juf geeft Frank een sticker.’ is de vraag: ‘Aan wie/voor wie geeft de juf?’ Het antwoord is ‘Frank’.

Besteed extra aandacht aan het verschil tussen het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp. Deze worden zelfs door meerderejaars op de middelbare school nog door elkaar gehaald. In de voorbeeldzin staan het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp allebei (‘Een sticker’ is hier het lijdend voorwerp). Haal ze niet door elkaar heen, maar stel iedere keer de juiste vraag.

Wanneer je welke vraag stelt, is afhankelijk van wat je zoekt in de zin. Dat is een kwestie van stampen. Redekundig ontleden is iets dat veel geoefend moet worden. Pas na een flinke tijd wordt het gemakkelijk.

Squla (default)

Geef je kind meer zelfvertrouwen en leerplezier met de leuke quizzen en games van Squla. Niet tevreden? 30 dagen geld terug garantie!

Nu van € 7,95 voor € 6,95 p/m